ECLI:NL:RBNHO:2026:1339

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
12 februari 2026
Publicatiedatum
13 februari 2026
Zaaknummer
24_8379
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA)
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling mate van arbeidsongeschiktheid in WIA-uitkeringszaak

Eiseres, voormalig administratief medewerkster, is het niet eens met de door het UWV vastgestelde mate van arbeidsongeschiktheid in het kader van de Wet WIA. Na een initiële vaststelling van 63,15% werd dit na bezwaar verhoogd naar 71,60%. Eiseres betwist deze vaststelling en voert aan dat zij door onder meer een doorgemaakte covid-infectie meer beperkingen heeft.

De rechtbank heeft het medisch dossier en de rapporten van de verzekeringsarts bezwaar en beroep en de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep zorgvuldig bestudeerd. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft meerdere onderzoeken en hoorzittingen verricht en alle relevante medische informatie betrokken, waaronder de door eiseres ingebrachte contra-expertise.

De rechtbank oordeelt dat het rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep zorgvuldig en deugdelijk is opgesteld en dat de aanvullende beperkingen in het rapport van de contra-expert onvoldoende zijn gemotiveerd en niet aansluiten bij de onderzoeksbevindingen. De rechtbank volgt daarom het oordeel van de verzekeringsarts bezwaar en beroep en verklaart het beroep ongegrond.

Uitkomst: Het beroep van eiseres tegen de vastgestelde mate van arbeidsongeschiktheid wordt ongegrond verklaard en de vaststelling van 71,60% blijft gehandhaafd.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Zittingsplaats Haarlem
Bestuursrecht
zaaknummer: HAA 24/8379

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 12 februari 2026 in de zaak tussen

[eiseres] , uit [plaats] , eiseres

(gemachtigde: mr. A. van Schaik),
en
de Raad van Bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, het UWV
(gemachtigde: mr. L. Schreuders).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over het recht op een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA). Eiseres is het niet eens met de door het UWV vastgestelde mate van arbeidsongeschiktheid. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan.

Procesverloop

1.1.
Bij besluit van 21 september 2023 is aan eiseres met ingang van 26 december 2022 een WIA-uitkering toegekend berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 63,15 %. Bij besluit van 18 november 2024 heeft het UWV het bezwaar van eiseres gegrond verklaard en de mate van arbeidsongeschiktheid vastgesteld op 71,60%.
1.2.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Het UWV heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.3.
De rechtbank heeft het beroep op 25 november 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen eiseres, de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van het UWV.

Beoordeling door de rechtbank

Totstandkoming van het bestreden besluit
2. Eiseres was werkzaam als administratief medewerkster bij [B.V.] Zij heeft zich op 28 december 2020 ziek gemeld.
3. Naar aanleiding van haar aanvraag om een WIA-uitkering heeft op 8 augustus 2023 een sociaal-medische beoordeling plaatsgevonden door een arts die zijn overwegingen en conclusies heeft weergegeven in een medisch rapport gedateerd 10 augustus 2023. Daarnaast heeft deze arts de beperkingen van eiseres vastgelegd in een functionele mogelijkhedenlijst (FML) van 11 augustus 2023. De arbeidsdeskundige heeft op basis van de FML functies geduid en geconcludeerd dat de mate van arbeidsongeschiktheid 63,15% bedraagt. Vervolgens heeft het UWV in het besluit van 21 september 2023 beslist.
4. Eiseres heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft zijn bevindingen weergegeven in zijn rapport van 30 oktober 2024. Hierin heeft hij geconcludeerd dat er aanleiding is om af te wijken van het medische oordeel van de verzekeringsarts met als gevolg dat hij de FML op 30 oktober 2024 heeft aangepast. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft vervolgens in zijn rapport van 14 november 2024 vastgesteld dat de mate van arbeidsongeschiktheid wijzigt in 71,60%.
Het bestreden besluit
5. Verweerder heeft vervolgens in het bestreden besluit beslist. Ter onderbouwing van dit besluit verwijst verweerder naar het hiervoor bedoelde rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep en dat van de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep.
Gronden van beroep
6. Eiseres stelt dat zij meer beperkt is dan nu is aangenomen, onder meer als gevolg van een doorgemaakte covid-infectie. Ter onderbouwing hiervan verwijst zij naar informatie uit de behandelend sector en het door haar ingebrachte rapport (en de aanvulling daarop) van verzekeringsarts [naam verzekeringsarts] , werkzaam bij [naam bedrijf] (hierna ook: [naam verzekeringsarts] ). Deze arts heeft eiseres op 28 maart 2025 onderzocht en een FML opgesteld met aanvullende beperkingen.
Is het medisch onderzoek zorgvuldig geweest?
7. De rechtbank is van oordeel dat het rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep waarop het UWV zich baseert, zorgvuldig tot stand is gekomen. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft dossieronderzoek verricht, eiseres tijdens de hoorzitting gesproken en onderzocht en de in de bezwaarfase verkregen informatie uit de behandelend sector bij zijn beoordeling betrokken. In de beroepsfase heeft hij op 23 april 2025 gereageerd op de beroepsgronden van eiseres en op de daarbij ingebrachte medische informatie, waaronder de contra-expertise van [naam verzekeringsarts] . Verder heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep ook de op 13 november 2025 nog ingebrachte (medische) informatie bestudeerd en beoordeeld. Alle dossiergegevens zijn en alle voorhanden (medische) informatie is hiermee op een deugdelijke en kenbare wijze betrokken bij de medische beoordeling.
Is de medische beoordeling juist?
8. De rechtbank ziet geen aanleiding om de verzekeringsarts bezwaar en beroep niet te volgen in zijn initiële conclusies en in zijn reactie op hetgeen in beroep is ingebracht en aangevoerd. De verzekeringsarts bezwaar en beroep concludeert in dat verband dat voor de datum in geding in wezen geen nieuwe medische feiten worden aangedragen. [naam verzekeringsarts] is overgegaan tot het opstellen van een FML met een aantal verdergaande beperkingen zonder deze afdoende te motiveren voor de datum in geding. Diens FML is verder geheel klachtcontingent opgesteld. Nergens wordt een koppeling gemaakt met onderzoeksbevindingen en nergens wordt gewogen wat de primaire arts heeft vastgesteld. De verzekeringsarts bezwaar en beroep verwijst voor wat betreft de gestelde artrose/reuma naar informatie van de reumatoloog van 21 oktober 2024. Hierin staan geen aanwijzingen voor spondylartritis, wel worden pijnklachten benoemd. In de FML zijn hiervoor reeds beperkingen aangenomen. Voor een verdergaande urenbeperking dan die waarin reeds is voorzien ziet de verzekeringsarts bezwaar en beroep geen aanleiding. De rechtbank kan hem in dit alles volgen.
9. Eiseres heeft geen verdere medische informatie overgelegd ter onderbouwing van haar stelling dat zij meer beperkt is dan thans is aangenomen.

Conclusie en gevolgen

10. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiseres geen gelijk krijgt. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. I.M. Ludwig, rechter, in aanwezigheid van E.A.D. Horn, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 12 februari 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.