ECLI:NL:RBNHO:2026:1001

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
28 januari 2026
Publicatiedatum
4 februari 2026
Zaaknummer
11844289 \ CV EXPL 25-2974
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:230l BWArt. 6:119 BWArt. 6:119a BWArt. 6:96 BWRichtlijn 93/13/EEG
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Gedeeltelijke toewijzing vordering advocaat wegens niet-naleving informatieplicht en oneerlijk incassokostenbeding

Een advocaat vordert betaling van een factuur voor juridische werkzaamheden verricht voor gedaagden in een echtscheidingszaak. Gedaagden betwisten dat een overeenkomst is gesloten en stellen dat slechts een vrijblijvende offerte is gevraagd. De kantonrechter oordeelt dat wel degelijk een overeenkomst van opdracht tot stand is gekomen op 29 februari 2024, bevestigd per e-mail op 8 maart 2024.

De kantonrechter stelt vast dat de advocaat niet heeft voldaan aan de precontractuele informatieplicht zoals bedoeld in artikel 6:230l BW, omdat de totale prijs pas na het sluiten van de overeenkomst werd verstrekt. Dit leidt tot gedeeltelijke vernietiging van de overeenkomst, met een prijsvermindering van 20%. Daarnaast worden de buitengerechtelijke incassokosten afgewezen omdat het incassokostenbeding in de algemene voorwaarden een oneerlijk beding bevat dat afwijkt van de wettelijke regels.

De kantonrechter veroordeelt gedaagden hoofdelijk tot betaling van € 424,50 plus wettelijke rente vanaf 27 mei 2025 en tot betaling van proceskosten van € 475,90. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad en het meer of anders gevorderde wordt afgewezen.

Uitkomst: De vordering van de advocaat wordt gedeeltelijk toegewezen met een prijsvermindering van 20% en afwijzing van de buitengerechtelijke incassokosten.

Uitspraak

RECHTBANKNOORD-HOLLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Alkmaar
Zaaknummer: 11844289 \ CV EXPL 25-2974 (BvdL)
Vonnis van 28 januari 2026
in de zaak van
ZAAN ADVOCATEN B.V.,
te Zaanstad,
eisende partij,
hierna te noemen: Zaan Advocaten,
gemachtigde: mr. A.C. Berkel,
tegen

1.[gedaagde 1] ,

te [plaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde 1] ,
procederend in persoon,
2.
[gedaagde 2],
te [plaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde 2] ,
niet verschenen.
De zaak in het kort
Een advocaat vordert betaling van een factuur voor werkzaamheden die voor gedaagden zijn verricht. Gedaagde vindt dat de advocaat niets te vorderen heeft omdat geen opdracht is gegeven. Volgens gedaagde is om een vrijblijvende offerte gevraagd die niet is geaccepteerd. De kantonrechter oordeelt dat wel een overeenkomst is gesloten, zodat gedaagden moeten betalen voor het door de advocaat verrichte werk.
Toch wordt een deel van de vordering afgewezen omdat de advocaat niet heeft voldaan aan de op haar rustende precontractuele informatieplicht. Daarom vernietigt de kantonrechter de overeenkomst tussen partijen gedeeltelijk, in de vorm van een prijsvermindering van 20%. Verder worden de buitengerechtelijke incassokosten afgewezen, omdat de algemene voorwaarden van de advocaat op dit punt een oneerlijk beding bevatten.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding met producties
- de conclusie van antwoord van [gedaagde 1]
- de conclusie van repliek
- de conclusie van dupliek van [gedaagde 1] .
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De feiten

