Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBNHO:2026:1719

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
24 februari 2026
Publicatiedatum
23 februari 2026
Zaaknummer
12063493
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Kort geding
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:629 lid 1 BWArt. 7:629 lid 3 sub f BWArt. 7:629 lid 10 BWArt. 7:625 BWArt. 6:119 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Loonbetaling tijdens ziekte bij onderbreking van arbeidsongeschiktheid langer dan vier weken

Eiser, werkzaam als junior gerechtsjurist bij de Rechtbank Rotterdam, werd in 2023 arbeidsongeschikt. Na een periode van arbeidsongeschiktheid werd zij per 16 september 2024 door de bedrijfsarts volledig arbeidsgeschikt verklaard en hervatte zij haar werkzaamheden volledig tot en met 31 december 2024. Het bestuur van de Staat der Nederlanden stelde dat er sprake was van doorlopende arbeidsongeschiktheid en stopte daarom per 2 januari 2026 de loonbetaling omdat eiser geen WIA-uitkering had aangevraagd.

De kantonrechter oordeelde dat er wel degelijk sprake was van een onderbreking van de arbeidsongeschiktheid van meer dan vier weken, waardoor een nieuwe periode van 104 weken loondoorbetaling is gestart op 1 januari 2025. Hierdoor was eiser niet gehouden een WIA-aanvraag te doen en was de loonstop onterecht. Het loon moet worden doorbetaald, maar op grond van de wet en cao Rijk wordt het loon bijgesteld naar 70% zolang de arbeidsongeschiktheid voortduurt.

Daarnaast werd de wettelijke verhoging van maximaal 25% en wettelijke rente toegewezen vanwege te late betaling. De buitengerechtelijke incassokosten werden deels toegewezen volgens het wettelijke tarief, en het bestuur werd veroordeeld tot betaling van de proceskosten. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

Uitkomst: De loonstop is onterecht; het bestuur moet 70% van het loon doorbetalen vanaf 2 januari 2026 met wettelijke verhoging, rente, incassokosten en proceskosten.

Uitspraak

RECHTBANKNOORD-HOLLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Haarlem
Zaaknummer: 12063493 \ VV EXPL 26-7 (rvk)
Vonnis in kort geding van 24 februari 2026
in de zaak van
[eiser],
te [plaats],
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser],
gemachtigde: mr. V.G. Baran,
tegen
de publiekrechtelijke rechtspersoon
De Staat der Nederlanden,
zetelende te 's-Gravenhage,
meer in het bijzonder het bestuur van de Rechtbank Rotterdam,
gevestigd te Rotterdam
gedaagde partij,
hierna te noemen: De Staat der Nederlanden of het bestuur
gemachtigde: mr. T. Bremers.

1.De procedure

1.1.
[eiser] heeft de Staat der Nederlanden op 28 januari 2026 gedagvaard. Het bestuur heeft schriftelijk geantwoord.
1.2.
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 10 februari 2026. [eiser] en het bestuur hebben spreekaantekeningen overgelegd. De griffier heeft aantekeningen gemaakt van wat partijen ter toelichting van hun standpunten, mede aan de hand van pleitaantekeningen, naar voren hebben gebracht. Voorafgaand aan de zitting heeft [eiser] bij e-mail van 9 februari 2026 nog stukken toegezonden.

