De rechtbank Noord-Holland heeft op 28 mei 2025 uitspraak gedaan in de zaak tegen een verdachte die werd verdacht van het opzettelijk invoeren van 2.011,3 gram cocaïne via Schiphol. De verdachte ontkende bewust te zijn geweest van de drugs in zijn koffer en voerde aan dat hij geen (voorwaardelijk) opzet had. De rechtbank oordeelde echter dat de verdachte bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat zijn koffer drugs bevatte, mede gelet op zijn relatie met de persoon van wie hij de koffer ontving en het feit dat hij contact moest opnemen bij aankomst in China.
De rechtbank stelde vast dat de verdachte verantwoordelijk is voor de inhoud van zijn bagage en dat er geen bijzondere omstandigheden waren die het ontbreken van opzet konden rechtvaardigen. De hoeveelheid cocaïne was aanzienlijk en bestemd voor verdere verspreiding, wat de ernst van het feit onderstreepte. Hoewel de officier van justitie een gevangenisstraf van 24 maanden vorderde, besloot de rechtbank gelet op de persoonlijke omstandigheden en medische situatie van de verdachte enigszins af te wijken van de LOVS-oriëntatiepunten en legde een gevangenisstraf van 22 maanden op.
De rechtbank verklaarde het ten laste gelegde feit bewezen en sprak verdachte vrij van overige tenlasteleggingen. De tijd in voorarrest wordt in mindering gebracht op de straf. De uitspraak werd gedaan door een meervoudige strafkamer onder voorzitterschap van mr. M. Rigter.