ECLI:NL:RBNHO:2026:1172

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
10 februari 2026
Publicatiedatum
10 februari 2026
Zaaknummer
15-326312-24
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 9 SrArt. 36f SrArt. 63 SrArt. 245 SrArt. 342 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling ontuchtige handelingen met minderjarige tussen 12 en 16 jaar

De rechtbank Noord-Holland heeft op 10 februari 2026 uitspraak gedaan in de zaak tegen verdachte, die werd beschuldigd van ontuchtige handelingen met een minderjarige van 15 jaar. De tenlastelegging betrof seksueel binnendringen, waaronder het zich laten pijpen en vaginale gemeenschap. De rechtbank achtte de aangifte van het slachtoffer betrouwbaar en vond voldoende steunbewijs, waaronder DNA-onderzoek en de eigen verklaring van de verdachte.

De rechtbank oordeelde dat de seksuele handelingen als ontuchtig moeten worden aangemerkt, mede vanwege het leeftijdsverschil van ruim drie jaar, het ontbreken van een eerdere relatie, de omstandigheden waaronder de handelingen plaatsvonden en het feit dat het slachtoffer aangeschoten was. Het bestanddeel medeplegen werd niet bewezen verklaard, waardoor verdachte daarvan werd vrijgesproken.

De strafoplegging hield rekening met de ernst van het feit, de jongvolwassen leeftijd van verdachte, zijn strafblad en persoonlijke omstandigheden. De rechtbank legde een gevangenisstraf van twee dagen op, met aftrek van het voorarrest, en een taakstraf van 150 uur. Een contactverbod werd niet opgelegd. Daarnaast werd een schadevergoeding van €6.171,30 toegewezen aan het slachtoffer, bestaande uit materiële en immateriële schade, vermeerderd met wettelijke rente. De benadeelde partij werd niet-ontvankelijk verklaard voor de toekomstige schadevordering.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot 2 dagen gevangenisstraf en 150 uur taakstraf voor ontuchtige handelingen met minderjarige.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Team Straf, zittingsplaats Haarlem
Meervoudige strafkamer
Parketnummer: 15-326312-24 (P)
Uitspraakdatum: 10 februari 2026
Tegenspraak
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 27 januari 2026 in de zaak tegen:
[verdachte],
geboren op [geboortedatum] 2005 te [geboorteplaats],
ingeschreven in de basisregistratie personen op het adres [adres],
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie
mr. M. Lommers en van wat de verdachte en zijn raadsvrouw mr. S.W. Kuijpers, advocaat te Hoofddorp, naar voren hebben gebracht.

1.Tenlastelegging

Aan de verdachte is, na wijziging van de tenlastelegging, ten laste gelegd dat:
Primair
hij op of omstreeks 27 april 2024 te Heemskerk en/of Beverwijk, tezamen en in vereniging, althans alleen, met [het slachtoffer] geboren op [geboortedatum A], die de leeftijd van twaalf jaren
maar nog niet die van zestien jaren had bereikt, buiten echt, een of meer ontuchtige handelingen heeft gepleegd, die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van [het slachtoffer], te weten
- het zich door [het slachtoffer] laten pijpen en/of
- het brengen van zijn, verdachtes, penis in de vagina van [het slachtoffer] en/of
(vaginale) gemeenschap hebben met [het slachtoffer].
Subsidiairhij op of omstreeks 27 april 2024 te Heemskerk en/of Beverwijk, tezamen en in vereniging, althans alleen, met [het slachtoffer] geboren op [geboortedatum A], die toen de leeftijd van zestien
jaren nog niet had bereikt, buiten echt, een of meer ontuchtige handelingen heeft gepleegd, te weten
- het betasten van de borsten van [het slachtoffer] en/of
- het zich door [het slachtoffer] laten pijpen en/of
- het brengen van zijn, verdachtes, penis in de vagina van [het slachtoffer] en/of
(vaginale) gemeenschap hebben met [het slachtoffer].

