ECLI:NL:RBNHO:2026:1750

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
6 februari 2026
Publicatiedatum
23 februari 2026
Zaaknummer
C/15/373704
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Kort geding
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:166 lid 3 BWArt. 194 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Uitleg en tijdelijke voortzetting van maatschap na opzegging in tandartsenpraktijk

Partijen, een tandarts en een mondhygiëniste, waren sinds 2010 verbonden in een maatschap voor de gezamenlijke uitoefening van een tandartsenpraktijk. De maatschap werd door de tandarts opgezegd per 1 januari 2026. De mondhygiëniste vordert in kort geding dat de praktijk gezamenlijk wordt voortgezet totdat overeenstemming is bereikt over de afwikkeling.

De rechtbank stelt vast dat de maatschap is ontbonden en dat partijen een door redelijkheid en billijkheid beheerst rechtsverhouding blijven houden. De kern van het geschil betreft de uitleg van artikel 13 van Pro de maatschapsovereenkomst, waarin staat dat beide partijen het recht hebben de praktijk voort te zetten na opzegging.

De voorzieningenrechter volgt de uitleg dat voortzetting gezamenlijk moet plaatsvinden en dat eenzijdige voortzetting door één partij met uitsluiting van de ander in strijd is met redelijkheid en billijkheid. De tandarts heeft zonder overleg handelingen verricht die de mondhygiëniste uitsluiten, wat onrechtmatig is. De rechtbank beveelt herstel van de gezamenlijke praktijkvoering en legt een dwangsom op bij niet-naleving.

Uitkomst: De rechtbank beveelt gezamenlijke voortzetting van de praktijk en herstel van faciliteiten tot overeenstemming over afwikkeling van de maatschap.

Uitspraak

RECHTBANK Noord-Holland

Civiel recht
Zittingsplaats Haarlem
Zaaknummer: C/15/373704 / KG ZA 26-21
Vonnis in kort geding van 6 februari 2026
in de zaak van
[eiser],
te [plaats],
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser],
advocaat: mr. A.C.M. Verhoeven,
tegen
[gedaagde],
te [plaats],
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde],
advocaat: mr. P. Keuchenius.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding met 13 producties
- de producties 1 t/m 19 van [gedaagde]
- de mondelinge behandeling van 21 januari 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt
- de pleitnota van [eiser]
- de pleitnota van [gedaagde].