2.1.
[gedaagde 1] en [gedaagde 2] waren met elkaar gehuwd. [gedaagde 1] heeft telefonisch contact opgenomen met Zaan Advocaten in verband met een voorgenomen echtscheiding. Vervolgens zijn [gedaagde 1] en [gedaagde 2] op 29 februari 2024 bij Zaan Advocaten op kantoor geweest voor een bespreking met [advocaat] .
2.2.
Op 8 maart 2024 heeft [advocaat] namens Zaan Advocaten een e-mail aan [gedaagde 1] en [gedaagde 2] gestuurd waarin hij schrijft de opdracht tot juridische ondersteuning te bevestigen. Verder bevat de e-mail een samenvatting van hetgeen op 29 februari 2024 inhoudelijk is besproken en een opgave van de kosten, te weten griffierecht (€ 320,00), uittreksels uit de GBA (ongeveer € 16,60 per uittreksel) en KvK (minder dan € 3,00 per uittreksel) en honorarium. Over het honorarium staat in de e-mail dat is besproken dat het uurtarief € 266,20 inclusief btw bedraagt, met een omschrijving van de verwachte werkzaamheden en bijbehorende tijdsbesteding van naar schatting 12,5 tot 13,5 uur, waarbij het honorarium zou uitkomen op € 3.327,50 tot € 3.593,70 inclusief btw.
2.3.
In een e-mail van 13 maart 2024 heeft [gedaagde 1] , mede uit naam van [gedaagde 2] , gereageerd op de inhoudelijke kant van de zaak en de door Zaan Advocaten gevraagde aanvullende informatie.
2.4.
Vervolgens heeft Zaan Advocaten in een e-mail van 19 maart 2024 aan [gedaagde 1] en [gedaagde 2] kenbaar gemaakt dat – kort gezegd – [advocaat] de gewenste aanpassingen niet uitvoerbaar en/of onwenselijk vindt, zodat hij [gedaagde 1] en [gedaagde 2] voor de keuze stelt om ofwel in goede samenwerking een correcte echtscheiding tot stand te brengen op basis van alle door Zaan Advocaten nodig geachte informatie, ofwel de opdracht terug te geven.
2.5.
In een factuur van 6 mei 2024 heeft Zaan Advocaten een bedrag van € 663,73 inclusief btw in rekening gebracht, bestaande uit uittrekselkosten (€ 24,85) en honorarium (1,4 uur voor de bespreking op 29 februari 2024 en 1 uur voor correspondentie op 8 maart 2024 tegen het uurtarief van € 266,20 inclusief btw).
2.6.
Naar aanleiding van een betalingsherinnering schrijft [gedaagde 1] in een e-mail van 23 juli 2024 aan Zaan Advocaten het intakegesprek te willen betalen, maar niet te willen betalen voor de ongevraagde mening van de advocaat in de daarop volgende mailwisseling, die volgens [gedaagde 1] bovendien niet zoveel tijd kan hebben gekost.
2.7.
In reactie daarop schrijft Zaan Advocaten op 24 juli 2024 dat de e-mail waarop [gedaagde 1] doelt dateert van 19 maart 2024 en dat de daaraan bestede tijd geen deel uitmaakt van de factuur van 6 mei 2024.
2.8.
Na herhaald bezwaar van [gedaagde 1] heeft Zaan Advocaten op 23 september 2024 voorgesteld het honorarium voor de correspondentie op 8 maart 2024 te matigen met een half uur (dus € 133,10 inclusief btw), zodat het verminderde factuurbedrag € 530,63 bedraagt. Daarvoor heeft Zaan Advocaten op 11 november 2024 een creditfactuur verstrekt.
2.9.
Na verschillende betalingsherinneringen per e-mail heeft Zaan Advocaten in twee afzonderlijke brieven van 27 mei 2025 [gedaagde 1] en [gedaagde 2] gesommeerd het openstaande bedrag van € 530,63 uiterlijk op 11 juni 2025 te betalen.
2.10.
[gedaagde 1] en [gedaagde 2] hebben het factuurbedrag niet betaald.

3.Het geschil

3.1.
Zaan Advocaten vordert hoofdelijke veroordeling van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] tot betaling van € 530,63, vermeerderd met buitengerechtelijke kosten (€ 79,59), wettelijke rente en de proceskosten. Zaan Advocaten legt aan de vordering ten grondslag – samengevat – dat op 29 februari 2024 een overeenkomst van opdracht tot stand is gekomen, die op 8 maart 2024 aan [gedaagde 1] en [gedaagde 2] is bevestigd, op grond waarvan kosten zijn gemaakt en werkzaamheden zijn verricht die [gedaagde 1] en [gedaagde 2] als opdrachtgevers moeten betalen tegen het afgesproken tarief.
3.2.
[gedaagde 1] voert verweer. Hij betwist dat een overeenkomst is gesloten en voert aan – samengevat – dat in het gesprek op 29 februari 2024 om een vrijblijvende offerte van Zaan Advocaten is gevraagd, dat [gedaagde 1] en [gedaagde 2] niet voor Zaan Advocaten hebben gekozen en dat Zaan Advocaten vooraf geen kennisgeving heeft gedaan van kosten verbonden aan het gesprek en/of de daarop volgende e-mail.
3.3.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

