Uitspraak
RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Woningstichting Kennemer Wonen
Rechtbank Noord-Holland
De zaak betreft een vordering van eiser, de broer van de overleden huurder van een sociale huurwoning, die de huur van de woning wilde voortzetten. De huurder, de broer, was sinds 2006 huurder van de woning, die oorspronkelijk sinds 1949 door de ouders werd bewoond. Eiser stond sinds 2021 ingeschreven op het adres en had toestemming gekregen om in te wonen, maar geen medehuurderschap.
Eiser baseerde zijn vordering op medehuur en voortzetting van de huur op grond van artikel 7:267 en Pro 7:268 BW. De verhuurder, Kennemer Wonen, betwistte dit en stelde dat eiser niet voldeed aan de wettelijke voorwaarden, zoals het ontbreken van een duurzame gemeenschappelijke huishouding en het ontbreken van een huisvestingsvergunning. Eiser heeft zijn stellingen onvoldoende onderbouwd en verweerde zich niet inhoudelijk tegen het gemotiveerde verweer.
De kantonrechter oordeelde dat eiser geen medehuurder is en dat de huur niet kan worden voortgezet. De huurovereenkomst eindigde per 1 januari 2025. De tegenvordering tot ontruiming werd toegewezen, waarbij eiser werd veroordeeld de woning uiterlijk 1 februari 2026 te ontruimen. Tevens werd eiser veroordeeld tot betaling van een gebruiksvergoeding vanaf 1 december 2025 en proceskosten. Het vonnis werd uitvoerbaar bij voorraad verklaard vanwege het ontbreken van een reële kans van slagen van de vordering en de schaarste aan sociale huurwoningen.
Uitkomst: De vordering tot voortzetting van de huur wordt afgewezen en eiser wordt veroordeeld tot ontruiming van de woning voor 1 februari 2026.