ECLI:NL:RBNHO:2026:1392

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
11 februari 2026
Publicatiedatum
16 februari 2026
Zaaknummer
24/8309
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 13.1 bestemmingsplan Vijfhoek/Heiliglanden – De KampArt. 13.2.1 onder a bestemmingsplan Vijfhoek/Heiliglanden – De KampArt. 1.25 bestemmingsplan Vijfhoek/Heiliglanden – De KampArt. 1.26 bestemmingsplan Vijfhoek/Heiliglanden – De KampArt. 39 Parapluplan behoud omgevingskwaliteiten Haarlem
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

De rechtbank vernietigt de afwijzing van omgevingsvergunning voor legalisatie woning in Haarlem

Eiser vroeg een omgevingsvergunning aan voor de legalisatie van zijn woning in Haarlem, gelegen op een perceel met bestemmingen 'Gemengd – 3' en 'Tuin – 3'. Het college wees de aanvraag af omdat het bouwplan volgens hen in strijd was met het bestemmingsplan, met name omdat bijbehorende bouwwerken op grond met bestemming 'Tuin – 3' ondergeschikt moeten zijn aan het hoofdgebouw en niet voor primaire woonfuncties mogen worden gebruikt.

De rechtbank oordeelde dat het college onterecht tot deze conclusie kwam. Uit het bestemmingsplan volgt niet dat bijbehorende bouwwerken ondergeschikt moeten zijn aan het hoofdgebouw en dat primaire woonfuncties op gronden met bestemming 'Tuin – 3' verboden zijn. Wel erkende de rechtbank dat het college terecht strijd met het Parapluplan behoud omgevingskwaliteiten Haarlem aannam vanwege het ontbreken van een parkeeroplossing op eigen terrein.

De rechtbank stelde dat het college echter niet voldoende had onderzocht of er aanleiding was om af te wijken van het Parapluplan en dat het college onjuist had getoetst aan een verouderd parkeerplan. Gezien deze gebreken werd het bestreden besluit vernietigd en kreeg het college twaalf weken om een nieuw besluit te nemen. Tevens werd het college veroordeeld tot vergoeding van griffierecht en proceskosten aan eiser.

Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en het college opgedragen een nieuw besluit te nemen.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Zittingsplaats Haarlem
Bestuursrecht
zaaknummer: HAA 24/8309

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 11 februari 2026 in de zaak tussen

[eiser] , uit Haarlem, eiser

(gemachtigde: mr. G.M. Pierik),
en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Haarlem

(gemachtigde: mr. J.E. van Gilst).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag van eiser om een omgevingsvergunning voor de legalisatie van zijn woning op de [adres] in Haarlem. Eiser is het niet eens met de weigering van de door hem verzochte omgevingsvergunning. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de weigering van de omgevingsvergunning.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college ten onrechte tot de conclusie is gekomen dat de omgevingsvergunning in strijd is met de bestemming ‘Tuin – 3’. Naar het oordeel van de rechtbank volgt uit het bestemmingsplan ‘Vijfhoek/Heiliglanden – De Kamp’ niet dat deze bestemming vereist dat bijbehorende bouwwerken
ondergeschiktmoeten zijn aan het hoofdgebouw. Dit betekent dat de bestemming ‘Tuin – 3’ niet in de weg staat aan het realiseren van primaire woonfuncties of ander niet-ondergeschikt gebruik van bijbehorende bouwwerken. Het college heeft echter wel terecht strijd met het Parapluplan behoud omgevingskwaliteiten Haarlem aanwezig geacht, aangezien eiser bij zijn bouwplan niet heeft voorzien in een parkeeroplossing op eigen terrein. Wel moet het college nader beoordelen of er aanleiding is om af te wijken van het Parapluplan. Eiser krijgt dus deels gelijk en het beroep is dus gegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Eiser heeft op 24 juli 2023 een aanvraag ingediend voor een omgevingsvergunning voor de legalisatie van zijn woning op de [adres] in Haarlem.
2.1.
Het college heeft deze aanvraag met het besluit van 7 december 2023 afgewezen.
2.2.
Eiser heeft hiertegen op 15 januari 2024 bezwaar gemaakt.
2.3.
Met het bestreden besluit van 12 november 2024 op het bezwaar van eiser is het college bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
2.4.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.5.
Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.6.
De rechtbank heeft het beroep op 12 december 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, zijn echtgenote [naam] , de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van het college.