2.Voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.
3. Beoordeling van het bewijs
3.1
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het primair ten laste gelegde feit.
3.2
Standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft bepleit dat de verdachte van het primair en subsidiair ten laste gelegde feit moet worden vrijgesproken. Zij heeft hiertoe aangevoerd dat de verklaring van [het slachtoffer] (hierna: aangeefster) onvoldoende betrouwbaar is en de door de verdachte bij de aangeefster verrichtte seksuele handelingen niet als ontuchtig kunnen worden aangemerkt. Indien de rechtbank wel van oordeel is dat de handelingen als ontuchtig kunnen worden aangemerkt, heeft de raadsvrouw zich op het standpunt gesteld dat de verdachte partieel moet worden vrijgesproken van het bestanddeel medeplegen.
3.3
Oordeel van de rechtbank
3.3.1
Redengevende feiten en omstandigheden
De rechtbank komt tot bewezenverklaring van het primair ten laste gelegde feit op grond van de bewijsmiddelen die in de bijlage bij dit vonnis zijn opgenomen.
3.3.2
Bewijsmotivering
Bewijsminimum in zedenzaken
De rechtbank stelt voorop dat bij zedenzaken doorgaans slechts twee personen aanwezig zijn geweest bij het ten laste gelegde: het vermeende slachtoffer en de vermeende dader. Het bewijs dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, kan volgens het tweede lid van artikel 342 van Pro het Wetboek van Strafvordering (Sv) door de rechter niet uitsluitend worden aangenomen op basis van de verklaring van één persoon (bijvoorbeeld degene die aangifte heeft gedaan). Voor een bewezenverklaring moet in ieder geval sprake zijn van een ander bewijsmiddel dat aan die verklaring voldoende steun biedt. Niet vereist is dat ieder onderdeel van de bewezenverklaring wordt ondersteund. Het kan voldoende zijn dat de verklaring van het slachtoffer op onderdelen steun vindt in een ander bewijsmiddel, afkomstig van een andere bron dan het slachtoffer.
Hoewel in deze zaak bij de gebeurtenis waarvan aangifte is gedaan de verklaring van de verdachte deels overeenkomt met de verklaring van de aangeefster, is dat niet op alle punten het geval. De rechtbank is daarom van oordeel dat ook in deze zaak voor het bewijs van de seksuele handelingen bovengenoemd kader moet worden toegepast en dat de aangifte alleen voldoende kan zijn voor het bewijs van het ten laste gelegde als deze betrouwbaar is en op specifieke punten wordt bevestigd door uit andere bron afkomstige bewijsmiddelen.
Gelet op het verweer van de verdediging zal de rechtbank eerst ingaan op de betrouwbaarheid van de verklaring van de aangeefster.
Betrouwbaarheid verklaring van de aangeefster
Op 5 mei 2024 heeft de aangeefster, destijds vijftien jaar oud, aangifte gedaan van verkrachting door de verdachte en de medeverdachte. De aangeefster heeft verklaard dat zij de avond van Koningsdag op 27 april 2024 vanuit een café met de verdachte en de medeverdachte mee is gegaan in de auto van de verdachte naar zijn huis. Daar heeft zij getongzoend met beide verdachten. Op de terugweg heeft de aangeefster allereerst op de achterbank de medeverdachte moeten pijpen, waarna ze ook seks met hem heeft gehad. Vervolgens zou ze naar voren in de auto zijn geklommen en heeft ze op de bestuurdersstoel seks gehad met de verdachte en heeft ze ook hem gepijpt. Hierna zijn ze weer verder gaan rijden en is de aangeefster bij de Albert Heijn in Heemskerk uit de auto gezet. De aangeefster heeft verklaard dat zij met seks bedoelt: piemel gaat in de vagina.
