De verhuurders vorderden ontruiming van de woning wegens dringend eigen gebruik, omdat zij de woning aan hun meerderjarige zoon wilden geven. Daarnaast stelden zij dat huurders tekort waren geschoten door het houden van katten en een betalingsachterstand. De kantonrechter oordeelde dat in kort geding grote terughoudendheid geldt bij ontruiming vanwege de ingrijpende gevolgen voor huurders.
De kantonrechter stelde dat de vordering alleen kan worden toegewezen als in een bodemprocedure met grote waarschijnlijkheid de huurovereenkomst wordt beëindigd en ontruiming wordt uitgesproken. Dit was onvoldoende aannemelijk, mede omdat de verhuurders niet konden aantonen dat passende woonruimte voor de huurders beschikbaar is. Het belang van de minderjarige kinderen bij behoud van de woning woog zwaar.
De betalingsachterstand was ontstaan door een terugwerkende huurprijsindexatie, waarvoor een betalingsregeling was getroffen en nagekomen. De vermeende tekortkomingen, zoals het houden van katten en plaatsen van een kattenluik, waren van onvoldoende gewicht om ontbinding te rechtvaardigen. De vorderingen werden daarom afgewezen en verhuurders werden veroordeeld in de proceskosten.