ECLI:NL:RBNHO:2025:15815

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
19 december 2025
Publicatiedatum
26 januari 2026
Zaaknummer
HAA 23/6693
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toepassing van de Wet schadefonds geweldsmisdrijven en de verrekening van schadevergoeding

In deze uitspraak van de Rechtbank Noord-Holland op 19 december 2025, in de zaak HAA 23/6693, wordt het beroep van eiseres tegen het besluit van de Commissie Schadefonds Geweldsmisdrijven (CSG) beoordeeld. Eiseres, die slachtoffer is van geweldsmisdrijven, had een aanvraag ingediend voor een uitkering van € 10.000,- uit het Schadefonds, maar de CSG besloot om dit bedrag te verrekenen met een eerder toegekende schadevergoeding van € 30.127,56 die zij had ontvangen van het Voorschotfonds. Eiseres was van mening dat deze verrekening onredelijk was en dat de CSG de hardheidsclausule van de wet had moeten toepassen om haar situatie te compenseren.

De rechtbank oordeelt dat de CSG terecht de schadevergoeding heeft verrekend, omdat de wet dit voorschrijft. De rechtbank wijst erop dat de wetgever niet heeft bedoeld om een wettelijke regeling te creëren die een volledige schadevergoeding biedt, maar eerder een vangnet vormt voor slachtoffers. De rechtbank concludeert dat de CSG op toereikende gronden heeft besloten geen toepassing te geven aan de hardheidsclausule, en dat de beslissing niet in strijd is met het evenredigheidsbeginsel. Het beroep van eiseres wordt ongegrond verklaard, wat betekent dat zij geen gelijk krijgt en geen vergoeding van proceskosten ontvangt.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Zittingsplaats Haarlem
Bestuursrecht
zaaknummer: HAA 23/6693

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 19 december 2025 in de zaak tussen

[eiseres] , uit [plaats] , eiseres

(gemachtigde: mr. W.A. Monster),
en

de Commissie Schadefonds Geweldsmisdrijven, de CSG

(gemachtigde: mr. A.M. Hepping).

Inleiding en procesverloop

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het bij het bestreden besluit van 4 september 2023 gehandhaafde besluit van 8 augustus 2022 van de CSG om bij de uitkering uit het Schadefonds Geweldsmisdrijven (het Schadefonds) van € 10.000,-, waarvoor eiseres overeenkomstig letselcategorie 4 in aanmerking zou komen, rekening te houden met (te verrekenen met) de aan eiseres op 21 december 2021 door het Voorschotfonds uitgekeerde schadevergoeding ten bedrage van € 30.127,56, zoals die door de strafrechter aan eiseres is toegewezen in de zaak van een van de daders.
2. Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. De CSG heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
3. Bij brief van 11 augustus 2025 zijn partijen onder meer bericht dat de zaak is verwezen naar een enkelvoudige kamer.
4. De rechtbank heeft het beroep op 8 oktober 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van de CSG.