2.De feiten

2.1.
[eiser] is sinds 1 januari 1997 in dienst bij het Team Kanton van de Rechtbank Rotterdam, laatstelijk in de functie van Junior gerechtsjurist. De rechtbank Rotterdam maakt onderdeel uit van de rechterlijke macht die op zijn beurt onderdeel is van de Staat der Nederlanden. Het bestuur treedt op als vertegenwoordiger van de Staat der Nederlanden.
2.2.
Het laatstverdiende salaris van [eiser] bedraagt € 3.858,28 bruto per maand, exclusief 8% vakantiegeld.
2.3.
Op de arbeidsovereenkomst is de cao Rijk van toepassing.
2.4.
[eiser] is in 2023 arbeidsongeschikt geraakt. [eiser] is met uitzondering van korte onderbrekingen, arbeidsongeschikt gebleven en zij heeft op arbeidstherapeutische basis werkzaamheden verricht.
2.5.
Per 16 september 2024 is [eiser] door de arbo-arts volledig arbeidsgeschikt geacht en is zij hersteld gemeld. Vanaf die datum heeft zij haar werkzaamheden weer verricht.
2.6.
Op 28 oktober 2025 heeft de bedrijfsarts in een advies het volgende geschreven:
‘(…) op basis van de inmiddels beschikbare medische informatie en anamnese is me duidelijk geworden dat haar medische beperkingen al sinds jaren een rol spelen en zeker sinds begin van dit jaar de verklaring zijn voor haar verminderde functioneren, niet op afspraken verschijnen, etc. Ik adviseer werkgever en werknemer om contact te houden, bijvoorbeeld telefonisch of via teams tot er weer sprake is van duurzaam benutbare mogelijkheden.’
2.7.
Vervolgens is er tussen de gemachtigde van [eiser] en de gemachtigde van het bestuur gecorrespondeerd over de vraag of [eiser] tussen 16 september en 31 december 2024 gelet op het advies van de bedrijfsarts van 28 oktober 2025, arbeidsongeschikt moet worden geacht.
2.8.
In een brief van 18 november 2025 heeft de gemachtigde van [eiser] het volgende geschreven:
‘In het onderhavige geval blijkt uit het advies van 28 oktober 2025 dat de bedrijfsarts achteraf vaststelt dat cliënte tijdens het gehele verbetertraject medische beperkingen had die haar functioneren belemmerden. Het verbeterplan van 21 februari 2025 ging er nog van uit dat er geen sprake meer was van een medische oorzaak, conform de eigen inschatting van cliënte en conform advies van de bedrijfsarts, en dat cliënte vanaf 16 september 2024 haar eigen werk weer volledig zou doen. Deze aanname is achteraf onjuist gebleken.’
2.9.
Het bestuur heeft in een e-mail van 2 december 2025 geschreven dat het van [eiser] verlangt dat zij een WIA-uitkering aanvraagt. In een e-mail van 12 december 2025 roept het bestuur [eiser] opnieuw op om een WIA-uitkering aan te vragen omdat de wachttijd voor de WIA is doorlopen. Dit verzoek is in een e-mail van 30 december 2025 herhaald en daarbij is een loonstop aangekondigd voor het geval die aanvraag niet uiterlijk 31 december 2025 zou worden gedaan.
2.10.
Het bestuur heeft met ingang van 2 januari 2026 het loon stopgezet met als reden dat [eiser] nog steeds geen WIA -uitkering heeft aangevraagd. In een e-mail van diezelfde dag is de loonstop bevestigd aan de gemachtigde van [eiser].

3.Het geschil

3.1.
[eiser] vordert - samengevat - hervatten van de loonbetaling en betaling van achterstallig loon.
3.2.
[eiser] legt aan de vordering het volgende ten grondslag. Het bestuur is op grond van de arbeidsovereenkomst gehouden het loon bij ziekte de eerste 104 weken door te betalen. [eiser] is op 30 mei 2023 arbeidsongeschikt geraakt, maar omdat sprake is van een onderbreking van meer dan vier weken waarin [eiser] arbeidsgeschikt was (de periode 16 september 2024 tot en met 31 december 2024) en haar werkzaamheden volledig verrichtte, is op 1 januari 2025 een nieuwe termijn van 104 weken gaan lopen. Deze termijn is nog niet verstreken en er is dan ook geen reden om een WIA-uitkering aan te vragen. Het kan haar dan ook niet verweten worden dat zij nog geen WIA-uitkering heeft aangevraagd en daarmee is de opgelegde loonstop onterecht.
3.3.
Het bestuur voert verweer en vindt dat de vordering moet worden afgewezen. Volgens het bestuur is sprake van voortdurende arbeidsongeschiktheid vanaf 30 mei 2023. Dit betekent dat de 104 weken wachttijd inmiddels is verstreken en [eiser] gehouden is een WIA-aanvraag in te dienen. Omdat [eiser] zonder deugdelijke grond nalaat de WIA-aanvraag in te dienen, heeft zij geen recht meer op loon. Het bestuur voert daarnaast aan dat voor het geval het oordeel in dit kort geding komt te luiden dat de loonstop onterecht is en het loon doorbetaald moet worden, dit loon op grond van de wet en de cao Rijk moet worden bijgesteld naar 70%.
3.4.
Bij de beoordeling zal verder worden ingegaan op de standpunten van partijen.