4.De beoordeling

4.1.
In deze zaak vordert Zaan Advocaten veroordeling van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] tot betaling van € 530,63. Daarvan betreft € 24,85 kosten voor uittreksels en € 505,78 honorarium voor tijd die [advocaat] heeft besteed aan het gesprek op 29 februari 2024 en het opstellen van de e-mail van 8 maart 2024.
[gedaagde 2] is niet in de procedure verschenen
4.2.
Met Zaan Advocaten is de kantonrechter van oordeel dat [gedaagde 2] niet in deze procedure is verschenen. Weliswaar stelt [gedaagde 1] in zijn conclusie van dupliek dat hij ook voor de rechten van [gedaagde 2] opkomt, maar hij heeft daarvoor geen machtiging van [gedaagde 2] overgelegd en zowel de conclusie van antwoord als de conclusie van dupliek zijn niet door [gedaagde 2] ondertekend.
Partijen hebben een overeenkomst van opdracht gesloten
4.3.
Zaan Advocaten baseert haar vordering op een overeenkomst van opdracht die is gesloten op 29 februari 2024 en op 8 maart 2024 per e-mail aan [gedaagde 1] en [gedaagde 2] is bevestigd. [gedaagde 1] betwist dat een overeenkomst tot stand is gekomen. Volgens [gedaagde 1] is op 29 februari 2024 slechts gevraagd om een vrijblijvende offerte, waarvan [gedaagde 1] en [gedaagde 2] geen gebruik hebben gemaakt. Dit verweer slaagt niet en de kantonrechter licht dit als volgt toe.
4.4.
Voor het ontstaan van een overeenkomst van opdracht geldt, anders dan [gedaagde 1] lijkt te betogen, geen schriftelijkheidseis. Het is dus niet nodig dat een contract wordt opgesteld dat door alle partijen is ondertekend. Een overeenkomst komt tot stand door aanbod en aanvaarding. Partijen moeten het eens zijn over de belangrijkste onderdelen van de opdracht, in dit geval de door Zaan Advocaten te verrichten werkzaamheden en de daarvoor door [gedaagde 1] en [gedaagde 2] te betalen prijs.
4.5.
[gedaagde 1] betwist niet dat hij zich tot Zaan Advocaten heeft gewend voor rechtsbijstand bij een voorgenomen echtscheiding. Verder staat vast dat [gedaagde 1] en [gedaagde 2] op 29 februari 2024 met [advocaat] hebben gesproken over de door hem te verrichten werkzaamheden. Dat blijkt uit de door Zaan Advocaten overgelegde gespreksaantekeningen van [advocaat] en de ‘opdrachtbevestiging’ van 8 maart 2024 waarin uitgebreid wordt ingegaan op de wensen van [gedaagde 1] en [gedaagde 2] . In die e-mail is beschreven wat op 29 februari 2024 is besproken over het gezamenlijk verzoek tot echtscheiding, het ouderschapsplan, de afwikkeling van het huwelijksgoederenregime, de partneralimentatie en de verevening van pensioenrechten. [gedaagde 1] betwist niet dat deze onderwerpen zijn besproken. Ook schrijft [advocaat] in zijn e-mail welke informatie hij nog nodig heeft om zijn werkzaamheden te kunnen verrichten. Wat de kosten betreft staat in eerdergenoemde gespreksaantekeningen dat deze onderwerp van gesprek zijn geweest, waarbij het griffierecht, uittreksels en het uurtarief van [advocaat] (€ 220,00 + btw) zijn benoemd met vermelding van ‘begroting’. De e-mail van 8 maart 2024 bevat een opgave van de kosten met onder meer het besproken uurtarief van € 266,20 inclusief btw en een begroting van het geschatte totale honorarium voor de werkzaamheden (€ 3.327,50 tot € 3.593,70 inclusief btw).
4.6.
De kantonrechter is met Zaan Advocaten van oordeel dat [gedaagde 1] in zijn antwoord e-mail van 13 maart 2024 zodanig uitvoerig inhoudelijk is ingegaan op de e-mail van 8 maart, dat bij Zaan Advocaten op z’n minst het gerechtvaardigd vertrouwen heeft kunnen ontstaan dat tussen partijen een overeenkomst van opdracht tot stand was gekomen. In zijn reactie heeft [gedaagde 1] aanpassingen gemaakt in, en vragen gesteld over de inhoudelijke samenvatting die [advocaat] heeft gegeven van de besproken onderwerpen. [gedaagde 1] eindigt zijn e-mail van 13 maart met:
“Mocht het zo zijn dat de gemaakte punten de echtscheiding belemmeren, graag een passende oplossing of de reden waarom het niet mogelijk is toelichten a.u.b.!”. Ook dit duidt op het bestaan van een overeenkomst van opdracht.