Beoordeling door de rechtbank

Het geschil
5. Eiseres heeft ter zitting haar beroepsgrond ter zake van door de CSG vastgestelde letselcategorie niet gehandhaafd. Het geschil spitst zich dus gelet op de overige beroepsgronden van eiseres toe op de toegepaste verrekening, en of deze tot een onredelijke of onevenredige toepassing leidt dan wel een toepassing die zou leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard.
Het (samengevatte) standpunt van de CSG zoals blijkt uit het bestreden besluit en het verweerschrift
6.1
De CSG vindt het aannemelijk dat eiseres in de periode van 2 februari tot 4 juli 2020 in [plaats] slachtoffer werd van verschillende geweldsmisdrijven, waaronder het geweldsmisdrijf op 31 mei 2020. Eiseres liep hierbij ernstig letsel op. Op basis van dit letsel zou eiseres in aanmerking komen voor een uitkering uit het schadefonds van € 10.000,-, overeenkomstig letselcategorie 4. Voor de beoordeling van het letsel is medisch advies ingewonnen. Objectief gezien viel het letsel binnen letselcategorie 3, maar gelet op de samenloop van letsels en de impact daarvan, werd afgeweken van de letsellijst en werd letselcategorie 4 passender geacht.
Met toepassing van artikel 6, eerste lid, van de Wet schadefonds geweldsmisdrijven (Wsg) wordt evenwel rekening gehouden met de door de strafrechter aan eiseres toegekende schadevergoeding van € 30.127,56, en in ieder geval met de onder meer daarin begrepen vergoeding voor de immateriële schade ten bedrage van € 15.000,-. Nu dit bedrag hoger is dan de uitkering uit het Schadefonds keert de CSG niets meer aan eiseres uit. De CSG ziet in dit geval, onder meer met verwijzing naar de bedoeling van de wetgever bij de totstandkoming van deze wetgeving en het beleid, geen aanleiding om af te zien van vorenbeschreven verrekening. Van een onredelijke toepassing van de Wsg, zoals uitgewerkt in het beleid, is geen sprake. Dat eiseres in het strafproces uit angst voor represailles enkel in de zaak van een van de (mede)daders schadevergoeding heeft gevorderd, is, hoe begrijpelijk ook, geen omstandigheid om van de wet af te wijken. Het Schadefonds maakt geen onderscheid tussen de daders, de toegekende schadevergoeding ziet op de schade die eiseres opliep door het geweldsmisdrijf.
6.2
In het verweerschrift heeft de CSG onder meer toegelicht dat het niet de bedoeling van de wetgever is geweest om een wettelijke regeling te creëren op basis waarvan schade wordt vergoed in plaats van vergoeding door de dader of op basis waarvan een aanvulling wordt gegeven op een door de dader betaalde schadevergoeding. Dit betekent dat eiseres geen aanspraak maakt op een tegemoetkoming voor zover de dader of een ander de schade heeft vergoed. Het maakt daarbij niet uit wie de vergoeding heeft betaald. De verrekening is gekoppeld aan de schade die is vergoed en niet aan de schade die resteert na vergoeding, omdat een van de daders niet is aangesproken en dus de schade wellicht groter is dan de uitkering van de CSG. Eiseres heeft onvoldoende onderbouwd waarom de verrekening onredelijk zou zijn, anders dan vanuit de onjuiste veronderstelling dat de tegemoetkoming uit het Schadefonds een volledige schadevergoeding zou moeten zijn. De CSG beschouwt het door eiseres opgegeven misdrijf bij haar aanvraag als één complex van feiten. De gebeurtenissen hangen met elkaar samen en hebben te maken met dezelfde aanleiding. De gevolgen van het misdrijf zijn niet van elkaar te scheiden, en het feit dat er twee daders zijn maakt niet dat er twee uitkeringsgronden zijn. Ook is niet van belang welke dader welk bedrag heeft betaald. Bij het op 31 mei 2020 in vereniging gepleegde feit heeft eiseres bij één samenhangende geweldshandeling lichamelijk letsel opgelopen.
Voor toepassing van de in artikel 8 van de Wsg neergelegde hardheidsclausule is geen aanleiding, omdat de toepassing van de Wsg in dit geval heeft geleid tot een toekenning van een tegemoetkoming. Evenmin is er hierom aanleiding om de beslissing in strijd met het evenredigheidsbeginsel te achten.

Toetsingskader7.Artikel 6 van de Wsg, voor zover thans van belang, luidde ten tijde in geding als volgt:

1. Bij het doen van een uitkering wordt rekening gehouden met de schadevergoeding die het slachtoffer langs burgerrechtelijke weg kan verhalen of heeft verhaald en met overige vergoedingen van schade die als gevolg van het misdrijf aan het slachtoffer zijn of kunnen worden verstrekt.
(…)
3. Indien na uitkering de schade op andere wijze wordt of blijkt te zijn vergoed kan de door het slachtoffer verkregen vergoeding alsnog in mindering worden gebracht op het bedrag van de uitkering. De commissie kan het onverschuldigd betaalde terugvorderen.
(…)
Artikel 8, eerste lid, van de Wsg luidde ten tijde in geding als volgt:
Op de aanvraag wordt beslist door een commissie. De commissie kan bij de beoordeling van de aanvraag afwijken van het bepaalde bij deze wet, indien toepassing ervan zou leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard.
8. In de Memorie van Toelichting (Tweede kamer der Staten-Generaal, 2018-2019, 35041, nr. 3) bij artikel 6 van de Wsg staat onder meer het volgende vermeld:

Eerste lid

Het Schadefonds geeft een eenmalige uitkering aan slachtoffers van geweldsmisdrijven die ernstig lichamelijk of geestelijk letsel hebben opgelopen. Bij het doen van een uitkering houdt het Schadefonds rekening met de schadevergoeding die het slachtoffer langs burgerrechtelijke weg (waaronder ook valt de in het strafproces ingediende vordering benadeelde partij) of op andere wijze kan verhalen of heeft verhaald (artikel 6, eerste lid). Het Schadefonds vormt aldus een vangnet. Als de materiële en immateriële schade van het slachtoffer al op andere wijze zijn vergoed, dan is een uitkering uit het fonds niet mogelijk. Het karakter van de uitkering is een tegemoetkoming en erkenning van het slachtofferschap. De uitkering beoogt geen volledige schadevergoeding te zijn, maar het slachtoffer in staat te stellen een stap in de richting van herstel te zetten.
(…)
Derde lid
Op basis van het huidige artikel 6, derde lid, kan het fonds bij het toekennen van een uitkering de reeds door het slachtoffer ontvangen vergoedingen (bijvoorbeeld van de dader of een verzekeringsmaatschappij) in mindering brengen. Dit geldt ook indien het fonds na het doen van de uitkering kennis krijgt van een gedane vergoeding. Hetzelfde geldt indien de rechter aan de dader een schadevergoedingsmaatregel heeft opgelegd op grond van artikel 36f, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht. De Staat neemt dan de inning van de vordering tot schadevergoeding van het slachtoffer op de dader over. Betaalt de dader aan de Staat, dan komt daarmee de aanspraak van het slachtoffer op de uitkering van het fonds te vervallen. De Staat kan dan de van de dader ontvangen gelden in mindering brengen op de uitkering van het fonds. Dit lid geeft hiervoor een uitdrukkelijke grondslag. Tegen de beslissing tot verrekening staat bezwaar en beroep open.
Verder ga ik in op de wijze waarop een betaling door de dader in mindering wordt gebracht op een uitkering van het Schadefonds. Zoals eerder aangegeven beoogt de uitkering van het Schadefonds vooral een erkenning te zijn van het door het misdrijf veroorzaakte leed en onrecht dat het slachtoffer is aangedaan. De uitkering beoogt geen (volledige) schadevergoeding te bieden, maar is een tegemoetkoming. Beleidsmatig is het uitgangspunt dat primair de dader de schade aan het slachtoffer moet vergoeden; het Schadefonds vormt een vangnet. Wanneer de dader, nadat het slachtoffer van het Schadefonds een uitkering heeft gekregen, tot betaling overgaat, wordt dit verrekend met de uitkering van het Schadefonds. Daarbij wordt niet gekeken naar de totale schade die het slachtoffer heeft geleden.
(…)
9. In de Beleidsbundel Schadefonds Geweldsmisdrijven van 1 november 2022 (de Beleidsbundel) is onder meer vermeld:
D. Schade op andere wijze vergoed
Het Schadefonds houdt bij het geven van een uitkering rekening met de schadevergoeding die het slachtoffer, de nabestaande of de naaste langs burgerrechtelijke weg kan verhalen of heeft verhaald en met overige vergoedingen van schade die als gevolg van het misdrijf aan het slachtoffer zijn of kunnen worden verstrekt (artikel 6 lid 1 van de Wet). Een voorbeeld van overige vergoedingen is een ingezameld bedrag via crowdfunding. Als de schade van het slachtoffer, de nabestaande of de naaste al op andere wijze is vergoed, dan is een uitkering uit het Schadefonds niet mogelijk. De tegemoetkoming uit het Schadefonds is immers bedoeld als vangnet en wordt alleen toegewezen in het geval op de dader geen schade kan worden verhaald. De uitkering heeft daarmee uitdrukkelijk een voorwaardelijk en tegemoetkomend karakter.