Beoordeling door de rechtbank

Feitelijke situatie
3. Het perceel aan de [adres] heeft aan de voorkant, tot ongeveer 10 meter vanaf de voorgevel, de bestemming ‘Gemengd – 3’. Op dit deel bevindt zich het oorspronkelijke hoofdgebouw bestaande uit een pand met drie bouwlagen. Op de achterzijde van het perceel rust de bestemming ‘Tuin – 3’. De grond met de bestemming ‘Tuin – 3’ is ongeveer 19 meter diep. Het gehele perceel is ongeveer 5 meter breed. Volgens eiser is het oorspronkelijke hoofdgebouw in 1931 vergroot tot de huidige vorm. Hierbij is de grond achter het hoofdgebouw met de bestemming ‘Tuin – 3’ volledig bebouwd met een uitbouw van één bouwlaag. Op grond van artikel 13.2.1, onder a, van het bestemmingsplan is de volledige bebouwing van gronden met deze bestemming toegestaan.
3.1.
Op 1 juli 2011 is het pand aan de [adres] gesplitst in twee woningen, één op de begane grond met de uitbouw en één op de verdiepingen. Eiser is sinds 7 juli 2011 eigenaar van het pand op de begane grond. Dit pand is volledig gelijkvloers en ligt dus grofweg voor 30% op grond met de bestemming ‘Gemengd – 3’ en voor het overige op grond met de bestemming ‘Tuin – 3’.
3.2.
De verzochte omgevingsvergunning strekt ertoe om de bewoning van het pand van eiser te legaliseren. Volgens de bouwtekeningen bij de aanvraag is een muur geplaatst tussen de garage aan de voorkant en de studio aan de achterkant. In dit achterste deel van de woning (grotendeels op grond met de bestemming ‘Tuin – 3’) is ook een keuken gerealiseerd.
3.3.
Het is de rechtbank ambtshalve bekend dat de bestemming ‘Tuin – 3’ in meerdere bestemmingsplannen die gelden in of rond de binnenstad van Haarlem op dezelfde manier wordt uitgelegd. Als gevolg hiervan zijn er veel panden in of rond de binnenstad van Haarlem die lijken op het pand van eiser in de zin dat ze voor het grootste deel op grond met de bestemming ‘Tuin – 3’ liggen.
Het bestreden besluit
4. In het bestreden besluit stelt het college zich op het standpunt dat het bouwplan van eiser in strijd is met artikel 13.1 van het bestemmingsplan ‘Vijfhoek/Heiliglanden – De Kamp’. Volgens dit artikel is het namelijk enkel toegestaan om op gronden met de bestemming ‘Tuin – 3’ bijbehorende bouwwerken te realiseren en te gebruiken
ten dienste vanhet hoofdgebouw. Volgens het college komt dit erop neer dat een bijbehorend bouwwerk op gronden met de bestemming ‘Tuin – 3’ ondergeschikt moet zijn aan het hoofdgebouw. Het college heeft hierbij verwezen naar jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 7 november 2007 [1] en (in het verweerschrift) 28 december 2011. [2] Dit betekent vervolgens dat het bijbehorende bouwwerk niet gebruikt mag worden voor
primaire woonfunctieszoals een woonkamer, keuken of slaapkamer. Aangezien eiser beoogt om het bijbehorende bouwwerk te gebruiken voor dergelijke primaire woonfuncties is er op dit punt volgens het college strijd met het bestemmingsplan. Verder stelt het college dat het voldoende heeft gemotiveerd waarom het in dit geval geen omgevingsvergunning wil verlenen in afwijking van het bestemmingsplan. Deze motivering komt er kort gezegd op neer dat de bestemming ‘Tuin – 3’ als doel heeft om naast bewoning ook bedrijfsvoering aantrekkelijk te maken binnen de aangrenzende bestemming ‘Gemengd – 3’. Het college vreest dat, op het moment dat primaire woonfuncties worden toegestaan op gronden met de bestemming ‘Tuin – 3’, dit als gevolg zal hebben dat alle panden met bestemmingen ‘Gemengd – 3’ en ‘Tuin – 3’ gebruikt zullen worden als woningen en dat het bedrijfsleven en de detailhandel uit de buurt zullen verdwijnen. Het college verwijst hierbij naar paragraaf 7.1 van de Omgevingsvisie Haarlem 2045.
Toetsingskader
Bestemmingsplan ‘Vijfhoek/Heiliglanden – De Kamp’
Artikel 1 Begrippen Pro
1.25
Bijbehorend bouwwerk:
uitbreiding van een hoofdgebouw dan wel functioneel met een zich op hetzelfde perceel bevindend hoofdgebouw verbonden, daar al dan niet tegen aangebouwd en met de aarde verbonden bouwwerk met een dak.
1.26
Bijgebouw:
een gebouw dat, zowel in bouwkundige als in functionele zin ondergeschikt is aan en ten dienste staat van een hoofdgebouw.
Artikel 8 Gemengd Pro – 3
8.1
Bestemmingsomschrijving
De voor 'Gemengd – 3' aangewezen gronden zijn bestemd voor:
8.1.1
Begane grond
a. wonen zoals bedoeld in artikel 16.1 onder a;
(…)
Artikel 13 Tuin Pro – 3
13.1
Bestemmingsomschrijving