4.7.
Zaan Advocaten betwist gemotiveerd dat [gedaagde 1] op 29 februari 2024 alleen om een vrijblijvende offerte heeft gevraagd en dat hij daarvan geen gebruik heeft willen maken. [gedaagde 1] heeft zijn stelling niet onderbouwd en het dossier bevat daarvoor geen aanknopingspunten. Als sprake was geweest van een vrijblijvende offerte dan was met name de e-mail van 13 maart 2024 voor [gedaagde 1] het moment geweest om aan Zaan Advocaten duidelijk te maken dat van haar diensten geen gebruik werd gemaakt. Dat is niet gebeurd. Uit de eigen stellingen van [gedaagde 1] blijkt dat hij op een later moment is afgehaakt omdat Zaan Advocaten niet naar de wensen van hem en [gedaagde 2] wilde luisteren. Ook dit is een aanwijzing dat wel degelijk een overeenkomst is gesloten. Onenigheid over de wijze van uitvoering van de opdracht heeft er kennelijk toe geleid dat deze voortijdig is beëindigd.
4.8.
Het voorgaande leidt tot de conclusie dat op 29 februari 2024 een overeenkomst van opdracht tot stand is gekomen. [gedaagde 1] voert geen verweer tegen de gevorderde kosten voor uittreksels en heeft onvoldoende betwist dat de werkzaamheden waarvan Zaan Advocaten betaling vordert daadwerkelijk zijn verricht. Daarmee is het uitgangspunt dat [gedaagde 1] en [gedaagde 2] daarvoor moeten betalen.
De afgesproken prijs
4.9.
De kantonrechter neemt als vaststaand aan dat voorafgaand aan het sluiten van de overeenkomst tussen partijen is besproken dat Zaan Advocaten een uurtarief zou hanteren van € 220,00 te vermeerderen met btw. Dit blijkt uit de gespreksaantekeningen van [advocaat] van 29 februari 2024, staat in de opdrachtbevestiging van Zaan Advocaten van 8 maart 2024 en wordt niet weersproken in de e-mail van [gedaagde 1] van 13 maart 2024. Niet is gesteld of gebleken dat partijen hebben afgesproken dat het gesprek op 29 februari 2024 en de daarop volgende e-mail kosteloos zouden zijn.
4.10.
Zaan Advocaten heeft in de e-mail van 8 maart 2024 een begroting van de kosten van de dienstverlening gegeven, waarbij de totale tijdsbesteding is ingeschat op 12,5 tot 13,5 uur, waardoor het honorarium zou kunnen uitkomen op € 3.327,50 tot € 3.593,70 inclusief btw. Deze begroting is aanvaard. Dat er op dat moment reeds werkzaamheden waren verricht waarvan betaling wordt gevorderd, brengt niet mee dat deze onbezoldigd moeten blijven.
4.11.
Toch wordt een deel van de gevorderde hoofdsom afgewezen. Hierna wordt uitgelegd waarom.
Ambtshalve toetsing van het kostenbeding
4.12.
De overeenkomst die aan de vordering ten grondslag ligt is gesloten tussen Zaan Advocaten als handelaar en [gedaagde 1] en [gedaagde 2] als consumenten. Daarom moet ambtshalve, dus ook als dat door partijen niet aan de orde is gesteld, worden getoetst aan het Europese en Nederlandse consumentenrecht.
4.13.
De kantonrechter is gelet op het Dexia-arrest [1] , gehouden om onderzoek te doen naar (mogelijk) oneerlijke bedingen in een met een consument gesloten overeenkomst en in algemene voorwaarden. Volgens Richtlijn 93/13/EEG betreffende oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten (hierna: Richtlijn oneerlijke bedingen) is een beding oneerlijk wanneer dit het evenwicht tussen de wederzijdse rechten en verplichtingen ten nadele van de consument aanzienlijk verstoort.
4.14.
De prijs die is afgesproken wordt ook wel een kostenbeding genoemd. Het kostenbeding is een kernbeding, dat in beginsel niet wordt getoetst op oneerlijkheid in de zin van de Richtlijn oneerlijke bedingen, behalve als het niet transparant is. Van een advocaat mag verwacht worden dat voor het sluiten van de overeenkomst een realistische inschatting wordt gegeven van de tijd die vermoedelijk nodig is voor de behandeling van de zaak, zodat de consument in staat wordt gesteld de financiële gevolgen van de overeenkomst te overzien. In dit geval heeft Zaan Advocaten weliswaar een duidelijke inschatting gegeven van de totale tijdsbesteding, maar pas nadat de overeenkomst was gesloten en nadat de werkzaamheden waar het in deze zaak over gaat waren verricht. Bij het sluiten van de overeenkomst op 29 februari 2024 is alleen het uurtarief besproken. Volgens vaste rechtspraak is een kostenbeding waarin uitsluitend een uurtarief wordt genoemd niet transparant.
