Uitspraak
RECHTBANK NOORD-HOLLAND
te [woonplaats],
verzoeker.
Rechtbank Noord-Holland
Verzoeker diende op 3 februari 2026 een wrakingsverzoek in tegen de rechters in een familierechtelijke hoofdzaak bij de Rechtbank Noord-Holland, locatie Alkmaar. Het verzoek richtte zich tegen drie rechters en betrof vermeende partijdigheid vanwege het uitsluitend baseren van de beslissing op een advies van de Raad voor de Kinderbescherming, waarbij de kritiek van verzoeker niet zou zijn meegewogen.
De wrakingskamer oordeelde dat op grond van artikel 36 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering wraking alleen mogelijk is zolang de rechters de zaak nog behandelen. Omdat de einduitspraak in de hoofdzaak reeds op 21 januari 2026 was gedaan, was het wrakingsverzoek te laat ingediend. Daarnaast geldt in de hoofdzaak verplichte procesvertegenwoordiging, waardoor een wrakingsverzoek schriftelijk door een advocaat ondertekend moet zijn. Dit was niet het geval.
Daarom verklaarde de wrakingskamer het verzoek niet-ontvankelijk en bepaalde dat geen mondelinge behandeling plaatsvindt. De beslissing werd op 5 februari 2026 in het openbaar uitgesproken door de wrakingskamer, bestaande uit voorzitter J.H. Gisolf en leden C.H. de Jonge van Ellemeet en H. Bakker. Tegen deze beslissing is geen rechtsmiddel mogelijk.
Uitkomst: Wrakingskamer verklaart wrakingsverzoek niet-ontvankelijk wegens te late indiening en ontbreken advocaatsondertekening.