De op de verbeelding voor 'Tuin – 3' aangewezen gronden zijn bestemd voor:
a. tuinen en verhardingen behorende bij de op de aangrenzende gronden gelegen hoofdbebouwing;
b. bijbehorende bouwwerken ten dienste van het hoofdgebouw;
c. parkeren binnen bebouwing;
d. bijbehorende voorzieningen zoals fietsenberging/cubes, speeltoestellen, en erfafscheidingen.
Parapluplan behoud omgevingskwaliteiten Haarlem
Artikel 39 Overige Pro regels
39.1
Parkeren, laden en lossen
39.1.1
Aanbrengen ruimte voor parkeren, laden en lossen
Bij het verlenen van een omgevingsvergunning voor bouwen en/of het gebruiken van gronden of bouwwerken geldt dat in voldoende mate ruimte moet zijn aangebracht en in stand worden gehouden op eigen terrein voor parkeer- of stallingsgelegenheid en laad- en losmogelijkheden overeenkomstig de 'Nota Parkeernormen, duurzame parkeeroplossingen in ruimtelijke ontwikkelingen (2023)', en waarbij geldt dat (toekomstige) bewoners/gebruikers geen recht hebben op een parkeervergunning en bezoekersregeling in de openbare ruimte.
39.1.4
Afwijken
Het bevoegd gezag kan met een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in sublid 39.1.1 overeenkomstig de afwijkingsmogelijkheden die vastliggen in de beleidsregels als bedoeld in sublid 39.1.2.
Is sprake van strijd met het bestemmingsplan ‘Vijfhoek/Heiliglanden – De Kamp’?
5. Eiser stelt zich op het standpunt dat er geen strijd is met het bestemmingsplan. Eiser voert ten eerste aan dat het gehele pand moet worden aangemerkt als het hoofdgebouw en legaal gebouwd is. Zodoende is het gehele pand volgens eiser te gebruiken volgens de hoofdbestemming ‘Gemengd – 3’ en dus als woning. Verder stelt eiser zich op het standpunt dat artikel 13.1 van het bestemmingsplan niet vereist dat het bijbehorende bouwwerk
ondergeschiktis aan het hoofdgebouw. Volgens eiser blijkt dit uit de in het bestemmingsplan opgenomen definities van ‘bijgebouwen’ en ‘bijbehorende bouwwerken’. Hierin staat namelijk dat een bijgebouw zowel in bouwkundige als in functionele zin ondergeschikt is aan
enten dienste staat van een hoofdgebouw. Hieruit volgt volgens eiser logischerwijs dat ‘ondergeschikt’ en ‘ten dienste van’ niet hetzelfde betekenen. Verder staat bij de definitie van bijbehorend bouwwerk dat het moet gaan om een uitbreiding van een hoofdgebouw dan wel om een bouwwerk dat functioneel verbonden is met een zich op hetzelfde perceel bevindend hoofdgebouw. Hieruit volgt niet dat een bijbehorend bouwwerk ondergeschikt moet zijn aan het hoofdgebouw. Naar de mening van eiser betekent ‘ten dienste van’ enkel dat het bijbehorende bouwwerk functioneel verbonden moet zijn aan het hoofdgebouw.
5.1.
De rechtbank volgt eiser niet in zijn eerste stelling dat het gehele pand moet worden aangemerkt als het hoofdgebouw en op grond daarvan te gebruiken is volgens de hoofdbestemming ‘Gemengd – 3’. De omstandigheid dat een bijbehorend bouwwerk deel uitmaakt van het hoofdgebouw maakt immers niet dat de bestemming van de grond waarop het bijbehorende bouwwerk rust geen betekenis meer heeft. Uitbreidingen van het hoofdgebouw op grond met de bestemming ‘Tuin – 3’ moeten evengoed voldoen aan de planvoorschriften die bij deze bestemming horen. Op dit punt slaagt deze beroepsgrond dus niet.
5.2.
Naar het oordeel van de rechtbank stelt eiser wel terecht dat uit artikel 13.1 van het bestemmingsplan ‘Vijfhoek/Heiliglanden – De Kamp’ niet volgt dat bijbehorende bouwwerken binnen de bestemming ‘Tuin – 3’ ondergeschikt moeten zijn aan het hoofdgebouw. De rechtbank wijst er ten eerste op dat artikel 13.1 van het bestemmingsplan niet expliciet vereist dat deze gronden enkel bestemd zijn voor bijbehorende bouwwerken die ondergeschikt zijn aan het hoofdgebouw. In plaats daarvan wordt in artikel 13.1 gesproken van ‘bijbehorende bouwwerken
ten dienste vanhet hoofdgebouw’. De zinsnede ‘ten dienste van’ is voorts niet nader gedefinieerd in het bestemmingsplan of de toelichting daarop. De rechtbank ziet daarom aanleiding om voor de betekenis van de zinsnede ‘ten dienste van’ aan te sluiten bij de systematiek van de planvoorschriften. De rechtbank komt tot de conclusie dat de uitleg van het college leidt tot een onjuiste toepassing van artikel 13.1 die niet strookt met de overige bepalingen van het bestemmingsplan of het door het college omschreven doel van de bestemming ‘Tuin – 3’. De rechtbank licht dit hieronder toe.
5.3.