De rechtbank heeft geen twijfel aan de kern van de verklaring van de aangeefster. Zij heeft de avond van het feit direct aan de politie ter plaatse een spontane verklaring afgelegd en vervolgens ook in een informatief gesprek haar verhaal gedaan. Deze verklaringen en de aangifte zijn in grote lijnen consistent en ook op specifieke punten gedetailleerd. Zo heeft ze steeds verklaard dat ze tegen de medeverdachte heeft gezegd dat de seks niet ging omdat het in een rijdende kleine auto plaatsvond. Ook heeft zij verklaard dat ze het sperma na het pijpen van de verdachte heeft doorgeslikt. Daarnaast heeft de aangeefster in haar aangifte nog meer details gegeven, namelijk onder meer wat ze die avond heeft gedronken, dat het stil was in de auto, dat de verdachten elkaar een boks gaven en dat ze niet wist waar ze het sperma moest uitspugen en daarom maar heeft doorgeslikt. Verder is de rechtbank van oordeel dat het een authentieke en eerlijke verklaring betreft. De aangeefster heeft verklaard over haar eigen rol, namelijk dat ze niet kenbaar heeft gemaakt tegenover de verdachten dat ze de seksuele handelingen niet wilde en dat ze zelfs moest lachen toen ze tegen de toeter van de auto aankwam. Ten slotte draagt bij aan de betrouwbaarheid van de gehele aangifte dat het dossier bewijsmiddelen bevat die de aangifte ondersteunen, namelijk het DNA-onderzoek waaruit blijkt dat er DNA van de verdachte is aangetroffen op de binnenste schaamlippen van de aangeefster en de verklaring van de verdachte ter zitting, waarin hij heeft bevestigd dat hij in zijn auto met haar seks heeft gehad.
De rechtbank acht gelet op het voorgaande de verklaring van de aangeefster betrouwbaar en bruikbaar voor het bewijs.
Steunbewijs
De rechtbank is van oordeel dat de verklaring van de aangeefster in voldoende mate steun vindt in ander bewijsmateriaal, zodat aan het bewijsminimum van artikel 342, tweede lid, Sv wordt voldaan, en overweegt daartoe het volgende.
De aangifte vindt in de eerste plaats steun in de verklaring van de verdachte zelf. De verdachte heeft op zitting erkend dat hij de avond van Koningsnacht (kort) seks heeft gehad met de aangeefster in zijn auto. De verdachte heeft verklaard dat hij daarmee bedoelt dat zijn piemel in haar vagina is geweest.
Daarnaast wordt de aangifte ondersteund door het DNA-onderzoek van het Nederlands Forensisch Instituut. Van het lichaam van de aangeefster zijn op 28 april 2024 diverse bemonsteringen genomen ten behoeve van DNA-onderzoek. In de bemonsteringen van de binnenste schaamlippen werd een DNA-mengprofiel aangetroffen van minimaal twee personen. Gelet op de resultaten van het vergelijkend DNA-onderzoek concludeert de rechtbank dat het aangetroffen DNA van de verdachte is. Deze vaststelling ondersteunt de verklaring van de aangeefster over de ontuchtige handelingen die op 27 april 2024 hebben plaatsgevonden.
Op grond van de betrouwbaar geachte aangifte en het hierboven beschreven steunbewijs acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte zich door de aangeefster heeft laten pijpen en dat hij zijn penis in haar vagina heeft gebracht.
Ontuchtige handelingen
De rechtbank moet vervolgens de vraag beantwoorden of de bewezen handelingen als ontuchtig moeten worden aangemerkt. De rechtbank stelt in dit kader voorop dat de strafbaarstelling van artikel 245 (oud) van het Wetboek van Strafrecht (Sr) minderjarigen in beginsel beoogt te beschermen tegen seksueel contact. De leeftijd van het slachtoffer is daarom geobjectiveerd. Dat betekent onder meer dat voor een bewezenverklaring het niet van belang is of de verdachte wist of kon vermoeden dat het slachtoffer jonger dan zestien jaar was.