D.1 Schadevergoedingen waarmee het Schadefonds rekening houdt
De uitkeringen van het Schadefonds zijn bedoeld als tegemoetkoming in immateriële schade en financiële schade, die een rechtstreeks gevolg zijn van letsel of overlijden door een geweldsmisdrijf. De uitkeringen zijn echter ongedifferentieerd. Dat wil zeggen dat niet is bepaald welk gedeelte van de uitkeringen bedoeld is voor welke schade. Onder financiële schade verstaat het Schadefonds: kosten voor herstel (van het letsel) en schade wegens verlies van arbeidsvermogen. Is een vergoeding voor deze twee schadeposten of voor immateriële schade al op andere wijze ontvangen, dan brengt het Schadefonds deze vergoeding in mindering op de uitkering. (…)
D.2 Verrekenen en terugvorderen
De in hoofdstuk D.1 genoemde schadevergoedingen brengt het Schadefonds in beginsel altijd in mindering op de uitkering. Het Schadefonds noemt dit verrekenen.
Verrekenen tijdens de behandeling van de aanvraag
Wanneer tijdens de behandeling van een aanvraag duidelijk is dat bepaalde schade op andere wijze (deels) is vergoed (bijvoorbeeld door de dader, een werkgever als het geweldsmisdrijf tijdens de uitoefening van het werk plaatsvond, of een WA-verzekering), dan kan het Schadefonds deze vergoeding volledig of voor een deel in mindering brengen op de uitkering (…)
De beoordeling
10.1
De rechtbank is met de CSG van oordeel dat eiseres niet kan worden gevolgd in haar standpunt dat de zaken van dader 1 en dader 2 moeten worden beschouwd als twee afzonderlijke zaken en om deze reden geen toepassing zou moeten worden gegeven aan het bepaalde in artikel 6, eerste lid, van de Wsg. Daarvoor ziet de rechtbank gelet op het bepaalde in de Wsg en hiervoor aangehaalde toetsingskader geen aanknopingspunten.
Verder stelt de rechtbank vast dat het bepaalde in het eerste lid van artikel 6 van de Wsg imperatief is geformuleerd, en er bij toepassing van dit artikellid, dat betrekking heeft op het moment van het doen van een uitkering, aan de CSG geen ruimte wordt gelaten. De Memorie van Toelichting die ter zake stelt dat een uitkering uit het fonds “dan niet mogelijk is”, bevestigt die lezing. Hieruit blijkt voorts dat in dit geval sprake is van een bewuste keuze van de wetgever. De CSG heeft ter zitting toegelicht dat voor zover in de Beleidsbundel (onder het opschrift
Verrekenen tijdens de behandeling van de aanvraag) dit niet-imperatief is omschreven, niet is bedoeld om van het eerste lid van artikel 6 af te wijken. De tekst in de Beleidsbundel lijkt niet geheel in overeenstemming te zijn gebracht met de tekst van artikel 6 van de wet zoals die luidt sinds de wijziging in 2019.
Het derde lid van artikel 6, dat ziet op de situatie nadat ná uitkering de schade op andere wijze wordt of blijkt te zijn vergoed, is naar het oordeel van de rechtbank in dit geval niet rechtstreeks van toepassing.
Uit het vorenstaande volgt dat de ruimte die de CSG bij onredelijke toepassing toekomt, dient te worden gevonden in de toepassing van de in artikel 8 van de Wsg neergelegde hardheidsclausule.
10.2
Eiseres heeft daartoe - samengevat - aangevoerd dat zij zich niet erkend voelt in het leed en onrecht dat haar en haar kinderen is aangedaan door de reeks doelgerichte aanslagen in de periode van 2 februari 2020 tot en met 6 juli 2020. Eiseres heeft altijd nog – bijna 5 jaar later – dagelijks fysiek en mentaal last van de gevolgen van deze misdrijven. Bovendien blijft eiseres zitten met een schadepost die oploopt tot tienduizenden euro’s die niet verhaalbaar op de dader is. Eiseres stelt zich op het standpunt dat haar aanvraag gelet op het doel en de strekking van de hardheidsclausule moet worden toegewezen, zonder dat verrekend wordt. De hardheidsclausule is bij uitstek het bestuursrechtelijke middel om in schrijnende gevallen een onredelijke uitkomst te corrigeren. Zij verwijst daarbij naar een uitspraak van de rechtbank Den Haag [1] . Een uitkering is juist bedoeld om tegemoet te komen in een schrijnende situatie.