Uit onderdeel b van artikel 13.1 van het bestemmingsplan volgt expliciet dat de bestemming ‘Tuin – 3’ bestemd is voor bijbehorende bouwwerken. Volgens de definitie van bijbehorend bouwwerk, zoals opgenomen in artikel 1.25 van het bestemmingsplan, gaat het daarbij om een ‘uitbreiding van een hoofdgebouw dan wel functioneel met een zich op hetzelfde perceel bevindend hoofdgebouw verbonden, daar al dan niet tegen aangebouwd en met de aarde verbonden bouwwerk met een dak’. Hieruit volgt niet dat een bijbehorend bouwwerk ondergeschikt moet zijn aan het hoofdgebouw. Ter vergelijking wijst de rechtbank op de definitie van bijgebouwen, zoals opgenomen in artikel 1.26, die wel vereist dat het gaat om een ‘gebouw dat, zowel in bouwkundige als in functionele zin
ondergeschiktis aan en ten dienste staat van een hoofdgebouw’. Voor zover de planmaker dus heeft bedoeld om de bestemming ‘Tuin – 3’ aan te wijzen voor ondergeschikte bebouwing, had het in de rede gelegen om in onderdeel b van artikel 13.1 te verwijzen naar ‘bijgebouwen’ in plaats van ‘bijbehorende bouwwerken’.
5.4.
Voorts wijst de rechtbank erop dat de uitleg van het college van artikel 13.1 indruist tegen de andere planvoorschriften uit het bestemmingsplan en de toepassing van de ter plaatse geldende bestemmingen zelf. In het geval van eiser komt deze uitleg er immers op neer dat eiser het overgrote deel van zijn pand niet mag voorzien van primaire woonfuncties terwijl het op grond van de hoofdbestemming ‘Gemengd – 3’ wel is toegestaan om het pand te bewonen. De motivering van het college dat deze toepassing van artikel 13.1 maakt dat dit perceel aantrekkelijker is voor bedrijfsvoering en dus het gemengde karakter van de buurt bevordert, kan de rechtbank niet volgen. De uitleg van het college betekent immers ook dat bedrijven die zich willen vestigen op een perceel met de hoofdbestemming ‘Gemengd – 3’ en de bestemming ‘Tuin – 3’, enkel het deel van het pand met de hoofdbestemming mogen gebruiken voor hun primaire bedrijfsactiviteiten waarbij het deel van het pand met de bestemming ‘Tuin – 3’ (dat in veel gevallen het grootste deel van de begane grond betreft) enkel voor ondergeschikte doeleinden gebruikt mag worden. Omdat grond met de bestemming ‘Tuin – 3’ volledig bebouwd mag worden, levert dit een situatie op waarbij een relatief groot pand slechts voor een klein deel gebruikt mag worden voor de hoofdbestemming. Dit geldt zowel voor woningen als bedrijven, waarbij het deel van het pand met de bestemming ‘Tuin – 3’ volgens de uitleg van het college slechts gebruikt mag worden als bijvoorbeeld een bijkeuken of magazijn. Met andere woorden is de rechtbank van oordeel dat de uitleg van het college, die inhoudt dat de bebouwing ondergeschikt moet zijn, niet strookt met de motivering van het college dat dit bedoeld is om bedrijfsvoering te bevorderen teneinde het gemengde karakter van de binnenstad te behouden. Voorts strookt deze uitleg niet met artikel 13.2.1, onder a, van het bestemmingsplan waaruit volgt dat de gronden die onder de bestemming ‘Tuin – 3’ vallen voor 100 procent mogen worden bebouwd waardoor bijbehorende bouwwerken op deze gronden gerealiseerd kunnen worden met een veel groter oppervlak dan de bebouwing op de grond met de hoofdbestemming. Tot slot merkt de rechtbank op dat het streven van het college om het gemengde karakter van de binnenstad te bevorderen door de betreffende gronden aantrekkelijker te maken voor bedrijfsvoering (hoewel dit op zichzelf gezien in het kader van de ruimtelijke ordening geen onredelijk belang is), niet afdoet aan het feit dat de bestemming ‘Gemengd – 3’ bewoning toestaat. Als het college wil voorkomen dat alle panden op deze gronden worden bewoond waardoor het bedrijfsleven in de buurt verloren gaat, ligt het meer voor de hand om de bestemming van deze gronden te veranderen.
Is sprake van strijd met het Parapluplan behoud omgevingskwaliteiten Haarlem?
6. Het college heeft zich in het bestreden besluit op het standpunt gesteld dat de omgevingsvergunning mede in strijd is met het Parapluplan parkeernormen Haarlem 2018, omdat er geen degelijke parkeeroplossing is aangedragen door eiser. Dat plan gold ten tijde van het primaire besluit op de vergunningaanvraag. Zoals het college in het verweerschrift heeft toegelicht, heeft het in het bestreden besluit ten onrechte aan dat plan getoetst, aangezien dat plan inmiddels was vervangen door het Parapluplan behoud omgevingskwaliteiten Haarlem. Zoals het college eveneens in het verweerschrift heeft toegelicht, is de parkeerregeling van beide plannen nagenoeg identiek, zodat toepassing van het juiste plan niet tot een andere uitkomst leidt.