Volgens rechtspraak van de Hoge Raad [1] kan onder omstandigheden aan seksuele handelingen met een persoon tussen de twaalf en de zestien jaren het ontuchtig karakter ontbreken. Dat kan bijvoorbeeld het geval zijn als die handelingen vrijwillig plaatsvonden tussen personen die slechts in geringe mate in leeftijd verschillen. Daarbij is van belang of de seksuele handelingen algemeen als sociaal-ethisch zijn aanvaard. Volgens de Hoge Raad komt het hierbij in belangrijke mate aan op een waardering van de feiten en omstandigheden van het geval.
De rechtbank stelt in dit verband allereerst vast dat de verdachte heeft verklaard dat hij niet wist of kon weten dat de aangeefster de seks tegen haar wil onderging. Uit de aangifte blijkt voorts dat zij niet heeft aangegeven dat ze niet wilde dat de ten laste gelegde seksuele handelingen plaatsvonden. In haar aangifte verklaart zij weliswaar dat deze handelingen niet vrijwillig waren, maar dat ze dit niet in de auto durfde te zeggen. Dit maakt dat de rechtbank niet kan uitsluiten dat het voor de verdachte – zoals hij heeft verklaard – niet kenbaar is geweest dat er aan de kant van de aangeefster sprake was van onvrijwilligheid.
Verder overweegt de rechtbank dat geen sprake is van een gering leeftijdsverschil. De aangeefster was ten tijde van het ten laste gelegde feit vijftien jaar en tien maanden oud en de verdachte was achttien jaar en elf maanden oud. Aldus is er tussen beiden sprake van een verschil in leeftijd van drie jaar en één maand. Het ten laste gelegde feit, waarbij het gaat om vergaande seksuele handelingen die onbeschermd (zonder condoom) zijn verricht, vonden plaats in de auto van de verdachte, in aanwezigheid van een (eveneens meerderjarige) vriend van de verdachte. Bovendien was de aangeefster aangeschoten, terwijl de verdachte dit wist en hijzelf niet onder invloed was. Ten slotte is van belang dat de verdachte en de aangeefster elkaar die avond voor het eerst in een café hadden ontmoet. Er was geen sprake van een eerdere seksuele of affectieve relatie tussen beiden.
Deze feiten en omstandigheden, in onderling verband en samenhang bezien, maken dat de rechtbank van oordeel is dat de handelingen van de verdachte buiten de sociaal-ethische norm vallen en daarmee als ontuchtig zijn aan te merken.
Vrijspraak medeplegen
Gelet op het vonnis van heden in de zaak van de medeverdachte (met parketnummer
15-326314-24) kan de rechtbank niet vaststellen dat de medeverdachte handelingen van ontuchtige aard heeft gepleegd. Met de raadsvrouw is de rechtbank om die reden van oordeel dat er onvoldoende wettig en overtuigend bewijs is dat de medeverdachte een voldoende significante of wezenlijke bijdrage heeft gehad aan het feit dat aan de verdachte is ten laste gelegd, zodat hij partieel van het medeplegen moet worden vrijgesproken.
Conclusie
De rechtbank is van oordeel dat de aangifte betrouwbaar is en op specifieke punten steun vindt in ander bewijsmateriaal uit een andere bron. De seksuele handelingen verricht door de verdachte zijn aan te merken als ontuchtig. De rechtbank acht dan ook wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het primair ten laste gelegde feit op de hierna omschreven wijze heeft begaan.
3.4
Bewezenverklaring
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het primair ten laste gelegde feit heeft begaan, met dien verstande dat
hij op 27 april 2024 te Heemskerk en/of Beverwijk met [het slachtoffer] geboren op [geboortedatum A], die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren had bereikt, buiten echt, een of meer ontuchtige handelingen heeft gepleegd, die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van [het slachtoffer], te weten
- het zich door [het slachtoffer] laten pijpen en
- het brengen van zijn, verdachtes, penis in de vagina van [het slachtoffer] en
(vaginale) gemeenschap hebben met [het slachtoffer].
Hetgeen aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