10.3
In de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 10 mei 2023 op het hoger beroep van de CSG tegen de door haar aangehaalde uitspraak [2] is over de toepassing van de hardheidsclausule onder meer het volgende overwogen:
Uit artikel 8, eerste lid, van de Wsg volgt dat de CSG bij de beoordeling van de aanvraag kan afwijken van het bepaalde bij de Wsg, indien toepassing daarvan zou leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard. Uit de toelichting op deze bepaling (zie Kamerstukken II, 2010/2011, 32 363, nr. 11) blijkt dat de wetgever heeft bedoeld om met deze bepaling een algemene hardheidsclausule in de Wsg in te voegen. Hierdoor kan de CSG in zeer schrijnende gevallen, waarin de letterlijke tekst van de wet geen mogelijkheid biedt, toch overgaan tot een vergoeding uit het schadefonds. De CSG kan met deze bepaling handelen naar de geest van de wet, ondanks het feit dat een uitkering niet past bij de letter van de wet. Uit de toelichting volgt verder dat bijzondere omstandigheden die zijn aangevoerd moeten worden meegewogen in de beslissing van de CSG. (…) De CSG moet alle omstandigheden van het geval in haar beoordeling betrekken en bezien of deze op zichzelf dan wel tezamen met andere omstandigheden, moeten worden aangemerkt als bijzondere omstandigheden die maken dat de weigering van een uitkering in geval van schade als gevolg van het opzettelijk gepleegde geweld leidt tot een onbillijkheid van overwegende aard. De Afdeling merkt daarbij op dat de in de Wsg opgenomen hardheidsclausule alleen van toepassing is in zeer schrijnende gevallen. (…) Ook tekent de Afdeling aan dat de hardheidsclausule een bijzondere bevoegdheid is. Het is naar haar aard een bevoegdheid die terughoudend kan worden toegepast. (…) De bestuursrechter kan toetsen of het bestuursorgaan op toereikende gronden heeft besloten om al dan niet toepassing te geven aan de hardheidsclausule, maar moet gelet op de daarbij aan de CSG toekomende beleids- en beoordelingsruimte terughoudendheid betrachten (…).
10.4
Naar het oordeel van de rechtbank heeft de CSG op toereikende gronden besloten geen toepassing te geven aan de hardheidsclausule. Daarbij heeft de CSG naast hetgeen de bedoeling van de wetgever is geweest ook in aanmerking mogen nemen dat met de toepassing van de Wsg een tegemoetkoming is vastgesteld, al is deze als gevolg van het in mindering brengen van de ontvangen schadevergoeding niet uitgekeerd. Zonder af te doen aan het leed en onrecht dat eiseres is aangedaan en de nog voortdurende gevolgen daarvan, wijst de rechtbank erop dat daarin wel de erkenning is gelegen, ook al voelt eiseres dat anders.
Gelet op het vorenstaande is de rechtbank tot slot evenzeer met de CSG van oordeel dat de beslissing niet in strijd is met het evenredigheidsbeginsel.

Conclusie en gevolgen

11. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiseres geen gelijk krijgt. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. P.H. Lauryssen, rechter, in aanwezigheid van mr. A.M. Wammes, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 19 december 2025.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.