ECLI:NL:RBNHO:2026:1121

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
9 februari 2026
Publicatiedatum
9 februari 2026
Zaaknummer
HAA 26/297
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1.1.1 WmoArt. 1.2.1 Wmo
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing voorlopige voorziening voor indicatie overbruggingswoning op grond van Wmo

Verzoekster heeft een aanvraag ingediend voor een maatwerkvoorziening in de vorm van een indicatie overbruggingswoning op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo). Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Zaanstad heeft deze aanvraag op 23 december 2025 afgewezen. Verzoekster maakte bezwaar tegen dit besluit en verzocht de voorzieningenrechter om een voorlopige voorziening.

De voorzieningenrechter heeft op 28 januari 2026 het verzoek behandeld en geoordeeld dat verzoekster niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij door problemen bij het zich handhaven in de samenleving niet in staat is zelf in onderdak te voorzien. Hoewel verzoekster sinds 6 januari 2026 geen huisvesting meer heeft, heeft zij opvang door het Leger des Heils geweigerd en zelf een plek gezocht. Er is geen sprake van lichamelijke of psychische problemen die haar zelfredzaamheid beperken.

De voorzieningenrechter concludeert dat het huisvestingsprobleem van verzoekster voortkomt uit een tekort aan betaalbare woonruimte en niet uit problemen bij het zich handhaven in de samenleving. De Wmo is niet bedoeld voor daklozen die voldoende zelfredzaam zijn. Ook de situatie van de meerderjarige dochter, die een MBO-opleiding volgt, leidt niet tot een ander oordeel. Het verzoek om voorlopige voorziening wordt daarom afgewezen.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening voor een indicatie overbruggingswoning wordt afgewezen omdat het bezwaar geen redelijke kans van slagen heeft.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Zittingsplaats Haarlem
Bestuursrecht
zaaknummer: HAA 26/297

uitspraak van de voorzieningenrechter van 9 februari 2026 in de zaak tussen

[verzoekster] , verzoekster

(gemachtigde: mr. P.E. Stam),
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Zaanstad, het college
(gemachtigden: O. Bekkaoui en mr. A. Slotboom).

Samenvatting

1.1.
Deze uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening gaat over de afwijzing van de aanvraag van verzoekster voor een maatwerkvoorziening in de vorm van een indicatie overbruggingswoning op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo). Verzoekster is het hier niet mee eens. Zij verzoekt daarom om een voorlopige voorziening.
1.2.
De voorzieningenrechter wijst in deze uitspraak het verzoek af omdat het bezwaar bij de huidige stand van zaken geen redelijke kans van zaken lijkt te hebben. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.

Procesverloop

2.
2.1.
Verzoekster heeft een aanvraag ingediend voor een maatwerkvoorziening op grond van de Wmo in de vorm van een indicatie overbruggingswoning. Het college heeft deze aanvraag met het besluit van 23 december 2025 afgewezen.
2.2.
Verzoekster heeft hiertegen bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.
2.3.
Het college heeft op het verzoek gereageerd met een verweerschrift.
2.4.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 28 januari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen de gemachtigde van verzoekster en de gemachtigden van het college.

Beoordeling voorzieningenrechter

1.
3.1.
Gelet op de definitie van het begrip ‘opvang’ in artikel 1.1.1, aanhef en eerste lid, en uit artikel 1.2.1, aanhef en onder c, van de Wmo moet beoordeeld worden of verzoekster door problemen bij het zich handhaven in de samenleving niet in staat is zelf in onderdak voor haar en haar dochter te voorzien. Verzoekster kan pas aanspraak maken op maatschappelijke opvang als zij geen onderdak heeft als gevolg van problemen die zij ondervindt bij het zich handhaven in de samenleving.
3.2.
De voorzieningenrechter is van oordeel dat vooralsnog niet gebleken is dat van een dergelijke situatie sprake zou zijn.
3.3.
Verzoekster heeft op 20 september 2025 haar toenmalige woning moeten verlaten. Na een tijdelijk verblijf in Bulgarije, het land van herkomst, heeft zij vervolgens hier te lande kort nog op verschillende adressen verbleven. Verzoekster stelt sedert 6 januari 2026 niet langer over huisvesting te kunnen beschikken. Zij heeft opvang door het Leger des Heils geweigerd en ervoor gekozen zelf een plek te zoeken.
3.4.
De voorzieningenrechter stelt vast dat verzoekster in het verleden steeds zelf in onderdak voor haarzelf en haar dochter heeft voorzien. Behoudens de actuele problematiek van het vinden van een nieuwe woning is er geen sprake van andersoortige problemen, zoals van lichamelijke of psychische aard. Verzoekster heeft ook steeds in haar levensonderhoud kunnen voorzien. Weliswaar heeft zij eerdere werkzaamheden moeten beëindigen wegens het voornoemde vertrek naar Bulgarije, maar zij stelt zonder meer weer aan de slag te kunnen gaan als schoonmaker en aldus opnieuw een inkomen te kunnen verwerven.
3.5
De gevolgtrekking uit het voorgaande is, dat de recente huisvestingsproblematiek van verzoekster niet voortvloeit uit of verband houdt met problemen bij het zich handhaven in de samenleving. Bij verzoekster is enkel sprake van een huisvestingsprobleem door een tekort aan (betaalbare) woonruimte in de door haar gewenste woonregio. De Wmo is echter niet bedoeld om te komen tot een oplossing van het probleem van dakloosheid van personen die voldoende zelfredzaam zijn en dus niet tot de doelgroep van de Wmo behoren. Het college heeft dus vooralsnog terecht de gevraagde woonvoorziening geweigerd.
3.6
Dat verzoekster geen gebruik wil maken van mogelijkheden om tijdelijk onderdak te verkrijgen bij het Leger des Heils, komt voor haar rekening.
3.7
Het gegeven dat de dochter van verzoekster momenteel een MBO-opleiding tot beveiliger volgt leidt niet tot een ander oordeel. De voorzieningenrechter begrijpt de wens van verzoekster om haar dochter met een woonvoorziening een meer stabiele uitgangssituatie voor de studie te bieden, maar wijst erop dat de dochter, die tijdens deze procedure (in december 2025) meerderjarig is geworden, ook zelf op zoek kan gaan naar woonruimte, bijvoorbeeld door een kamer te zoeken in Alkmaar, waar zij haar opleiding volgt. De nodige hulp en begeleiding kan verzoekster ook op afstand bieden.

Conclusie en gevolgen

4. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af. Dat betekent dat het college de gevraagde indicatie woonvoorziening niet hoeft te verlenen. Voor vergoeding van het griffierecht of een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. I.M. Ludwig, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van F. Voskamp, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 9 februari 2026.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.