4.Kwalificatie en strafbaarheid van het feit

Het bewezen verklaarde levert op:
met iemand die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren heeft bereikt, buiten echt, ontuchtige handelingen plegen die bestaan uit of mede bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden waardoor de wederrechtelijkheid aan het bewezen verklaarde zou ontbreken. Het bewezenverklaarde is om die reden strafbaar.

5.Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is om die reden strafbaar.

6.Motivering van de sanctie

6.1
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 21 maanden, waarvan zeven maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren en aftrek van het voorarrest. Daarbij heeft de officier van justitie gevorderd de bijzondere voorwaarde inhoudende een contactverbod met aangeefster op te leggen.
6.2
Standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft de rechtbank verzocht bij de strafoplegging rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van de verdachte en een onvoorwaardelijke gevangenisstraf gelijk aan de duur van het voorarrest op te leggen in combinatie met een taakstraf en eventueel een voorwaardelijke gevangenisstraf onder de algemene voorwaarden.
6.3
Oordeel van de rechtbank
Bij de beslissing over de sanctie die aan de verdachte moet worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede de persoon van de verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken. In het bijzonder heeft de rechtbank het volgende in aanmerking genomen.
Ernst van het feit
De verdachte heeft op 27 april 2024, de avond van Koningsdag, ontuchtige handelingen gepleegd met het slachtoffer. De verdachte is samen met zijn vriend en het slachtoffer weggegaan uit de kroeg om in zijn auto eerst naar zijn huis te gaan rijden, waarna de verdachte vervolgens op de terugweg op een afgelegen parkeerplaats en in het bijzijn van zijn vriend vergaande seksuele handelingen met het slachtoffer heeft verricht. Deze handelingen bestonden uit het zich door haar laten pijpen en het seksueel binnendringen door geslachtsgemeenschap met haar te hebben. De verdachte was zelf nuchter en heeft kennelijk gebruik gemaakt van de gelegenheid die zich voordeed en heeft onbeschermde seks gehad met een aangeschoten minderjarig meisje van vijftien jaar, terwijl hij wist dat ze minderjarig was. Kinderen op deze leeftijd worden nog niet geacht hier zelf weloverwogen keuzes in te kunnen maken, laat staan de consequenties van die keuzes te overzien, reden waarom de wet hen bescherming geeft. De verdachte heeft met zijn gedragingen inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit en waardigheid van het slachtoffer. Het is algemeen bekend dat jeugdige slachtoffers van dergelijke delicten op latere leeftijd nadelige psychische gevolgen kunnen ondervinden. Als gevolg van het ontuchtige handelen van de verdachte, moest het slachtoffer in het ziekenhuis lichamelijke onderzoeken ondergaan, zij moest de morning-afterpil slikken en zich vaccineren tegen Hepatitis B. De verdachte heeft zich niet om de mogelijke gevolgen voor het slachtoffer bekommerd, maar zijn eigen bevrediging ten koste van haar vooropgesteld.
De persoon van de verdachte
Met betrekking tot de persoon van de verdachte heeft de rechtbank gelet op het strafblad van de verdachte van 30 december 2025, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder is veroordeeld voor een soortgelijk feit.
Verder heeft de rechtbank acht geslagen op de reclasseringsrapportages van 22 mei 2025 en 23 december 2025. De reclassering schat het risico op recidive in als matig tot laag en adviseert bij een veroordeling een straf zonder bijzondere voorwaarden.
De op te leggen straf
Bij het bepalen van de strafmaat heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van het feit, waardoor oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van geruime duur in beginsel wordt gerechtvaardigd. De rechtbank zal hiertoe echter niet overgaan, gelet op het feit dat de verdachte niet eerder is veroordeeld voor een soortgelijk feit, zijn jongvolwassen leeftijd en het gegeven dat hij op dit moment een baan heeft welke hij bij een langdurige gevangenisstraf zal gaan verliezen.
Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van twee dagen (zijnde de tijd die de verdachte in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht), met aftrek van het voorarrest, moet worden opgelegd. Daarnaast acht de rechtbank een taakstraf van 150 uur, subsidiair 75 dagen vervangende hechtenis, passend.
De officier van justitie heeft een contactverbod met het slachtoffer als bijzondere voorwaarde gevorderd. De rechtbank ziet hier onvoldoende aanleiding voor. Hiervoor is van belang dat de verdachte en het slachtoffer elkaar na het bewezen verklaarde feit niet meer zijn tegengekomen, dat de verdachte geen contact met het slachtoffer heeft gezocht en dat het feit bijna twee jaar geleden heeft plaatsgevonden.