4.De beoordeling

Spoedeisend belang
4.1.
Met betrekking tot een voorziening in kort geding, bestaande uit een veroordeling tot betaling van een geldsom, is terughoudendheid op zijn plaats. Aangezien het een loonvordering betreft is de spoedeisendheid van de vordering van [eiser] in beginsel een gegeven.
Loonstop
4.2.
Beoordeeld moet worden of het bestuur op goede gronden een loonstop heeft toegepast met ingang van 1 januari 2026 omdat [eiser] ondanks verzoek daartoe geen WIA-aanvraag heeft ingediend. De kantonrechter is voorlopig van oordeel dat dit niet het geval is. Dit betekent dat de gevorderde loonbetaling als voorlopige voorziening toewijsbaar is, met dien verstande dat het loon bijgesteld moet worden naar 70%. Dit oordeel wordt hierna toegelicht.
4.3.
Kern van de zaak is of [eiser] zonder deugdelijke grond nalaat een WIA-aanvraag in te dienen, en daardoor geen recht heeft op loon [1] . Daarvoor moet beantwoord worden of aannemelijk is dat een nieuw recht op loondoorbetaling tijdens ziekte voor een periode van 104-weken is ontstaan [2] of dat er, vanaf de eerste dag van arbeidsongeschiktheid, sprake is geweest van doorlopende arbeidsongeschiktheid omdat van een onderbreking van vier weken geen sprake is geweest [3] . In het eerste geval is de wachttijd niet doorlopen en is [eiser] niet gehouden een WIA-aanvraag te doen. In het tweede geval is de wachttijd wel doorlopen en laat [eiser] zonder deugdelijke grond na de WIA-aanvraag in te dienen.
4.4.
Op de zitting heeft [eiser] op vragen van de kantonrechter erkend dat 30 mei 2023 de eerste dag van arbeidsongeschiktheid is, zoals het bestuur gedocumenteerd heeft aangevoerd. Verder zijn partijen het erover eens dat [eiser] in elk geval sinds 1 januari 2025 met terugwerkende kracht arbeidsongeschikt is. In geschil is of in de periode 16 september 2024 tot 1 januari 2025 een onderbreking is geweest van de arbeidsongeschiktheid van [eiser].
Periode van arbeids(on)geschiktheid
4.5.
Uitgangspunt bij ziekte is dat het in beginsel de werknemer is die bepaalt of hij al dan niet (meer) arbeidsongeschikt is [4] . Vervolgens is het aan de werkgever om, na daartoe ingewonnen advies van een bedrijfsarts, te beoordelen of hij een ziek- of hersteld melding al dan niet accepteert. Is de werkgever het met het standpunt van de werknemer, in geval dat wordt ondersteund door de bedrijfsarts, niet eens dan ligt het op de weg van de werkgever om een deskundigenoordeel bij het UWV te vragen. Alleen de werknemer kan op grond van artikel 2:14 d van het Arbeidsomstandigheden besluit een second opinion aanvragen bij een andere bedrijfsarts, deze mogelijkheid heeft de werkgever niet.
4.6.
[eiser] stelt zich op het standpunt dat de periode van 104 weken is onderbroken voor een periode van vier weken of langer waarin zij niet wegens arbeidsongeschiktheid verhinderd was haar werkzaamheden te verrichten. Zij is immers na de hersteldmelding op 16 september 2024 tot en met 31 december 2024 volledig werkzaam geweest. Het bestuur stelt zich op het standpunt dat uit het nadere advies van de bedrijfsarts van 28 oktober 2025 in samenhang met de brief van de gemachtigde van [eiser] van 18 november 2025 volgt dat zij doorlopend – en dus ook in de periode 16 september tot en met 31 december 2024 – arbeidsongeschikt is geweest.
Uitleg advies bedrijfsarts
4.7.
Anders dan het bestuur, ziet de kantonrechter in de bewoordingen van het advies van de bedrijfsarts van 28 oktober 2025 onvoldoende basis om binnen het bestek van dit kort geding aan te nemen dat vanaf 30 mei 2023 sprake is van doorlopende arbeidsongeschiktheid van [eiser]. De constatering in bedoeld rapport dat haar
medische beperkingen al sinds jaren een rol spelenen
zeker sinds begin van dit jaarde verklaring zijn voor haar verminderde functioneren, zijn daartoe te vaag en algemeen.
4.8.
Het voorgaande leidt niet tot een ander oordeel indien de constatering wordt bezien in samenhang met de passage in de brief van de gemachtigde van [eiser] van 18 november 2025 (zie 2.8). De gemachtigde van [eiser] heeft na het voorhouden van deze passage stellig ontkend dat de zin
Deze aanname is achteraf onjuist geblekenbetrekking heeft op
de inschattingdat
cliënte vanaf 16 september 2024 haar eigen werk weer volledig zou doen.Volgens de gemachtigde gaat het erom dat uit het advies van de bedrijfsarts volgt dat het begin 2025 ingezette verbetertraject uitging van de onjuiste aanname dat [eiser] haar eigen werk kon doen, niet dat [eiser] doorlopend arbeidsongeschikt is. Wat hier verder van zij; de kantonrechter vindt dat de beschikbare informatie onvoldoende basis biedt om ervan uit te gaan dat de periode van 104-weken niet is onderbroken.
4.9.