4.15.
Omdat echter het tussen partijen overeengekomen uurtarief marktconform is, verstoort het kostenbeding naar het oordeel van de kantonrechter niet in strijd – met de goede trouw – het evenwicht ten nadele van de gedaagde partij. [2] Het beding is daardoor niet oneerlijk en [gedaagde 1] en [gedaagde 2] zijn in beginsel gehouden tot betaling van de openstaande factuur.
Ambtshalve toetsing van de (pre)contractuele informatieplichten
4.16.
De kantonrechter moet vervolgens beoordelen of bij het sluiten van de overeenkomst is voldaan aan de (pre)contractuele informatieverplichtingen. Dat aan deze plichten is voldaan, moet gemotiveerd worden gesteld en onderbouwd. De kantonrechter moet er ambtshalve op toezien dat die voorschriften worden nageleefd, dus ook als er geen verweer is gevoerd.
4.17.
Zoals hiervoor is vastgesteld is de overeenkomst gesloten tijdens een bespreking op het kantoor van Zaan Advocaten. De vordering is dus gebaseerd op een overeenkomst anders dan een overeenkomst op afstand of buiten de verkoopruimte gesloten. Bij het sluiten van dergelijke overeenkomsten moet de handelaar voldoen aan de wettelijke precontractuele informatieplichten van artikel 6:230l van het Burgerlijk Wetboek (BW).
4.18.
De kantonrechter is van oordeel dat Zaan Advocaten voorafgaand aan het sluiten van de overeenkomst niet heeft voldaan aan de informatieplicht als bedoeld in artikel 6:230l onder c BW. Op grond van deze bepaling had Zaan Advocaten de plicht om voordat [gedaagde 1] en [gedaagde 2] door de overeenkomst waren gebonden duidelijk de totale prijs van de diensten te verstrekken of, als de prijs redelijkerwijs niet vooraf kan worden berekend, de manier waarop de prijs moet worden berekend. Zoals gezegd heeft Zaan Advocaten dit pas op 8 maart 2024 gedaan, terwijl de overeenkomst op 29 februari 2024 is gesloten. Daarom is niet duidelijk geworden dat [gedaagde 1] en [gedaagde 2] ook wisten wat, en zo ja hoeveel, zij voor de intake moesten betalen. Voor schending van deze essentiële informatieplicht zal een sanctie worden toegepast.
4.19.
Gelet op de jurisprudentie van het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJ EU) en onder meer het arrest van de Hoge Raad van 12 november 2021 [3] moet de kantonrechter aan de schending van de informatieplichten gevolgen verbinden door passende maatregelen te nemen die de consument effectieve rechtsbescherming bieden. Die maatregelen moeten doeltreffend, afschrikwekkend en evenredig zijn.
4.20.
Met het oog op voornoemde Europeesrechtelijke beginselen en jurisprudentie van het HvJ EU en de Hoge Raad, zal de kantonrechter de overeenkomst gedeeltelijk vernietigen, te weten voor 20% van de door de [gedaagde 1] en [gedaagde 2] verschuldigde hoofdsom, zodat een bedrag van € 424,50 (€ 530,63 x 0,8) aan hoofdsom zal worden toegewezen.
Ambtshalve toetsing van de algemene voorwaarden / de buitengerechtelijke incassokosten
4.21.
Uit de overgelegde stukken blijkt dat op de overeenkomst de ‘Algemene voorwaarden Zaan Advocaten B.V. te Zaandam’ (hierna: de algemene voorwaarden) van toepassing zijn. Ook hiervoor geldt dat de kantonrechter moet onderzoeken of daarin oneerlijke bedingen zijn opgenomen. Als dat het geval is, moet het beding worden vernietigd en moet de vordering op dat onderdeel worden afgewezen (ook als de eisende partij in de procedure een beroep doet op wettelijke bepalingen in plaats van op die contractuele afspraak, zoals Zaan Advocaten in dit geval doet).
4.22.
Artikel 4 van Pro de algemene voorwaarden bepaalt:
‘Betaling van declaraties van de advocaat dienen te geschieden binnen 14 dagen na factuurdatum. Bij overschrijding van deze termijn is de cliënt van rechtswege in verzuim en is een vertragingsrente, gelijk aan de wettelijke rente, verschuldigd ex art 6:119, of bij een handelsovereenkomst, ex art 6:119a BW. (…) Indien Zaan Advocaten invorderingsmaatregelen treft tegen de cliënt die in verzuim is, komen de kosten, vallende op die invordering, met een minimum van 15 procent van het openstaande saldo, ten laste van de cliënt.’
4.23.
Het beding is wat betreft de rente niet oneerlijk, omdat het op dat punt aansluit bij de wet.
4.24.
Wat betreft de incassokosten wordt echter ten nadele van de consument afgeweken van het bepaalde in artikel 6:96 BW Pro en het Besluit vergoeding buitengerechtelijke incassokosten. Er is namelijk geen maximum opgenomen, wat ertoe leidt dat onbeperkte kosten voor rekening van de consument zouden kunnen komen. Dat zou tot gevolg hebben dat de consument belast wordt met hogere kosten dan wettelijk is toegestaan. Ook is in dit geval de bedongen vergoeding altijd ten minste 15% van de hoofdsom en daarmee hoger dan de wettelijke vergoeding. Tot slot volgt uit de tekst van het beding dat de incassokosten al verschuldigd zijn zodra de consument in verzuim verkeert, terwijl de wettekst voorschrijft dat éérst nog een zogenoemde veertiendagenbrief moet worden verstuurd. Het beding is daarom oneerlijk, zodat de gevorderde buitengerechtelijke incassokosten niet toewijsbaar zijn.
De conclusie, wettelijke rente en proceskosten
4.25.
Aan hoofdsom wordt toegewezen een bedrag van € 424,50, zowel in de zaak tegen [gedaagde 1] als tegen [gedaagde 2] . De afwijzing van een deel van de vordering is immers het gevolg van de ambtshalve toetsing die plaatsvindt ook als er geen verweer is gevoerd.
4.26.
De wettelijke rente over € 424,50 zal worden toegewezen vanaf 27 mei 2025, zoals gevorderd, omdat [gedaagde 1] en [gedaagde 2] dit bedrag niet tijdig hebben betaald en daarmee in verzuim zijn gekomen.
4.27.
[gedaagde 1] en [gedaagde 2] zijn grotendeels in het ongelijk gesteld en moeten daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. Omdat een deel van de vordering van Zaan Advocaten niet toewijsbaar is, worden [gedaagde 1] en [gedaagde 2] ten aanzien van het griffierecht slechts veroordeeld tot betaling van het griffierecht dat verschuldigd is voor het toe te wijzen bedrag, te weten € 139,00. Het meerdere, dat op grond van de dagvaarding aan Zaan Advocaten in rekening is gebracht, moet voor rekening van Zaan Advocaten blijven. Ook het toe te wijzen salaris gemachtigde wordt aangepast aan het toewijsbare deel van de vordering. Dit betekent dat de proceskosten van Zaan Advocaten worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
131,90
- griffierecht
139,00
- salaris gemachtigde
164,00
(2 punten × € 82,00)
- nakosten
41,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
475,90
4.28.
De veroordeling wordt deels hoofdelijk uitgesproken. Dat betekent dat iedere veroordeelde kan worden gedwongen het hele bedrag te betalen. Als de één (een deel) betaalt, hoeft de ander dat (deel van het) bedrag niet meer te betalen.

5.De beslissing

De kantonrechter
5.1.
veroordeelt [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hoofdelijk om aan Zaan Advocaten te betalen een bedrag van € 424,50, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over het toegewezen bedrag, met ingang van 27 mei 2025, tot de dag van volledige betaling,
5.2.
veroordeelt [gedaagde 1] en [gedaagde 2] hoofdelijk in de proceskosten van € 475,90, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde 1] en [gedaagde 2] niet tijdig aan de veroordelingen voldoen en het vonnis daarna wordt betekend,
5.3.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
5.4.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. J.S. Reid en in het openbaar uitgesproken op 28 januari 2026.

Voetnoten

1.HvJ EU 27 januari 2021, C‑229/19 en C‑289/19, ECLI:EU:C:2021:68 (Dexia).
2.ECLI:NL:GHAMS:2024:3269, r.o. 2.5 e.v.