7.Vordering benadeelde partij en schadevergoedingsmaatregel

De benadeelde partij [het slachtoffer] heeft een vordering tot schadevergoeding van
€ 12.671,30 ingediend tegen de verdachte wegens materiële en immateriële schade die zij als gevolg van het ten laste gelegde feit zou hebben geleden, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag. De gestelde schade bestaat uit € 171,30 materiële schade,
€ 10.000,00 immateriële schade en € 2.500,00 toekomstige schade. De benadeelde partij heeft de rechtbank verzocht de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren in haar vordering ten aanzien van de toekomstige materiële schade. De kans bestaat dat, indien hoger beroep wordt ingesteld, sprake is van verder oplopende schade.
7.1
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering ten aanzien van de gestelde immateriële schade volledig toegewezen dient te worden. Ten aanzien van de materiële schade heeft de officier van justitie zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank wat betreft de medische kosten, voor het overige heeft de officier van justitie zich op het standpunt gesteld dat de vordering moet worden toegewezen. Daarbij heeft de officier van justitie verzocht om oplegging van de schadevergoedingsmaatregel en de wettelijke rente en om de verdachte hoofdelijk aansprakelijk te stellen. Ten aanzien van de toekomstige schade heeft de officier van justitie verzocht de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren.
7.2
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft zich ten aanzien van de materiële schade op het standpunt gesteld dat de gevorderde medische kosten niet rechtstreeks voortvloeien uit het bewezen verklaarde feit. Daarnaast heeft de raadsvrouw verzocht om de immateriële vordering te matigen, omdat in de vordering wordt uitgegaan van medeplegen. Naar het oordeel van de verdediging is echter hooguit sprake van plegen. Hierbij heeft de raadsvrouw aansluiting gezocht bij de zogenoemde
Letsellijst Schadefonds Geweldsmisdrijven,
de Rotterdamse schaalen de door haar aangehaalde vergelijkbare jurisprudentie. Ten slotte heeft de raadsvrouw verzocht de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren voor de gevorderde toekomstige schade.
7.3
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank is van oordeel dat de materiële schade rechtstreeks voortvloeit uit het bewezen verklaarde feit. De vordering is niet betwist ten aanzien van de reiskosten en de kosten voor de – in het kader van forensisch onderzoek – in beslag genomen kleding. De schatting ten aanzien van de kosten voor de kleding komt de rechtbank billijk voor. De rechtbank is van oordeel dat de benadeelde partij de noodzaak van de hepatitis B vaccinaties voldoende heeft onderbouwd. De rechtbank vermeerdert het bedrag voor de medische kosten met de wettelijke rente vanaf 15 mei 2024 (datum aanschaf medicatie voor vaccinaties), het bedrag voor de reiskosten vanaf 5 november 2024 (het gemiddelde van alle reisdata) en het bedrag voor de kleding vanaf 27 april 2024 (de pleegdatum).
Vergoeding van de immateriële schade komt de rechtbank tot een bedrag van € 6.000,00 billijk voor gelet op de onderbouwing van de vordering en het verhandelde ter terechtzitting. Hierbij heeft de rechtbank aansluiting gezocht bij
De Rotterdamse Schaal. De vordering zal dan ook in zoverre worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 27 april 2024 tot aan de dag der algehele voldoening. Voor het overige zal de benadeelde partij in haar vordering tot schadevergoeding niet-ontvankelijk worden verklaard.
De rechtbank zal de benadeelde partij in de vordering voor de toekomstige schade niet-ontvankelijk verklaren.
Daarnaast dient de verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken.
Schadevergoedingsmaatregel
De rechtbank ziet als gevolg van verdachtes bewezen verklaarde handelen [kort gezegd: ontucht met iemand beneden de leeftijd van zestien jaar] aanleiding ter zake van de vordering van de benadeelde partij de schadevergoedingsmaatregel van artikel 36f Sr op te leggen.

8.Toepasselijke wettelijke voorschriften

De volgende wetsartikelen zijn van toepassing:
artikelen 9, 36f, 63 en 245 Sr, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

9.Beslissing

De rechtbank:
Verklaart bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan zoals hiervoor onder 3.4 weergegeven.
Verklaart niet bewezen wat aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt hem daarvan vrij.
Bepaalt dat het bewezen verklaarde feit het hierboven onder 4. vermelde strafbare feit oplevert.
Verklaart de verdachte hiervoor strafbaar.
Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van
twee (2) dagen.
Bepaalt dat de tijd die verdachte vóór de tenuitvoerlegging van dit vonnis in verzekering heeft doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Veroordeelt de verdachte tot het verrichten van
150 urentaakstraf die bestaat uit het verrichten van onbetaalde arbeid, bij het niet of niet naar behoren verrichten daarvan te vervangen door 75 dagen hechtenis.
Ten aanzien van de vordering benadeelde partij [het slachtoffer]
Wijst toe de vordering tot vergoeding van de door de benadeelde partij geleden schade tot een bedrag van
€ 6.171,30, bestaande uit € 171,30 als vergoeding voor de materiële schade en € 6.000,00 als vergoeding voor de immateriële schade, en veroordeelt de verdachte tot betaling van dit bedrag vermeerderd met de wettelijke rente over het bedrag van de medische kosten vanaf 15 mei 2024, over het bedrag van de reiskosten vanaf 5 november 2024, en over het bedrag van de kleding en de immateriële schade vanaf 27 april 2024 tot aan de dag der algehele voldoening, aan [het slachtoffer], voornoemd, tegen behoorlijk bewijs van kwijting.
Verklaart de benadeelde partij in het overige gedeelte van de vordering niet-ontvankelijk.
Veroordeelt de verdachte in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging alsnog te maken.
Schadevergoedingsmaatregel
Legt de verdachte als schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van slachtoffer [het slachtoffer] de verplichting op tot betaling aan de Staat van een bedrag van €
6.171,30, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 55 dagen gijzeling en bepaalt dat het te betalen bedrag voor de medische kosten wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 15 mei 2024, het te betalen bedrag voor de reiskosten wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 5 november 2024 en het te betalen bedrag voor de kleding en de immateriële schade wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 27 april 2024, allen tot aan de dag der algehele voldoening. De toepassing van de gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op.
Bepaalt dat betalingen aan de benadeelde partij in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de Staat en dat betalingen aan de Staat in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij.
Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum
Dit vonnis is gewezen door
mr. A.K. Korteweg voorzitter,
mr. G.D. Kleijne en mr. K.I.E. Lammers, rechters,
in tegenwoordigheid van de griffier mr. W.S. Speelman,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 10 februari 2026.

Voetnoten

1.Hoge Raad 30 maart 2010, ECLI:NL:HR:2010:BK4794.