Hierbij wordt betrokken dat vast staat dat [eiser] op 16 september 2024 door de bedrijfsarts arbeidsgeschikt is verklaard. Op vragen van de kantonrechter heeft het bestuur verklaard dat een uitgebreide periode van opbouw van werkzaamheden daaraan vooraf is gegaan. Vervolgens heeft [eiser] sinds 16 september 2024 haar volledige uren in het team gedraaid, wat niet is weersproken. Het bestuur heeft weliswaar aangevoerd dat [eiser] niet in staat was haar werkzaamheden volledig te verrichten in de periode tot 1 januari 2025, maar deze stelling is feitelijk niet uitgewerkt. E-mails of gespreksverslagen uit die periode die de stelling van het bestuur ondersteunen, ontbreken.
UWV deskundigenoordeel
4.10.
[eiser] heeft zich bij brief van 5 december 2025 op het standpunt gesteld dat zij in de periode 16 september 2024 tot en met 31 december 2024 arbeidsgeschikt was. Het ligt op de weg van het bestuur om met betrekking tot die periode een deskundigenoordeel bij het UWV over de arbeidsgeschiktheid van [eiser] aan te vragen. Het UWV is op grond van artikel 32 lid 1 Wet Pro SUWI [5] verplicht aan een dergelijk verzoek, ook als dat afkomstig is van een werkgever, gevolg te geven. Het bestuur heeft dat niet gedaan. Uit de stukken blijkt wel dat [eiser] bij het UWV een deskundigenoordeel heeft gevraagd. Dit oordeel zou inmiddels zijn verstrekt zo is op de zitting verklaard, maar bevindt zich niet bij de stukken. Op vragen van de kantonrechter heeft de gemachtigde van [eiser] verklaard dat dit oordeel niet gaat over de in geschil zijnde periode. Volgens [eiser] gaat het om haar arbeidsongeschiktheid in september 2025; in die periode was zij niet in staat om op oproepen tot werkhervatting te reageren wat volgens de gemachtigde door het UWV is bevestigd.
Conclusie
4.11.
Op grond van het voorgaande komt de kantonrechter tot het oordeel dat het er voorshands voor gehouden moet worden dat er een onderbreking van minstens vier weken is geweest en er een nieuwe loondoorbetalingsperiode van 104 weken is gaan lopen per 1 januari 2025. Bij deze stand van zaken kan niet worden aangenomen dat [eiser] zonder deugdelijke grond nalaat een WIA-aanvraag te doen. De loonstop die het bestuur heeft doorgevoerd is daarom onterecht. De conclusie is dan ook dat het bestuur veroordeeld zal worden tot doorbetaling van het loon. Omdat [eiser] inmiddels 52 weken arbeidsongeschikt is, zal het loon, zoals ook door het bestuur verzocht, op grond van de wet en artikel 8.2 van de cao Rijk worden bijgesteld naar 70% zolang zij arbeidsongeschikt zal zijn.
Wettelijke verhoging
4.12.
De gevorderde wettelijke verhoging van artikel 7:625 BW Pro en de wettelijke rente zullen ook worden toegewezen, omdat het bestuur te laat heeft betaald, waarbij de wettelijke verhoging zal worden beperkt tot 25%.
Buitengerechtelijke incassokosten
4.13.
[eiser] maakt aanspraak op vergoeding van de werkelijk gemaakte buitengerechtelijke incassokosten van € 2.450,25 inclusief btw. Volgens [eiser] is vergoeding van de werkelijke kosten op zijn plaats omdat het bestuur in strijd heeft gehandeld met het goed werkgeverschap door op de stoel van de bedrijfsarts te gaan zitten. De kantonrechter volgt [eiser] hierin niet. Het bestuur heeft weliswaar een loonstop toegepast, maar daar zijn waarschuwingen en correspondentie aan vooraf gegaan. Ook de omstandigheid dat de loonstop naar voorlopig oordeel onterecht is, maakt nog niet dat het bestuur in strijd heeft gehandeld met het goed werkgeverschap. Het bestuur heeft naar aanleiding van een nader advies van de bedrijfsarts over de arbeidsongeschiktheid van [eiser] en gewisselde correspondentie met haar gemachtigd een standpunt ingenomen over de arbeidsongeschiktheid. Dit standpunt is niet op voorhand kansloos. Dat betekent er geen grond is voor vergoeding van de werkelijk gemaakte buitengerechtelijke kosten. Wel ziet de kantonrechter aanleiding om een vergoeding volgens de staffel toe te kennen omdat [eiser] voldoende heeft gesteld en onderbouwd dat zij buitengerechtelijke werkzaamheden heeft verricht. De kantonrechter zal de buitengerechtelijke incassokosten toewijzen volgens het wettelijke tarief en zal bij het bepalen van de hoogte van de buitengerechtelijke incassokosten aanknopen bij het salaris (70%) over de maand januari 2026, hetgeen resulteert in een toewijsbaar bedrag van € 395,08 exclusief btw (€ 478,05 inclusief btw).
Proceskosten
4.14.
Het bestuur is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eiser] worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
125,57
- griffierecht
93,00
- salaris gemachtigde
865,00
- nakosten
144,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
1.227,57
4.15.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.