6.1.
Eiser voert aan dat de parkeerregeling van de Parapluplannen niet van toepassing is omdat het gebruik conform de bestemming van het bestemmingsplan ‘Vijfhoek/Heiliglanden – De Kamp’ is en met de verzochte omgevingsvergunning niet wordt gewijzigd. Omdat het gaat om een interne verbouwing waarbij geen woning wordt toegevoegd of extra bouwmassa wordt gecreëerd, ziet eiser niet in waarom de parkeerdruk zou toenemen. Ten aanzien van het stallen van fietsen stelt eiser dat hiervoor voldoende ruimte is en dat een ontbrekende berekening kan worden aangeleverd als dat nodig is.
6.2.
Deze beroepsgrond slaagt niet. Volgens het Parapluplan behoud omgevingskwaliteiten Haarlem moet bij de verlening van een omgevingsvergunning in voldoende mate ruimte voor parkeren op eigen terrein worden aangebracht. Volgens het beleid van het college zoals opgenomen in de Nota Parkeernormen is het aan de aanvrager van de omgevingsvergunning om voor de daardoor gecreëerde parkeerbehoefte een oplossing aan te dragen. Eiser heeft geen mogelijkheid voor parkeren van een auto op eigen terrein ingebracht. Eiser heeft in beroep immers aangevoerd dat de Korte Houtstraat een autoluwe straat is waar geen auto’s mogen komen waardoor parkeren op eigen terrein bij voorbaat dus geen mogelijkheid is. Dat het beoogde gebruik conform het bestemmingsplan is, doet naar het oordeel van de rechtbank niet af aan de verplichting van eiser op grond van het Parapluplan om te onderbouwen hoe wordt voorzien in de bijkomende parkeerbehoefte. Zo is voor de toepassing van artikel 39.1.1 van het Parapluplan niet van belang of de verzochte omgevingsvergunning in strijd is met het bestemmingsplan. Van belang is of door de verzochte omgevingsvergunning extra parkeerbehoefte ontstaat. Niet in geschil is dat nooit een vergunning is verleend voor het realiseren van een tweede woning op het betrokken perceel. Dit betekent dat momenteel sprake is van een illegale situatie, waarmee geen rekening behoort te worden gehouden bij de vraag of er strijd is met het Parapluplan. Dat eiser een persoonlijke parkeervergunning heeft, zoals hij ter zitting heeft gesteld, doet er niet aan af dat de aanvullende parkeervraag als gevolg van een tweede woning op het perceel niet legaal is gecreëerd. Verder heeft eiser niet concreet onderbouwd hoe hij de parkeerbehoefte voor fietsen opvangt. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het college dan ook terecht geconcludeerd dat er strijd met het Parapluplan is.
6.3.
Het voorgaande betekent nog niet dat de omgevingsvergunning geweigerd mocht worden. Op grond van artikel 39.1.4 van het Parapluplan kan het college immers met een omgevingsvergunning afwijken van de verplichting tot het op eigen terrein opvangen van de aanvullende parkeerbehoefte. Aangezien het college reeds niet wilde meewerken aan de door het college veronderstelde afwijking van het bestemmingsplan, heeft het college niet nader onderzocht of er aanleiding is voor afwijking van het Parapluplan. Als er geen andere strijdigheid is, moet het college dat alsnog doen, waarbij het rekening moet houden met hetgeen eiser heeft aangevoerd of in de opnieuw te volgen bezwaarprocedure nog zal aanvoeren, zoals de stelling dat het college aan eiser een parkeervergunning heeft verleend. De rechtbank merkt daarbij op dat het college ook nog niet volledig heeft beoordeeld of de weigeringsgronden neergelegd in artikel 2.10, eerste lid, aanhef en onder a en d, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht van toepassing zijn.
Overige beroepsgronden
7. Overige gronden die eiser in beroep heeft aangevoerd, betreffen de situatie waarin er strijd met de bestemming ‘Tuin – 3’ zou zijn. Deze gronden behoeven geen verdere bespreking gelet op hetgeen is overwogen in rechtsoverwegingen 5.1 tot en met 5.4. Voor zover het beroep van eiser op het gelijkheidsbeginsel ook ziet op het Parapluplan, loopt eiser vooruit op een beoordeling die het college nog moet verrichten, namelijk de beoordeling van de vraag of er aanleiding is om af te wijken van het Parapluplan nu er geen strijd met het bestemmingsplan is. De rechtbank laat daarom ook hetgeen eiser daarover heeft aangevoerd buiten verdere bespreking.

Conclusie en gevolgen

8. Gelet op rechtsoverwegingen 5.1 tot en met 5.4 heeft het college ten onrechte strijd met het bestemmingsplan aangenomen en gelet op rechtsoverweging 6 heeft het college aan een onjuiste parkeerregeling getoetst. Daarom is het beroep gegrond en komt het bestreden besluit voor vernietiging in aanmerking. Gelet op de aard en omvang van de gebreken, is er geen aanleiding voor de rechtbank om de rechtsgevolgen van het te vernietigen besluit in stand te laten, om in de plaats daarvan zelf een beslissing te nemen of om het college met een tussenuitspraak gelegenheid te geven de gebreken te herstellen. Het college zal een nieuw besluit op bezwaar moeten nemen met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen. Daarbij moet het college nader motiveren waarom het de omgevingsvergunning niet wil verlenen of, als weigering niet deugdelijk valt te motiveren, de omgevingsvergunning alsnog verlenen. De rechtbank geeft het college twaalf weken om een nieuw besluit te nemen.
8.1.
Omdat het beroep gegrond is, moet het college het griffierecht aan eiser vergoeden. Eiser krijgt om dezelfde reden ook een vergoeding van zijn proceskosten. Het college moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht € 1.868,- omdat de gemachtigde van eiser als beroepsmatige rechtsbijstandverlener een beroepschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;
- draagt het college op om binnen twaalf weken na de dag van verzending van deze uitspraak met inachtneming van hetgeen daarin is overwogen een nieuw besluit op bezwaar te nemen en op de wettelijk voorgeschreven wijze bekend te maken;
- bepaalt dat het college het griffierecht van € 187,- aan eiser moet vergoeden;
- veroordeelt het college tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eiser.
Deze uitspraak is gedaan door mr. drs. J. de Vries, rechter, in aanwezigheid van mr. L.J. Besseling, griffier, en uitgesproken in het openbaar op 11 februari 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.