ECLI:NL:RBNHO:2025:15750

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
10 december 2025
Publicatiedatum
21 januari 2026
Zaaknummer
C/15/371333 / JU RK 25-1557
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verlenging machtiging tot uithuisplaatsing van minderjarigen in het kader van gezinsproblematiek

Op 10 december 2025 heeft de Rechtbank Noord-Holland een beschikking gegeven in de zaak van de minderjarigen [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2], waarbij de machtiging tot uithuisplaatsing is verlengd. De gecertificeerde instelling, De William Schrikker Stichting, heeft verzocht om deze verlenging in het belang van de kinderen, die beiden in een onveilige thuissituatie verkeren. De ouders, die gezamenlijk het gezag uitoefenen, hebben moeite om een veilige en stabiele opvoeding te bieden. De rechtbank heeft vastgesteld dat de ouders, ondanks hun inspanningen, niet in staat zijn om de kinderen de benodigde veiligheid en structuur te bieden. De minderjarigen verblijven momenteel in een pleeggezin en een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder, waar zij meer stabiliteit ervaren. De rechtbank heeft het perspectiefbesluit van de GI onderschreven, waarin is geconcludeerd dat de kinderen niet bij de ouders kunnen opgroeien. De rechtbank heeft de verzoeken tot verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing toegewezen en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Familie- en Jeugdrecht
Locatie Haarlem
Zaaknummers: C/15/371333 / JU RK 25-1557 en C/15/371339 / JU RK 25-1558
Datum uitspraak: 10 december 2025
Beschikking van de meervoudige kamer over een verlenging machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
de gecertificeerde instelling De William Schrikker Stichting, Jeugdbescherming en Jeugdreclassering,gevestigd te Amsterdam,
hierna te noemen: de GI,
over
[de minderjarige 1], geboren op [geboortedatum] in [plaats] ,
hierna te noemen: [de minderjarige 1]
en
[de minderjarige 2], geboren op [geboortedatum] in [plaats] ,
hierna te noemen: [de minderjarige 2] .
De rechtbank merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder],
hierna te noemen: de moeder,
wonende in [plaats] ,
[de vader],
hierna te noemen: de vader,
wonende in [plaats] ,
hierna gezamenlijk te noemen: de ouders,
advocaat: mr. E.J. Coxon, kantoorhoudende te Utrecht.
De rechtbank merkt als informant aan:
[de pleegmoeder van minderjarige 2],
hierna te noemen: pleegmoeder van [de minderjarige 2] ,
wonende in [plaats] .

1.Het verloop van de procedure

1.1.
De rechtbank neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
  • de beschikking van 28 mei 2025;
  • het eindadvies beoordeling ouderschap GGZ Drenthe van 28 juli 2025;
  • het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 31 oktober 2025.
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 10 december 2025. Daarbij waren aanwezig:
- de ouders, bijgestaan door hun advocaat;
- de GI, vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger van de GI] en [vertegenwoordiger van de GI] ;
- de pleegmoeder van [de minderjarige 2] .
1.3.
De rechtbank heeft [de minderjarige 1] naar zijn mening gevraagd. [de minderjarige 1] heeft geen gebruik gemaakt van de mogelijkheid om zijn mening kenbaar te maken.

2.De feiten

2.1.
De ouders zijn met elkaar gehuwd. [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] zijn gedurende het huwelijk van
de ouders geboren. De ouders oefenen gezamenlijk het gezag over [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] uit.
2.2.
[de minderjarige 1] verblijft in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder, te weten [een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder] . [de minderjarige 2] verblijft in een perspectief biedend pleeggezin.
2.3.
Bij beschikking van 25 maart 2024 zijn [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] voorlopig onder toezicht gesteld voor drie maanden. Bij deze beschikking is ook een machtiging verleend tot de uithuisplaatsing van [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] voor de duur van vier weken.
2.4.
De kinderrechter heeft bij beschikking van 4 april 2024 de beslissing van 25 maart
2024 gehandhaafd. Ook heeft de kinderrechter de machtiging tot de uithuisplaatsing van [de minderjarige 2] verleend, met ingang van 4 april 2024 tot 17 april 2024.
2.5.
Bij beschikking van 17 april 2024 is de machtiging tot de uithuisplaatsing van [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] , met ingang van 17 april 2024 tot 25 juni 2024, verleend.
2.6.
De kinderrechter heeft bij beschikking van 14 juni 2024 de ondertoezichtstelling
Van [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] uitgesproken tot 14 juni 2025, welke is verlengd tot 14 juni 2026.
2.7.
Ten aanzien van [de minderjarige 2] is de machtiging tot uithuisplaatsing telkens verlengd. De
machtiging, op grond waarvan [de minderjarige 2] in een pleeggezin verblijft, geldt tot 14 december 2025.
2.8.
De kinderrechter heeft bij beschikking van 16 juli 2024 het verzoek tot een machtiging om [de minderjarige 1] opnieuw uit huis te plaatsen afgewezen.
2.9.
Bij beschikking van 17 oktober 2024 heeft de kinderrechter een spoedmachtiging
verleend om [de minderjarige 1] voor vier weken uit huis te plaatsen in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder. De kinderrechter heeft bij beschikking van 25 oktober 2024 de beslissing van 17 oktober 2024 gehandhaafd en daarbij de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige 1] verlengd tot 14 juni 2025. Deze maatregel is bij beschikking van 28 mei 2025 opnieuw verlengd tot 14 december 2025. Op grond van deze machtiging verblijft [de minderjarige 1] bij [een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder] .

3.Het verzoek

3.1.
De GI verzoekt de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige 2] in een voorziening voor pleegzorg en van [de minderjarige 1] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder te verlengen voor de duur van twaalf maanden en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. De GI heeft in het kader van de verzochte maatregelen een perspectiefbesluit genomen.
3.2.
Ter zitting heeft de GI haar verzoek in die zin gewijzigd dat zij vraagt om de machtiging tot uithuisplaatsing te verlengen voor de duur van de ondertoezichtstelling, namelijk tot 14 juni 2026.
3.2. De GI heeft het verzoek in de stukken en ter zitting – samengevat – als volgt onderbouwd.
3.3.
De ouders zijn goed in de samenwerking met de GI en hulpverleners en maken kleine positieve stappen. Zo stelt de moeder sneller en op een rustigere manier grenzen dan voorheen en de vader wordt actiever in de omgang gericht op de opvoeding. Verder zijn de ouders tijdens de omgangsmomenten volledig beschikbaar en richten ze zich volledig op [de minderjarige 2] en [de minderjarige 1] . Ook zijn er geen signalen van middelengebruik tijdens of buiten de omgangsmomenten. Blijvend aandacht hiervoor is wel nodig. Ondanks deze vooruitgang zijn de zorgen over de kinderen groter, wat duidelijk is geworden tijdens de gezinsopname die bij GGZ Drenthe heeft plaatsgevonden, welke opname voortijdig is beëindigd. Tijdens de gezinsopname kwam herhaaldelijk verbale en soms fysieke agressie tussen de ouders en de kinderen voor. De ouders bleken onvoldoende in staat, ondanks intensieve begeleiding, om [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] veiligheid, voorspelbaarheid en emotionele afstemming te bieden. Bij spanningen in het gezin neemt de stress bij de ouders snel toe, wat zichtbaar invloed heeft op hun opvoedgedrag. Het lukt ouders nog niet altijd om consequent te zijn in begrenzing als de kinderen hier tegenin gaan. De moeder uit haar emoties soms heftig, wat [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] kan laten schrikken, terwijl de vader zich meer terugtrekt. De vader is vooral praktisch beschikbaar, terwijl de moeder het grootste deel van de zorgtaken op zich neemt, ondanks adviezen om dit meer te verdelen. Dit patroon is geprobeerd te doorbreken (ook tijdens de gezinsopname) maar dit is onvoldoende gelukt. Als reactie op deze onvoorspelbaarheid en onduidelijke kaders lieten de kinderen tijdens de gezinsopname de slechtste versie van zichzelf zien. Daarnaast zijn de verschillen van de ouders in aanpak en aandacht tussen de kinderen zorgelijk. De ouders hebben een negatieve ouderschapsbeoordeling gekregen na de gezinsopname bij de GGZ Beilen.
3.4.
Ten aanzien van [de minderjarige 2] heeft de GI nog het volgende naar voren gebracht. [de minderjarige 2] heeft veel onrust ervaren omdat zij in 1,5 jaar tijd in meerdere crisispleeggezinnen heeft gewoond. Sinds september 2025 woont zij in een perspectiefbiedend pleeggezin dat bestaat uit de pleegmoeder en een pleegzus van 14 jaar. Hier ervaart zij rust, duidelijkheid en structuur. Het is van essentieel belang dat [de minderjarige 2] ervaart dat zij daar mag blijven wonen en niet opnieuw hoeft te verhuizen. Deze duidelijkheid draagt bij aan haar gevoel van veiligheid en emotionele stabiliteit. Ook is het van belang dat [de minderjarige 2] haar leven en sociale netwerk kan gaan opbouwen in de omgeving van het pleeggezin.
3.5.
Ten aanzien van [de minderjarige 1] heeft de GI nog het volgende naar voren gebracht. [de minderjarige 1] woont sinds oktober 2024 op een tijdelijke woongroep van [een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder] . In augustus 2025 is hij overgeplaatst naar een appartement, waar hij samenwoont met zijn 1-op-1 begeleider. Beide locaties zijn geen passende of stabiele opvoedomgeving voor een jongen van acht jaar. [de minderjarige 1] ervaart steeds meer spanning, vooral door het gebrek aan duidelijkheid over zijn toekomst. Deze onzekerheid wordt versterkt doordat de gezinsopname vroegtijdig werd beëindigd en de moeder tegen [de minderjarige 1] heeft gezegd dat dit aan hem zou liggen. Daar komt bij dat hij nu niet naar school gaat vanwege de tijdelijke plaatsing. Het ontbreken van structuur en vaste dag invulling vergroot zijn spanning en belemmert zijn sociaal-emotionele en cognitieve ontwikkeling. Ook heeft [de minderjarige 1] traumatherapie nodig om de gebeurtenissen van de afgelopen periode te verwerken. Dit heeft [de minderjarige 1] zwaar belast en heeft geleid tot toenemend probleemgedrag. Om therapie aan te gaan heeft hij echter eerst een stabiele woonplek nodig.
3.6.
Gelet op het voorgaande is de GI van mening dat duidelijk moet zijn dat het perspectief van [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] niet meer thuis ligt, reden waarom het perspectiefbesluit is genomen. De ouders zullen in hun kracht gezet worden door opvoeders op afstand te zijn.
3.7.
De GI vindt het nog steeds beter om de kinderen apart van elkaar geplaatst te laten blijven, omdat zij elkaars ontwikkeling en hulpverleningstrajecten negatief kunnen beïnvloeden. De GI wil de komende periode werken aan stabilisatie in de nieuwe leefomgevingen. Ook zal onderzocht worden welke invloed het verleden heeft gehad op [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] en welke hulpverlening hiervoor moet worden ingezet. [de minderjarige 2] is daarnaast aangemeld op een school in haar nieuwe regio. De GI wil voor [de minderjarige 1] werken aan het vinden van een passende woonplek en is daarvoor in gesprek met een passend en huiselijk gezinshuis in [plaats] . Dit is een plek met ervaren gezinshuisouders die [de minderjarige 1] goed kunnen begrenzen. Zij zijn akkoord met de plaatsing van [de minderjarige 1] . De kennismaking is positief gegaan en er zal op korte termijn een wenmoment plaatsvinden. Na het plaatsen op de nieuwe woonplek, zal de GI voor [de minderjarige 1] kijken naar dagbesteding en de mogelijkheid om toe te werken naar school. Als zijn (woon)situatie stabiel is, zal de GI diagnostisch onderzoek laten doen om inzicht te krijgen in de impact van het verleden op [de minderjarige 1] . De GI zal tot slot ook werken aan een stabiele omgang tussen [de minderjarige 1] , [de minderjarige 2] en de ouders en aan een goede relatie tussen de ouders en de pleegmoeder van [de minderjarige 2] . De GI ziet meer rust bij de ouders en de omgang verloopt beter gaat sinds de ouders weten dat er niet meer wordt gewerkt aan een terugkeer naar huis.

4.De standpunten

4.1.
Door en namens de ouders is ter zitting naar voren gebracht dat zij het verzoek begrijpen. Wat betreft [de minderjarige 1] zijn de ouders het eens met het verzoek. Bij [de minderjarige 2] voelt het voor de ouders oneerlijk. Volgens de ouders heeft [de minderjarige 2] geen eerlijke kans gekregen. De ouders zien wel in dat er duidelijkheid moet komen voor de kinderen. Zij berusten in het zijn van goede ouders op afstand, hoe moeilijk zij dit ook vinden. De ouders willen zo goed mogelijk in samenwerking met de GI en het pleeggezin blijven om het contact met hun kinderen te behouden.
4.2.
De pleegmoeder heeft ter zitting naar voren gebracht dat zij het eens is met het verzoek en dat [de minderjarige 2] bij haar kan opgroeien. De pleegmoeder geeft aan dat [de minderjarige 2] thuis rustig is en haar plekje heeft gevonden. Er wordt met [de minderjarige 2] gewerkt aan taal door middel van logopedie en lezen. Hierdoor gaat dit een stuk beter. Het zou voor [de minderjarige 2] wel wenselijk zijn om naar een school in de regio te gaan. Tenslotte geeft de pleegmoeder aan dat het goed gaat tussen [de minderjarige 2] en de pleegzus. [de minderjarige 2] kijkt op tegen haar pleegzus. Wel mist zij soms haar ouders en [de minderjarige 1] .

5.De beoordeling

5.1.
De GI heeft op 30 oktober 2025 een besluit genomen over waar het opgroeiperspectief van [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] moet komen te liggen: het zogeheten perspectiefbesluit. De GI heeft in dat besluit aangegeven dat zij tot de conclusie is gekomen dat het perspectief van [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] niet bij de ouders ligt, omdat de ouders niet kunnen bieden wat [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] nodig hebben om zich gezond te kunnen ontwikkelen. Het is voor de GI daarom duidelijk dat het voor [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] beter is om ergens anders op te groeien.
5.2.
De rechtbank overweegt als volgt. Uit het arrest van de Hoge Raad van 1 september 2023 (ECLI:NL:HR:2023:1148) volgt dat de wet niet voorziet in een zelfstandige rechtsgang waarin een perspectiefbesluit als zodanig aan de rechter ter beoordeling kan worden voorgelegd. In dat arrest heeft de Hoge Raad echter ook overwogen dat de rechter een perspectiefbesluit wel zal moeten beoordelen, indien dit noodzakelijk is in verband met beslissingen, maatregelen en verzoeken die (mede) voortvloeien uit of samenhangen met het standpunt van de gecertificeerde instelling over het opgroeiperspectief van de minderjarige. Dat is in dit geval aan de orde bij de beoordeling van de verzoeken tot verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] . Hierna zal dan ook worden overgegaan tot het beoordelen van verzoek tot verlenging van de machtiging uithuisplaatsing en het perspectiefbesluit in het licht bezien van de door de GI verzochte verlenging.
5.3.
Uit de stukken en wat ter zitting aan de orde is geweest, blijkt dat de ouders en de kinderen veel van elkaar houden en een band hebben met elkaar. Dat staat niet ter discussie. Echter wordt ook gezien dat het de ouders – ondanks hun inzet – niet lukt om de kinderen thuis veilig en gezond te laten opgroeien. De ouders hebben onvoldoende draagkracht en bij spanning neemt de stress bij de ouders snel toe. Het lukt de ouders niet om grenzen te stellen en deze ook vast te houden. [de minderjarige 2] en [de minderjarige 1] hebben door dat het hen iets oplevert om agressief gedrag te vertonen richting de ouders en dat doen zij dan ook. Ook voelen [de minderjarige 2] en [de minderjarige 1] zich onveilig omdat zij een schreeuwende en emotionele moeder zien en een trage en bevroren vader. De ouders hebben onvoldoende opvoedvaardigheden om met lastige situaties om te gaan. Tijdens de gezinsopname bij GGZ Beilen is gebleken dat het de ouders niet zal lukken om deze vaardigheden te leren binnen een voor de kinderen aanvaardbare termijn. Hun ouderschap is als onvoldoende beoordeeld. Weliswaar wordt gezien dat de ouders kleine stapjes zetten in de goede richting, maar ook dat de zorgen om de kinderen sneller groeien. Op grond van de ouderschapsbeoordeling die is gemaakt, is de inschatting dat de kinderen niet de tijd en ruimte hebben om te wachten op een gedragsverandering bij de ouders. Het is daarom in het belang van de kinderen dat er duidelijkheid komt over waar zij gaan opgroeien. De rechtbank onderschrijft daarom het perspectiefbesluit dat de kinderen niet bij de ouders kunnen opgroeien.
5.4.
[de minderjarige 2] woont in een pleeggezin. Hier ervaart zij rust, duidelijkheid en structuur waar zij veel baat bij heeft. [de minderjarige 2] lijkt zich hier ook thuis te voelen. Het is daarom in het belang van [de minderjarige 2] om bij het pleeggezin te blijven. Deze plek moet dan ook geborgd worden. [de minderjarige 1] woont bij [een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder] en er is zicht op een plaatsing bij een gezinshuis dat voor hem passend is; niet groot en huiselijk, maar met de juiste expertise om met zijn problematiek om te gaan. Het zou voor [de minderjarige 1] wenselijk zijn om daar naartoe te gaan.
5.5.
Gelet op het voorgaande is aan de wettelijke vereisten voor de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing voldaan. De verzoeken tot verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige 2] en [de minderjarige 1] zullen dan ook worden toegewezen. Daarnaast wordt het perspectiefbesluit van 30 oktober 2025 onderschreven. De rechtbank is van oordeel dat dit besluit op goede gronden is genomen.
5.6.
De rechtbank verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.

6.De beslissing

De rechtbank:
6.1.
verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van
[de minderjarige 2]in een voorziening voor pleegzorg tot 14 juni 2026;
6.2.
verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van
[de minderjarige 1]in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder tot 14 juni 2026;
6.3.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beschikking is gegeven door mr. S. Ok, mr. F.W. van Dongen en mr. A.K. Mireku, kinderrechters, en in het openbaar uitgesproken op 10 december 2025, in aanwezigheid van mr. R. Moes als griffier, en op schrift gesteld en ondertekend op 19 december 2025.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Amsterdam. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.