5.De beslissing

De kantonrechter
5.1.
veroordeelt het bestuur tot betaling aan [eiser] van 70% (zolang zij arbeidsongeschikt zal zijn) van het gebruikelijke loon van € 3.858,28 bruto per maand, te vermeerderen met emolumenten, vanaf 2 januari 2026 tot en met de datum waarop het dienstverband rechtsgeldig is beëindigd,
5.2.
veroordeelt het bestuur tot betaling van de wettelijke verhoging over het hiervoor onder 5.1. toegewezen loon met een maximum van 25%, vanaf de datum van verschuldigdheid tot de dag van betaling,
5.3.
veroordeelt het bestuur tot betaling van de wettelijke rente over het hiervoor onder 5.1. toegewezen loon, vanaf de datum van verschuldigdheid tot de dag van betaling,
5.4.
veroordeelt het bestuur tot betaling van de buitengerechtelijke incassokosten van € 478,05 inclusief btw,
5.5.
veroordeelt het bestuur in de proceskosten van € 1.227,57, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als het bestuur niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
5.6.
veroordeelt het bestuur tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
5.7.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. F.J. Lourens en in het openbaar uitgesproken op 24 februari 2026.

Voetnoten

1.artikel 7:629 lid 3 sub f BW Pro
2.artikel 7:629 lid 1 BW Pro
3.artikel 7:629 lid 10 BW Pro
4.Vgl. Rechtbank Overijssel 26 januari 2010, JIN 2010/115 en Rechtbank Gelderland 17 juni 2020, ECLI:NL:RBGEL:2020:2992
5.Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen