De kantonrechter van de Rechtbank Noord-Holland behandelde een zaak waarin de eisende partij, een woningstichting, de gedaagde partij tot betaling van een bedrag vorderde. De gedaagde partij was niet verschenen, waardoor verstek werd verleend. De rechter stelde ambtshalve vast dat de eisende partij onvoldoende had toegelicht hoe de huurovereenkomst tot stand was gekomen en of aan de (pre)contractuele informatieplichten was voldaan. Dit gebrek kan in een vervolgprocedure leiden tot afwijzing van de vordering.
Daarnaast toetste de kantonrechter de algemene voorwaarden op oneerlijke bedingen conform Richtlijn 93/13/EEG. Het huurprijswijzigingsbeding, gekoppeld aan de CPI, werd niet oneerlijk bevonden. Een tweede prijswijzigingsbeding was niet relevant omdat de overeenkomst binnen vijf jaar was beëindigd. Het rentebeding van 1% per maand rente bij verzuim werd echter voorshands als oneerlijk aangemerkt, omdat dit hoger is dan de wettelijke handelsrente.
De eisende partij kreeg de gelegenheid om bij akte nadere toelichting te geven over de totstandkoming van de overeenkomst en de naleving van informatieplichten, alsmede over het rentebeding. De verdere beslissing werd aangehouden tot de volgende rolzitting op 11 maart 2026. De kantonrechter wees erop dat het niet voldoen aan deze opdracht gevolgen kan hebben volgens de artikelen 22 en 139 Rv.