2.De feiten

2.1.
[eiser] is mondhygiëniste van beroep. [gedaagde] is tandarts.
2.2.
Partijen zijn tot 2019 gehuwd geweest.
2.3.
Partijen zijn op 1 januari 2010, ten tijde van hun huwelijk, een maatschap aangegaan voor de uitoefening van een praktijk voor tandheelkundige zorg onder de naam ‘[naam]’.
2.4.
De maatschapsovereenkomst bevat, voor zover van belang, de volgende artikelen:
in aanmerking nemende
  • Dat partijen vanaf 1 januari 2010 gezamenlijk een [maatschap, rb] uitoefenen
  • Dat partij A als tandarts werkzaamheden voor en namens de maatschap verricht
  • Dat partij B als mondhygiënist werkzaamheden voor en namens de maatschap verricht
(...)
Artikel 2
De maatschap heeft ten doel het voor gezamenlijke rekening en risico uitoefenen van de praktijk.
Artikel 3
1. De maatschap is aangegaan voor onbepaalde tijd en is aangevangen op 1 januari 2010
2. Ieder der partijen heeft het recht de maatschap op te zeggen tegen 1 januari van enig jaar, zulks met inachtneming van een opzegtermijn van tenminste zes maanden. De opzegging dient te geschieden bij aangetekend schrijven of deurwaardersexploot.
Artikel 4
1. Ieder der partijen heeft zijn volle arbeid, kennis en vlijt, alsmede de inkomsten van alle nevenactiviteiten ingebracht
2. Partij A is voor 50% en partij B voor 50% gerechtigd in het eigendom van de rechten, de activa de stille reserves en de passiva van de maatschap.
Artikel 6
1a De winst of het verlies uit de praktijkuitoefening wordt door partijen verdeeld in onderling overleg met inachtneming van het geïnvesteerde kapitaal, het ondernemersrisico en de arbeidsinbreng in het boekjaar.
lb Bij aanvang is de verhouding als bedoeld onder lid 1. letter a hiervoor gesteld op 60% voor partij A en 40% voor partij B. (…)
Artikel 7
In onderling overleg kunnen de partijen voor ieder hunner vaststellen welke bedragen als voorschot op de winst uit de maatschap kunnen worden opgenomen.
Artikel 8
De werkzaamheden aan het beheer en de uitvoering van de zaken der maatschap verbonden, worden door partijen in onderling overleg geregeld.
Artikel 9
Behoudens het hierna bepaalde is ieder der partijen bevoegd om voor de maatschap te handelen en te tekenen, gelden voor haar te ontvangen en uit te geven, de maatschap aan derden en derden aan de maatschap te verbinden. De medewerking voor beide partijen wordt echter gevorderd voor:
het aangaan van verbintenissen - waaronder het tekenen van handelspapier - boven een bedrag of waarde van tweeduizend euro, behoudens de tot de normale beroepsuitoefening behorende transacties;
het huren en verhuren, alsmede het verkrijgen, vervreemden en bezwaren van onroerende goederen, het verlenen van zakelijke rechten, het voeren van processen, het berusten in rechtsvorderingen, het aangaan van dadingen, compromissen, akkoorden en borgtochten en het aangaan van alle handelingen die vallen buiten de grenzen door het doel der maatschap aangegeven;
het aannemen en ontslaan van personen in dienst van de maatschap en het vaststellen hunner arbeidsvoorwaarden;
(…)
Artikel 13
In geval van opzegging door een partij, hebben beide partijen het recht de praktijk voort te zetten.
2.5.
In een brief van 28 juni 2024 heeft [gedaagde] de maatschapsovereenkomst opgezegd en de intentie uitgesproken om de onderneming voort te zetten en nieuwe afspraken te maken over de samenwerking per 1 januari 2025. Partijen hebben hieraan geen gevolg gegeven. Eind 2025 zijn partijen met elkaar in overleg getreden over de wijze van vereffening van de maatschap per 1 januari 2026. Tot 1 januari 2026 is de samenwerking op gebruikelijke wijze gecontinueerd.
2.6.
Eind oktober 2025 hebben partijen contact gehad met de VvAA, onder meer over het definitief maken van de jaarstukken alsmede over eventuele afspraken over tijdelijke voortzetting dan wel beëindiging van de maatschap. [gedaagde] heeft in dat kader op 28 oktober 2025 een e-mail gestuurd waarin onder meer staat:
Wat betreft het opzeggen van de maatschap: Vanaf 1 januari zijn we dan 2 eenmanszaken. Beiden 50-50 eigenaar van de inboedel en patienten van [naam]. Ik wens niet verder te gaan als maatschap. We kunnen bespreken hoe we dit voor de komende tijd dan gaan vormgeven. We kunnen ook gelijk bespreken of [eiser] of ik de eigendommen wil overnemen van de ander.
2.7.
Op 5 november 2025 heeft [gedaagde] de verhuurder van het praktijkpand verzocht de huurovereenkomst te wijzigen in die zin dat zijn eenmanszaak de huur voortzet, handelend onder de naam [naam].
2.8.
Partijen hebben op 28 november 2025 afgesproken met de VvAA om de vormgeving van de opzegging te bespreken.
2.9.
Bij e-mail van 2 december 2025 heeft [gedaagde] geschreven aan [eiser] en de betrokken adviseurs van de VvAA:
Graag wilde ik mededelen dat ik de praktijk per 1 januari 2026 graag voortzet. Ik ben bereid daarvoor de inventaris over te nemen van [eiser]. Er heeft al een taxatie plaatsgevonden en wat betreft de inboedel is daar een taxatie van 89.000 euro uit gekomen. Ik wil dan ook een indicatief bod doen van 44.500 euro voor de helft van de boedel, het deel van [eiser].
2.10.
Namens de advocaat van [eiser] is op 5 december 2025 hierop, voor zover van belang, als volgt gereageerd:
Ik begrijp van cliënte dat beide maten op dit moment geïnteresseerd zijn in de overname van de onderneming die op grond van de door u opgezegde maatschapovereenkomst wordt gedreven.
[eiser] heeft mij verder laten weten dat zij niet akkoord gaat met uw voorstel tot uitkoop omdat zij aanspraak maakt op voortzetting. Bovendien staat de door u voorgestelde uitkoopsom in geen verhouding tot de waarde van de praktijk.
Namens [eiser] stel ik voor dat partijen op korte termijn (opnieuw) in overleg treden om in ieder geval procesafspraken te maken over de wijze waarop partijen omgaan met de ontstane situatie in belang van de onderneming en beide maten. Ter voorkoming van schade, lijkt het verstandig dat de Maatschap tijdelijk op de gebruikelijke wijze wordt voortgezet totdat tussen partijen overeenstemming is bereikt over de gevolgen van uw opzegging.
Zoals bekend meent [eiser] dat mediation een geschikte methode kan zijn om te komen tot
aanpassing of afwikkeling van de samenwerking tussen partijen. Ik verneem graag per omgaande of u bereid bent om procesafspraken te maken en om een mediationtraject te doorlopen. (…)
2.11.
[gedaagde] heeft op 6 december 2025 per e-mail gereageerd:
Op dit moment zie ik geen aanleiding om een mediationtraject op te starten. De maatschap is rechtsgeldig door mij opgezegd per 1 januari en het bijbehorende traject van afwikkeling loopt al conform de afspraken en procedures.
Ik heb [eiser] een reëel voorstel gedaan met betrekking tot de inventaris, gebaseerd op de huidige waarde. Het afwijzen daarvan verandert voor mij niets aan het verdere proces.
Daarom geef ik op dit moment de voorkeur aan het voortzetten van de administratieve afwikkeling zonder een nieuw mediationtraject.
2.12.
Op 17 december 2025 heeft (de eenmanszaak van) [gedaagde] een spoedinschrijving gedaan bij het Benelux merkenregister van het woordmerk ‘[naam]’. De inschrijving is voorlopig geweigerd.
2.13.
Op 18 december 2025 hebben de advocaten van partijen gecorrespondeerd over de mogelijkheid voor [eiser] om na 1 januari 2026 haar omzet te blijven declareren via Infomedics. Voor de facturering maakt de maatschap gebruik van Infomedics en de omzet wordt gedeclareerd via AGB-codes. De maatschap maakte altijd gebruik van een gezamenlijke AGB-code. [gedaagde] heeft bij Infomedics een eigen AGB-code verkregen om zijn omzet apart te kunnen declareren en wenst de overeenkomst die de maatschap heeft met Infomedics per 1 januari 2026 op te zeggen. [eiser] heeft aangegeven geen mogelijkheid te hebben zelfstandig te kunnen declareren, omdat zij niet over een AGB-code beschikt. Op 22 en 23 december 2025 heeft de advocaat van [gedaagde] bevestigd dat [gedaagde] akkoord is met het on hold zetten van de opzegging van het contract met Infomedics totdat [eiser] een eigen AGB-code heeft, uiterlijk tot 31 januari 2026.
2.14.
Op 19 december 2025 is namens [gedaagde] een allonge op de huurovereenkomst verstuurd aan de advocaat van [eiser] die ertoe strekt dat [gedaagde] de huur voortzet, met het verzoek aan [eiser] dit document te ondertekenen. Hierbij is ter toelichting geschreven:
Voor mij is de vraag of dit voor haar voldoende is, omdat ik geen nadrukkelijke kwijting jegens [eiser] als huurder in dit stuk aantref. Aan de andere kant is de vraag of en hoe lang zij nog medehuurder wil blijven. Er moet ook overlegd worden over de verdeling van de gebruiksruimten en stoelen. Cliënt wil, zo begrijp ik hem, voorstellen om 4 van de 5 stoelen te gebruiken waarbij [eiser] dan 1 stoel gebruikt. De kostenverdeling kan dan in dezelfde verhouding plaatshebben.
2.15.
De maatschap heeft meerdere personeelsleden, bestaande uit werknemers en zzp’ers. Twaalf personeelsleden hebben een addendum getekend op de lopende arbeidsovereenkomst/overeenkomst van opdracht, waarin staat dat de maatschap [naam] per 1 januari 2026 wordt beëindigd en dat het werkgever-/opdrachtgeverschap per 1 januari 2026 wordt gewijzigd naar de eenmanszaak [gedaagde] Entertainment met behoud van de arbeids- cq. opdrachtvoorwaarden
.
2.16.
Op 23 december 2025 heeft [gedaagde] een concept voorstel naar [eiser] verstuurd, getiteld ‘concept tijdelijke gebruiks- en samenwerkingsregeling na ontbinding van de maatschap’.
2.17.
De maatschap heeft voor de administratie een contract bij [bedrijf]. [gedaagde] heeft zonder overleg met [eiser] het contract gewijzigd in die zin dat er vanaf 1 januari 2026 twee aparte administraties bestaan. Op 14 januari 2026 heeft [eiser] aan [bedrijf] verzocht deze eenzijdige wijziging ongedaan te maken. [bedrijf] is bereid de wijziging ongedaan te maken bij toestemming van beide partijen.
2.18.
Op 8 januari 2026 heeft de advocaat van [eiser] [gedaagde] gesommeerd op grond van artikel 194 Rv Pro opgave te doen van alle rechtshandelingen door [gedaagde] verricht met betrekking tot de toe-eigening van de praktijk. Aan deze sommatie is geen gevolg gegeven.
2.19.
[gedaagde] heeft van de bankrekening van de maatschap € 14.000,00 naar zichzelf overgemaakt. Hij heeft aan [eiser] via Whats-App geschreven dat deze betaling is gedaan conform de huidige inrichting. Via Whats-App zijn op 12 januari 2025 onder meer de volgende berichten gestuurd:
[gedaagde]:
“[eiser],
Om duidelijkheid te creëren: ik ben bereid de huidige situatie nog maximaal één week tijdelijk te blijven faciliteren.
Die termijn is bedoeld om de tijdelijke samenwerkingsovereenkomst te ondertekenen.
Als er na die week geen akkoord is, zal verdere facilitering vanuit mijn praktijk (balie en assistentie) stoppen.
Dit is geen discussiepunt, maar bedoeld om rust en duidelijkheid te geven voor iedereen. [gedaagde]”
[eiser]:
“[gedaagde],
Voor de duidelijkheid: de maatschap is niet ontbonden en niet verrekend. Jij hebt geen bevoegdheid om eenzijdig gelden te onttrekken, rekeningen leeg te halen of voorwaarden te stellen aan voortzetting van de samenwerking.
Het door jou onttrekken van €14.000 uit het maatschapsvermogen en het blokkeren van betalingen is onrechtmatig en veroorzaakt directe schade.
Jouw bericht waarin je faciliteiten stopzet indien ik niet binnen een week een door jou gewenste overeenkomst teken, ervaar ik als druk, intimidatie en een ongeoorloofd dreigement. Dit is vastgelegd en door derden gelezen,
Ik geef geen enkel akkoord op jouw voorgestelde “termijn” of werkwijze. Ik verzoek je nogmaals het volledige bedrag per direct terug te storten op de gezamenlijke maatschapsrekening en verdere eenzijdige handelingen te staken.
Verdere afhandeling zal via mijn advocaat verlopen.
Groet, [eiser]”
2.20.
Op 15 januari 2026 heeft de voorzieningenrechter hangende het kort geding ex parte een voorlopige voorziening getroffen. De voorzieningenrechter heeft [gedaagde] bevolen, met onmiddellijke ingang na betekening van het vonnis en van de kort geding dagvaarding conform het ingediende concept, en voor de duur van het geding, [eiser] onbeperkt toegang te verschaffen tot de gemeenschappelijke praktijk met gebruikmaking van alle faciliteiten, personeel, en andere faciliteiten die zij gedurende de uitoefening van het maatschapscontract heeft kunnen gebruiken, totdat op de omschreven vordering in kort geding zal zijn beslist.

3.Het geschil

3.1.
[eiser] vordert – samengevat – bij vonnis voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad
[gedaagde] te bevelen om binnen 24 uur na betekening van dit vonnis:
het ertoe te leiden dat [eiser] weer volledig toegang krijgt en gebruik zal kunnen maken van alle faciliteiten de praktijk betreffende waaronder, doch niet beperkt tot:
- het herstellen van de contractuele relatie met Infomedics,
- het herstellen van het betalingsverkeer via de gemeenschappelijke bankrekening van de maatschap en het daaraan onttrokken bedrag ad € 14.000,- terug te storten,
- het hervatten van de uitkering van de maandelijks gebruikelijke voorschotten op de winst,
- het verlenen van onbeperkte toegang tot de praktijkruimte en alle daarbij behorende faciliteiten, waaronder ondersteuning door het personeel, de praktijkmanager, de officemedewerker en baliemedewerker,
- het herstellen van de gemeenschappelijke administratie,
- en ook overigens de praktijk op de voorheen gebruikelijke wijze gezamenlijk te voeren tot het moment waarop partijen afspraken hebben gemaakt over de afwikkeling van de maatschap, de voortzetting van de praktijk en alles wat daarmee samenhangt, alsmede;
opgave te doen aan de raadsman van [eiser] van alle (contracts)partijen waaraan hij heeft medegedeeld dat hij de praktijk vanaf 1 januari 2026 alleen en met uitsluiting van [eiser] voortzet en onverwijld aan deze partijen mededeling te doen dat in tegenstelling tot die mededeling de gemeenschappelijke praktijk tot nader order is voortgezet per 1 januari 2026 en het ertoe te leiden dat zij de op zijn initiatief doorgevoerde wijzigingen terug zullen draaien en ten bewijze daarvan afschrift van de betreffende berichten direct aan de raadsman van [eiser] te verstrekken,
2. [gedaagde] te verbieden om zonder de voorafgaande uitdrukkelijke toestemming van [eiser] te communiceren met contractspartijen, het personeel en de zzp’ers werkzaam in de praktijk en patiënten ter zake van de opzegging van de maatschap en hetgeen daarmee samenhangt,
Zowel 1 als 2 op straffe van verbeurte van een dwangsom ter hoogte van € 10.000,- voor iedere dag of gedeelte daarvan dat [gedaagde] na de datum van betekening van dit vonnis geen of slechts gedeeltelijk gevolg geeft aan die veroordeling met een maximum van € 1 miljoen, althans een zodanige dwangsom als de voorzieningenrechter in goede justitie zal vermenen te behoren;
3. met veroordeling van [gedaagde] in de proceskosten.
3.2.
[eiser] legt aan de vordering samengevat ten grondslag dat de maatschap voor rekening van beide maten moet worden voortgezet totdat overeenstemming is over de voortzetting dan wel verkoop van de praktijk en de vereffening van de maatschap. [gedaagde] handelt in strijd met de overeenkomst en in strijd met de redelijkheid en billijkheid door vanaf 1 januari 2026 de praktijk feitelijk met zijn eenmanszaak voort te zetten.
3.3.
[gedaagde] voert verweer en concludeert tot afwijzing van de vorderingen van [eiser], met veroordeling van [eiser] in de proceskosten. Beide maten zijn beroepsbeoefenaren en op grond van de maatschapsovereenkomst zijn zij ieder voor zich gerechtigd de praktijk voort te zetten. Dit is ook gebeurd per 1 januari 2026, waarbij ieder met zijn/haar eigen eenmanszaak voor eigen rekening en risico de eigen praktijk voortzet, aldus [gedaagde]. Hij is bereid over de komende periode afspraken te maken, maar nu de maatschap is opgezegd is
er geen contractuele basis voor een feitelijke verlenging van de maatschapsverhouding. Daarbij is personeel vrij om te gaan en staan waar zij willen.
3.4.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4.De beoordeling

4.1.
De vorderingen van [eiser] zien op herstel van de praktijkvoering voor gezamenlijke rekening van de tandartsenpraktijk van partijen. Gelet op de aard van deze vordering is sprake van spoedeisend belang. Tussen partijen staat dat ook niet ter discussie.
4.2.
De voorzieningenrechter houdt het er in deze procedure voor dat de maatschap door [gedaagde] is opgezegd per 1 januari 2026. [gedaagde] heeft met de brief van juni 2024 opgezegd en heeft in deze procedure onweersproken gesteld dat partijen hebben afgesproken de opzegging per 1 januari 2026 te laten gelden. Dit standpunt wordt ook gesteund door de gevoerde correspondentie eind 2025 gericht op beëindiging en afwikkeling van de maatschap. Daaruit vloeit voort dat sprake is van een ontbonden gemeenschap, die dient te worden vereffend en verdeeld. Ook in deze fase van hun samenwerking staan de partijen tot elkaar in een door redelijkheid en billijkheid beheerste rechtsverhouding (zie art 3:166 lid 3 BW Pro).
Uitleg van de overeenkomst
4.3.
Partijen twisten over de wijze waarop gevolg moet worden gegeven aan de ontbinding van de maatschap per 1 januari 2026, welk twistpunt is gelegen in de uitleg van de overeenkomst en met name artikel 13. Artikel 13 luidt Pro: in geval van opzegging door een partij, hebben beide partijen het recht de praktijk voort te zetten.
4.4.
[eiser] legt artikel 13 zo Pro uit dat ieder van partijen gerechtigd is de praktijk voort te zetten, met dien verstande dat tussen de maten overeenstemming moet zijn over wie de praktijk voortzet en onder welke voorwaarden, zoals bijvoorbeeld het uitkoopbedrag voor de andere maat (volgens [eiser] een bedrag tussen de € 900.000,- en € 1.200.000,-). De praktijk vertegenwoordigt een substantiële waarde en is in beginsel ondeelbaar. Totdat deze overeenstemming er is, wordt de praktijk voorgezet voor gezamenlijke rekening, aldus [eiser].
4.5.
[gedaagde] bepleit dat artikel 13 van Pro de maatschapsovereenkomst met zich brengt dat elk van partijen de praktijk mag voortzetten, wat betekent dat - omdat het gaat om beroepsbeoefenaren - [gedaagde] zijn praktijk als tandarts kan en mag voortzetten en [eiser] haar praktijk als mondhygiënist. Het staat ieder van hen vrij zich met andere tandartsen en/of mondhygiënisten te associëren en hen in dienst te nemen, aldus [gedaagde]. Volgens [gedaagde] bestaat er geen verplichting om goodwill te vergoeden en [gedaagde] is bereid de inventaris 50/50 te verdelen of daar een bedrag voor te voldoen. Volgens [gedaagde] zijn er eigenlijk twee praktijken en kan ieder van hen die zelfstandig voortzetten, onder vergoeding van de helft van de inventaris.
4.6.
De vraag hoe de desbetreffende bepaling moet worden uitgelegd, kan niet worden beantwoord op grond van alleen maar een zuiver taalkundige uitleg van de bepaling van de overeenkomst. Voor de beantwoording van die vraag komt het aan op de zin die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan deze bepalingen mochten toekennen en op hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten. Daarbij kan mede van belang zijn tot welke maatschappelijke kringen partijen behoren en welke rechtskennis van zodanige partijen kan worden verwacht (Haviltex, zie HR 13 maart 1981, ECLI:NL:HR:1981:AG4158).
4.7.
Met inachtneming van bovenstaand toetsingskader, en de bepaling bezien in de context van andere bepalingen in de maatschapsovereenkomst, volgt de voorzieningenrechter de door [eiser] voorgestane uitleg. In de maatschapsovereenkomst staat voorafgaand aan de artikelen dat partijen hun werkzaamheden voor en namens de maatschap verrichten. In artikel 2 staat Pro dat de maatschap ten doel heeft het voor gezamenlijke rekening en risico uitoefenen van de praktijk. In deze bepalingen slaat de term ‘de praktijk’ terug op de tandartsenpraktijk ‘[naam]’, welke gelet op de feitelijke praktijkvoering breder is dan enkel de werkzaamheden van iedere maat an sich. Zo presenteert de maatschap zich onder de praktijknaam ‘[naam]’, is er 15 à 20 man personeel in dienst bestaande uit (onder andere) meerdere tandartsen, mondhygiënisten en een implantoloog en wordt een pand gehuurd. [eiser] en [gedaagde] zijn beroepsbeoefenaren, maar dat kan gelet op bovenstaande bedrijfsvoering niet meebrengen dat daarom eigenlijk sprake is van twee aparte praktijken die ieder voor zich zonder enige ontvlechting kan voortzetten. De maatschap in haar huidige vorm, bestaande uit een goedlopende tandartspraktijk met personeel, gaat verder dan de enkele inbreng van iedere maat. [gedaagde] benoemt dat tussen partijen nooit is gesproken over goodwill, maar in artikel 4 lid 2 van Pro de maatschapsovereenkomst staat dat beide partijen ieder voor 50% gerechtigd zijn, niet alleen in de rechten, activa en passiva, maar ook in de stille reserves.
4.8.
Deze uitleg acht de voorzieningenrechter ook in lijn met hetgeen [eiser] mocht verwachten ten tijde van het aangaan van deze overeenkomst. Daarover heeft [gedaagde] ter zitting verklaard dat bij de start van de maatschap zijn oorspronkelijke plan was dat [eiser] als zzp’er voor hem kwam werken, maar dat zij alleen met hem wilde werken als zij mede-eigenaar zou worden. Dit mede-eigenaarschap gaat verder dan haar werk als mondhygiëniste.
4.9.
Artikel 13 moet Pro naar het voorshands oordeel van de voorzieningenrechter aldus worden uitgelegd dat ieder van partijen jegens de ander aanspraak kan maken op voortzetting van de praktijk, met dien verstande dat daar tussen partijen overeenstemming over moet zijn of in een bodemprocedure moet worden beslist over de geschilpunten in dat kader. Bij deze uitleg staat de redelijkheid en billijkheid eraan in de weg dat één van de maten met feitelijke uitsluiting van de andere maat de praktijk voortzet. Die situatie doet zich hier voor en [gedaagde] betwist dat ook niet. Hij heeft eenzijdig contact opgenomen met Infomedics, de verhuurder, het personeel en [bedrijf] en geld van de maatschapsrekening naar zichzelf overgemaakt als zijnde eigen omzet.
4.10.
De voorzieningenrechter overweegt dat ook als [eiser] nog wel inzage heeft in de administratie van [gedaagde], zoals [gedaagde] betoogt, vast staat dat op zijn verzoek de administraties zijn gesplitst en sinds 1 januari 2026 geen sprake meer is van een gemeenschappelijke administratie. In wezen beoogt [gedaagde] voortzetting van de gezamenlijke praktijk, maar dan voor eigen rekening. Ook is [eiser] verstoken van de gebruikelijke winstuitkeringen, omdat [gedaagde] meent dat de omzet die is gegenereerd door hem en het personeel dat een addendum heeft getekend, alleen aan hem toekomt. Hierover merkt [gedaagde] op dat dit personeel voor [gedaagde] heeft gekozen en dat geen concurrentie- of antironselbeding dit in de weg staat. Maar daarmee wordt miskend dat dit personeel voor de maatschap werkt en tussen partijen nog geen overeenstemming bestaat door wie of op welke wijze de praktijk wordt voortgezet. In de tekst van het addendum op de arbeidsovereenkomst staat nota bene onder ‘in overweging nemende dat’ dat de activiteiten van de maatschap worden voortgezet door [gedaagde]. [gedaagde] heeft ook niet weersproken dat het personeel door hem is benaderd en [eiser] daarvan niet op de hoogte is gesteld.
4.11.
Deze feitelijke voortzetting van de praktijk door [gedaagde] met uitsluiting van [eiser] is naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter in strijd met de redelijkheid en billijkheid. Partijen zullen in onderling overleg overeenstemming moeten bereiken over wie, dan wel hoe, de praktijk wordt voortgezet. Als zij hier niet uitkomen, dienen zij zich tot de bodemrechter te wenden. Zolang de verdeling niet heeft plaatsgevonden, geschiedt de voortzetting van de onderneming voor rekening van de gezamenlijke vennoten. [1] Aan de opmerking van [gedaagde] dat een dergelijke uitleg de opzeggingsbepaling zinloos zou maken gaat de voorzieningenrechter voorbij, omdat deze uitleg volgens vaste jurisprudentie volgt uit de redelijkheid en billijkheid die ook na opzegging de rechtsverhouding tussen partijen als voormalig maten beheerst.
Beoordeling van de vorderingen
4.12.
De vordering van [eiser] onder 1a is gericht op gezamenlijke voortzetting en zal grotendeels worden toegewezen, nu in deze procedure vast staat dat [gedaagde] de handelingen toegelicht onder 4.9 en 4.10 heeft verricht. Door geen van partijen is gesteld, en dat is ook niet gebleken, dat de onderlinge verhouding dermate slecht is dat gezamenlijke voortzetting onmogelijk is, totdat partijen overeenstemming hebben dan wel in een bodemprocedure is beslist over de verdeling en de vereffening. Wel zal de voorzieningenrechter een langere termijn dan 24 uur aan de verplichtingen verbinden, zal de gevorderde dwangsom worden beperkt, en zal de zinsnede ‘waaronder, doch niet beperkt tot’ worden afgewezen als zijnde te onbepaald en niet executeerbaar.
4.13.
De vordering van [eiser] onder 1b zal worden afgewezen.
Het eerste deel van de vordering ziet kortgezegd op opgave door [gedaagde] van alle partijen waaraan [gedaagde] heeft medegedeeld dat hij de praktijk voortzet en rectificatie van deze mededeling. Zonder concrete toelichting valt niet in te zien welk belang van [eiser] hiermee gediend wordt, bezien in het licht van de toe te wijzen vordering onder 1a. Ook is de vordering dermate algemeen geformuleerd dat dit kan leiden tot executiegeschillen. Dit laatste geldt eveneens voor het tweede deel van de vordering, waarbij in algemene zin wordt gevorderd door [gedaagde] doorgevoerde wijzigingen terug te draaien. De voorzieningenrechter houdt het ervoor dat de doorgevoerde wijzigingen die de directe praktijkvoering betreffen met de vordering onder 1a zijn ondervangen.
4.14.
Vordering 2 strekt tot een verbod voor [gedaagde] om zonder de voorafgaande uitdrukkelijke toestemming van [eiser] te communiceren met contractspartijen, het personeel en de zzp’ers werkzaam in de praktijk en patiënten ter zake van de opzegging van de maatschap en hetgeen daarmee samenhangt. De voorzieningenrechter zal deze vordering afwijzen. Communiceren over ‘de opzegging van de maatschap en hetgeen daarmee samenhangt’ acht de voorzieningenrechter, zonder toelichting die ontbreekt, niet onrechtmatig en ook deze formulering is te ruim voor een effectieve tenuitvoerlegging. Overigens geldt ook op dit onderdeel dat de voorzieningenrechter ervan uitgaat dat met het gevorderde onder 1a de belangen van [eiser] op dit moment voldoende zijn veiliggesteld.
4.15.
[gedaagde] is grotendeels in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eiser] worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
125,50
- griffierecht
341,00
- salaris advocaat
1.177,00
- nakosten
189,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
1.832,50

5.De beslissing

De voorzieningenrechter
5.1.
beveelt [gedaagde] om binnen drie werkdagen na betekening van dit vonnis het ertoe te leiden dat [eiser] toegang krijgt en gebruik kan maken van de faciliteiten van de praktijk, door:
  • de contractuele relatie met Infomedics te herstellen,
  • het betalingsverkeer via de gemeenschappelijke bankrekening van de maatschap te herstellen en het daaraan onttrokken bedrag van € 14.000,- terug te storten,
  • de uitkering van de maandelijks gebruikelijke voorschotten op de winst te hervatten,
  • onbeperkte toegang tot de praktijkruimte en alle daarbij behorende faciliteiten te verlenen, waaronder ondersteuning door het personeel, de praktijkmanager, de officemedewerker en baliemedewerker,
  • de gemeenschappelijke administratie te herstellen,
  • de praktijk op de voorheen gebruikelijke wijze gezamenlijk te voeren tot het moment waarop partijen afspraken hebben gemaakt, dan wel in een bodemprocedure is beslist, over de afwikkeling van de maatschap, de voortzetting van de praktijk en alles wat daarmee samenhangt,
5.2.
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] een dwangsom te betalen van € 5.000,00 voor iedere dag dat hij niet volledig voldoet aan de hoofdveroordeling onder 5.1, tot een maximum van € 150.000,00 is bereikt,
5.3.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 1.832,50, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening voor het geval het vonnis wordt betekend,
5.4.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,
5.5.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. M.A.J. Berkers en in het openbaar uitgesproken op 6 februari 2026.
1604

Voetnoten

1.Asser/Van Olffen 7-VII 2022/316