ECLI:NL:RBNHO:2025:15626

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
29 december 2025
Publicatiedatum
9 januari 2026
Zaaknummer
372887 KG RK 25-806
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Procedures
  • Wraking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Wraking van de rechter in kort gedingprocedure inzake minderjarige kinderen

In deze zaak heeft verzoekster op 12 december 2025 een wrakingsverzoek ingediend tegen de rechter in een kort gedingprocedure, waarin zij betrokken was bij een geschil over de afgifte van haar minderjarige kinderen. De wrakingskamer heeft op 15 december 2025 het verzoek afgewezen, omdat de gronden voor wraking niet gegrond waren. Verzoekster heeft aangevoerd dat haar recht op een eerlijk proces was geschonden, onder andere door de afwezigheid van parketpolitie en het ontbreken van een tolk tijdens de mondelinge behandeling. De rechter heeft echter verklaard dat de situatie in de rechtszaal rustig was en dat de aanwezigheid van parketpolitie niet nodig was. Tevens heeft de rechter aangegeven dat verzoekster zelf verantwoordelijk was voor het regelen van een tolk, aangezien zij de Nederlandse taal niet machtig was. Tijdens de mondelinge behandeling op 16 december 2025 heeft verzoekster geprobeerd de rechter opnieuw te wraken, maar de rechter heeft dit ontkend. De wrakingskamer heeft geconcludeerd dat verzoekster geen feiten of omstandigheden heeft aangedragen die wijzen op vooringenomenheid van de rechter. De wrakingskamer heeft het verzoek tot wraking op 29 december 2025 afgewezen, met de overweging dat de gronden voor wraking niet gegrond zijn en dat verzoekster misbruik maakt van het rechtsmiddel van wraking. De rechtbank heeft bepaald dat een volgend wrakingsverzoek van verzoekster niet in behandeling wordt genomen en dat het proces in de hoofdzaak wordt voortgezet.

Uitspraak

beslissing
RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Wrakingskamer
zaaknummer / rekestnummer: 372887 KG RK 25-806
Beslissing van 29 december 2025
Op het verzoek tot wraking ingediend door:
[verzoekster],
wonende te Alkmaar,
verzoekster,
advocaat mr. R.J.A. Verhoeven.
Het verzoek is gericht tegen:
mr. C. Maat,
hierna te noemen: de rechter.
1. Procesverloop
1.1. Bij de rechtbank, team F&J Alkmaar is een kort geding aanhangig met als zaaknummer C/15/372678/KG ZA 25-774, hierna te noemen: de hoofdzaak. Verzoekster heeft op 12 december 2025 schriftelijk de wraking verzocht van de rechter in de hoofdzaak omdat deze, kort gezegd, een aanhoudingsverzoek van verzoekster heeft geweigerd. De wrakingskamer heeft het wrakingsverzoek bij beslissing van 15 december 2025 afgewezen (zaaknummer 372740 KG RK 25-798).
1.2. De mondelinge behandeling van de hoofdzaak heeft plaatsgevonden op 16 december 2025. Van deze mondelinge behandeling is een proces-verbaal opgemaakt.
De hoofdzaak is vervolgens verwezen voor vonnis.
1.3. Op 17 december 2025 heeft (de advocaat van) verzoekster het wrakingsverzoek ingediend dat in deze procedure aan de orde is. Op 18 december 2025 heeft de advocaat van verzoekster een nader bericht ingestuurd.
1.4. De rechter heeft schriftelijk op het wrakingsverzoek gereageerd en daarin meegedeeld dat zij niet in de wraking berust.
1.5. Het wrakingsverzoek is vervolgens behandeld ter terechtzitting van de wrakingskamer van 29 december 2025. Verzoekster en de rechter zijn ter terechtzitting gehoord. De advocaat van verzoekster heeft daarbij gebruik gemaakt van pleitaantekeningen. Ook de wederpartij in de hoofdzaak is bij monde van zijn advocaten gehoord.
1.6. De wrakingskamer heeft na een schorsing direct na afloop van de mondelinge behandeling uitspraak gedaan.

2.De uitgangspunten

2.1.
De hoofdzaak is een kortgedingprocedure waarin [naam] (hierna: [naam]) vordert verzoekster te veroordelen tot afgifte van hun minderjarige kinderen. Datum en tijdstip van de mondelinge behandeling van dit kortgeding zijn bepaald op 16 december 2025 om 14:50 uur. Op 12 december 2025 om 16:13 uur heeft verzoekster verzocht om de mondelinge behandeling aan te houden en te verplaatsen naar een andere datum. Dat verzoek is nog dezelfde dag afgewezen gelet op de spoedeisendheid van de zaak. Na ontvangst van de afwijzende beslissing, heeft verzoekster haar eerste wrakingsverzoek ingediend. De wrakingskamer heeft het verzoek bij beslissing van 15 december 2025, als zijnde kennelijk ongegrond, afgewezen.
2.2.
De mondelinge behandeling van de hoofdzaak heeft plaatsgevonden op 16 december 2025. [naam] is daar verschenen, bijgestaan door een (waarnemend) advocaat. Verzoekster is daar ook verschenen. Met verzoekster meegekomen is mr. Rijswijk, naar de wrakingskamer begrijpt een stagiaire van de advocaat van verzoekster, maar geen advocaat. Mr. Rijswijk deelde mee aanwezig te zijn om aantekeningen te maken. De advocaat van verzoekster is niet verschenen. Er was evenmin een tolk aanwezig. Verzoekster heeft daar in het Engels meegedeeld dat zij een tolk in de Engelse taal nodig heeft. De rechter heeft, na een korte schorsing van de zitting, vervolgens meegedeeld dat de mondelinge behandeling zou kunnen worden aangehouden tot een zitting op 30 december 2025. [naam] maakte daar bezwaar tegen. De rechter heeft vervolgens de zitting onderbroken voor beraad. Na hervatting van de zitting heeft de rechter aan mr. Rijswijk meegedeeld dat hij de zaal dient te verlaten omdat het een besloten zitting betreft en hem geen bijzondere toestemming is verleend om de mondelinge behandeling bij te wonen. Vervolgens heeft de rechter meegedeeld dat - hoewel dat op de weg van verzoekster of haar advocaat ligt - de rechter tijdens de schorsing heeft geprobeerd een tolk te regelen, maar dat dit niet is gelukt. Verder heeft de rechter meegedeeld dat verzoekster in persoon is verschenen en is gedagvaard volgens de regels, dat de mondelinge behandeling van de zaak wordt voortgezet gelet op de spoedeisendheid van de zaak, en dat de voertaal tijdens de mondelinge behandeling de Nederlandse taal is.
Na sluiting van de mondelinge behandeling heeft de rechter meegedeeld dat over een week vonnis wordt gewezen.

3.Het standpunt van verzoekster

3.1.
Verzoekster heeft ter onderbouwing van het verzoek - kort gezegd - het volgende aangevoerd.
De rechter heeft voorafgaand aan de zitting toegezegd dat er parketpolitie aanwezig zou zijn om de veiligheid van verzoekster te waarborgen, maar tijdens de zitting was geen parketpolitie in de zittingzaal aanwezig, waardoor verzoekster onnodig risico heeft gelopen ten aanzien van haar veiligheid;
De advocaat van verzoekster heeft voorafgaand aan de zitting de aanwezigheid van de waarnemer, niet zijnde advocaat, aangekondigd. De rechter heeft die waarnemer, mr. Rijswijk, aanvankelijk toegang tot de zitting verleend (om 15.00 uur) en pas later, omstreeks 16.15 uur, de toegang tot de zitting ontzegd. Ter zitting heeft de rechter meegedeeld niet bekend te zijn met de komst van een waarnemer aan de zijde van verzoekster. Dat is ofwel in strijd met de waarheid, dan wel heeft de griffier nagelaten dit aan de rechter door te geven. Door mr. Rijswijk weg te sturen kwam verzoekster in een hulpeloze toestand te verkeren. Zo kan mr. Rijswijk nu ook niet bevestigen dat verzoekster de rechter ter zitting heeft gewraakt.
Het was de rechter vooraf bekend dat de advocaat van verzoekster niet zou verschijnen, gelet op het eerdere wrakingsverzoek. Dat wrakingsverzoek is ten onrechte afgewezen. Het eerdere wrakingsverzoek zag immers niet op de beslissing van de rechter om de zaak niet aan te houden wegens spoedeisend belang, maar op de wijze waarop zij is omgegaan met de voorhanden zijnde informatie. Zij beschikte slechts over de inhoud van de dagvaarding en niet over het verweer van verzoekster.
Tijdens de mondelinge behandeling heeft de rechter meegedeeld dat het aan de advocaat was om een vervangende advocaat te sturen. Verzoekster heeft echter vrije advocaatkeuze. Verzoekster wilde door mr. Verhoeven worden bijgestaan omdat hij volledig op de hoogte is van de situatie. Er is aan de advocaat niet verzocht opgave te doen van verhinderdata. Verzoekster heeft pas op vrijdag 12 december 2025 om 16.00 uur kennis genomen van de datum van het kortgeding. Er was daarom te weinig tijd om de zaak serieus voor te bereiden, laat staan dat een waarnemer daartoe in staat zou zijn geweest. Het kan niet van de advocaat van verzoekster verlangd worden dit op zo’n korte termijn te regelen. Het verzoek om aanhouding was daarom alleszins gerechtvaardigd.
Het is onbegrijpelijk dat de rechter eerst zelf de mogelijkheid opperde om de zaak aan te houden tot 30 december 2025 maar daarvan heeft afgezien vanwege de negatieve reactie daarop van de wederpartij.
Verzoekster beheerst de Nederlandse taal niet. Zij spreekt slechts Spaans en Engels. Desondanks heeft de rechter de behandeling van de zaak voortgezet. Voor een groot deel van de zitting heeft de rechter met verzoekster gecommuniceerd in het Engels. Echter, nadat de waarnemer was heengezonden en de inhoudelijke behandeling van de zaak begon, heeft de rechter meegedeeld dat nog uitsluitend in het Nederlands gecommuniceerd mocht worden. Verzoekster kreeg hier niets van mee. Naar aanleiding hiervan heeft verzoekster de rechter te verstaan gegeven (in het Engels) dat de rechter opnieuw was gewraakt. De rechter heeft hieraan geen gehoor gegeven en is met de mondelinge behandeling doorgegaan. Doordat mr. Rijswijk niet langer aanwezig was, kan die niet bevestigen dat verzoekster de rechter heeft gewraakt. Desondanks is het zeer aannemelijk dat verzoekster de rechter heeft gewraakt. Voorafgaand aan de zitting heeft de advocaat hierover met verzoekster gesproken. De advocaat adviseerde verzoekster in het geval zij geen eerlijk proces zou krijgen, om de rechter opnieuw te wraken.
Door het handelen van de rechter is het recht van verzoekster op een eerlijk proces geschonden.

4.Het standpunt van de rechter

4.1.
De rechter concludeert tot afwijzing van het verzoek. Over de aanwezigheid van parketpolitie bevestigt de rechter dat namens verzoekster de aanwezigheid van de parketpolitie was aangevraagd. De motivering daarvoor bestond uit de enkele mededeling dat verzoekster doodsbang was wegens eerder huiselijk geweld en dat zij daarom elk risico wilde vermijden. Vervolgens is de assistentie van de parketpolitie ingeschakeld. Omdat de rechter van de bode had vernomen dat de situatie tussen partijen in de rechtbank voor aanvang van de zitting rustig was, heeft zij de inschatting gemaakt dat er in de zittingszaal geen parketpolitie nodig was. Die was wel stand-by op de gang.
4.2.
Over de komst van mr. Rijswijk voert de rechter aan dat de bode zijn komst heeft meegedeeld, dat mr. Rijswijk in de zittingszaal geen toga bleek aan te hebben en plaatsnam achterin de zaal. De rechter heeft hem erop gewezen dat voor zijn aanwezigheid geen bijzondere toestemming was verleend en dat daar ook geen verzoek voor was ontvangen. Mr. Rijswijk deelde mee enkel aantekeningen te komen maken. De aanwezigheid van mr. Rijswijk is echter niet op voorhand kenbaar gemaakt. De rechter heeft mr. Rijswijk desalniettemin nog even in de zaal laten blijven om te horen hoe het was gekomen dat verzoekster alleen verschenen was. Toen de inhoudelijke behandeling begon, heeft de rechter mr. Rijswijk inderdaad gevraagd de zaal te verlaten omdat hij geen toestemming had om aanwezig te zijn. Voor zover verzoekster bedoelt te stellen dat de rechter hiermee haar belangen in de hoofdzaak heeft geschaad, ziet de rechter dat niet in omdat mr. Rijswijk de belangen van verzoekster niet kon behartigen.
4.3.
Om uit te vinden hoe het kwam dat verzoekster alleen was verschenen en wat dat voor de behandeling van de zaak zou betekenen, heeft de rechter inderdaad in eerste instantie in het Engels met verzoekster gesproken. De voertaal in de rechtszaal is echter Nederlands. De advocaat van [naam] had bezwaar tegen een inhoudelijke behandeling in het Engels.
4.4.
Over de spoedeisendheid van de zaak heeft de rechter aangevoerd dat na indiening van de dagvaarding de betreffende regierechter de zaak heeft beoordeeld op spoedeisendheid, omdat door [naam] was verzocht om een verkorte dagvaardingstermijn. Of sprake is van een spoedeisend belang wordt beoordeeld op grond van de voorhanden zijnde informatie. Daarbij wordt niet geoordeeld over de juistheid van de stellingen van eiser. De regierechter heeft het spoedeisend belang aanwezig geacht. Ook het aanhoudingsverzoek voorafgaand aan de zitting is door de aanhoudingenrechter in het licht van de mate van spoedeisendheid (in combinatie met de buitengewoon beperkte beschikbaarheid van mr. Verhoeven) beoordeeld en afgewezen. Het wrakingsverzoek van mr. Verhoeven dat zich daartegen richtte is vervolgens ongegrond verklaard. Dat er spoedeisend belang aanwezig wordt geacht bij een bepaald verzoek, betekent niet dat sprake is van (de schijn van) vooringenomenheid. Het oordeel over de inhoud van de stellingen in de dagvaarding, de onderbouwing daarvan en of er grond is voor een bepaalde beslissing is daarmee immers geenszins gegeven. Anders zou spoedeisend belang overigens ook nooit aangenomen kunnen worden.
4.5.
Het is juist dat de rechter tijdens de mondelinge behandeling heeft gezegd dat het in een dergelijke procedure aan mr. Verhoeven is om bij verhindering zorg te dragen voor waarneming. Het betreft een niet-complexe zaak, die zich leent voor waarneming. Het is heel spijtig dat verzoekster zonder tolk is verschenen. Het had op de weg van de advocaat en van verzoekster zelf gelegen deze te organiseren en dat was ook mogelijk geweest, zeker gelet op de taal waarin getolkt diende te worden. De rechter en de griffier hebben die middag nog een uur geprobeerd voor verzoekster een telefonische tolk te organiseren, maar dat is op zo korte termijn niet gelukt.
4.6.
Dat verzoekster de rechter al tijdens de mondelinge behandeling heeft gewraakt, is pertinent onwaar, aldus de rechter. Zij weet dat de behandeling dan direct stilgelegd moet worden. De rechter noch de griffier hebben verzoekster iets horen zeggen in de richting van een wraking en, gelet op het verloop van de zitting, had een dergelijk verzoek de rechter niet kunnen ontgaan.

5.De beoordeling

Uitgangspunt
5.1.
Een rechter kan worden gewraakt op grond van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Uitgangspunt daarbij is dat de rechter uit hoofde van zijn aanstelling wordt vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen die een zwaarwegende aanwijzing vormen dat een rechter jegens een partij een vooringenomenheid koestert. Dit is de subjectieve toets. Daarnaast kan de vrees voor partijdigheid objectief gerechtvaardigd zijn indien sprake is van feiten of omstandigheden die, geheel afgezien van de persoonlijke instelling van de rechter in de hoofdzaak, grond geven om te vrezen dat een rechter niet onpartijdig is, waarbij ook de (te vermijden) schijn van partijdigheid van belang is. Die feiten of omstandigheden moeten zwaarwegende redenen opleveren voor objectiveerbare twijfel aan de onpartijdigheid. Dit is de objectieve toets.
Het subjectieve oordeel van verzoekster is voor de beoordeling van beide toetsen wel belangrijk, maar niet doorslaggevend.
5.2.
Verzoekster heeft geen feiten of omstandigheden aangevoerd waaruit kan worden afgeleid dat de rechter tegenover verzoekster vooringenomen is. De vraag is dan ook (slechts) of de vrees voor partijdigheid objectief gerechtvaardigd is.
Wraking ter zitting?
5.3.
De wrakingskamer gaat daarbij eerst in op de vraag of verzoekster de rechter (al) tijdens de mondelinge behandeling van de zaak heeft gewraakt. Volgens verzoekster zou zij, nadat de rechter meegedeeld had de zaak inhoudelijk en in het Nederlands te gaan behandelen, “
I challenge you” tegen de rechter hebben gezegd. De rechter stelt uitdrukkelijk dat dit niet het geval is. De wrakingskamer heeft geen reden te twijfelen aan wat hierover is vastgelegd in het proces-verbaal van de mondelinge behandeling, zijnde een authentieke akte. Het proces-verbaal vermeldt niets dat wijst op een wraking of poging daartoe. Moeilijk voorstelbaar is dat de rechter het wrakingsverzoek (dat in de Engelse taal zou zijn gedaan) opzettelijk heeft genegeerd of simpelweg heeft gemist. Uit de gang van zaken tijdens de mondelinge behandeling blijkt namelijk dat de rechter steeds alert was op de belangen van verzoekster en de procedurele gang van zaken tijdens een mondelinge behandeling. De wrakingskamer is van oordeel dat verzoekster het wrakingsverzoek niet ter zitting heeft gedaan, maar pas per brief van de advocaat van 17 december 2025.
Overige gronden
5.4.
Voor zover het wrakingsverzoek is gegrond op de weigering van de rechter (of een andere rechter in haar plaats) om de zaak aan te houden, is de wrakingskamer van oordeel dat dit geen grond voor wraking kan opleveren. De wrakingskamer heeft immers in haar beslissing van 15 december 2025 al beslist dat dit geen grond voor wraking kan opleveren. Van die beslissing is geen hoger beroep mogelijk en dat is wel wat verzoekster kennelijk beoogt door dit opnieuw aan de orde te stellen.
5.5.
De overige gronden die verzoekster heeft aangevoerd in haar verzoek betreffen alle procesbeslissingen. Ook die kunnen geen grond voor wraking opleveren.
Het gesloten stelsel van rechtsmiddelen brengt mee dat een rechterlijke (tussen)beslissing die nadelig voor verzoeker uitpakt, geen grond kan vormen voor wraking: wraking is geen verkapt rechtsmiddel. Dat is vaste rechtspraak sinds Hoge Raad 25 september 2018 (ECLI:NL:HR:2018:1413). De wrakingskamer komt geen oordeel toe over de juistheid van de (tussen)beslissing. Dat verzoekster daardoor in een positie komt waardoor zij feitelijk niet kan reageren op de vordering, maakt dat niet anders.
5.6.
De beslissing om parketpolitie (slechts) op de gang aanwezig te laten zijn en niet in de zittingszaal, is een procesbeslissing van de rechter. Hetzelfde geldt voor het niet-verlenen van bijzondere toestemming aan mr. Rijswijk om bij de mondelinge behandeling aanwezig te zijn. Het betrof hier een mondelinge behandeling achter gesloten deuren. Mr. Rijswijk is geen advocaat en het was kennelijk zijn bedoeling om van de zitting aantekeningen te maken. Het is aan de zittingsrechter om te beslissen of personen bijzondere toestemming krijgen om aanwezig te zijn. Hetzelfde geldt voor de beslissing van de rechter om de zaak niet aan te houden tot 30 december 2025 maar op 16 december 2025 toch inhoudelijk te behandelen.
Dat verzoekster daardoor niet begreep wat er tijdens de zitting gebeurde en haar standpunt niet kon geven omdat zij de Nederlandse taal niet machtig is, is een gevolg van de beslissing van de rechter om de zaak toch meteen inhoudelijk te behandelen, maar dat laat onverlet dat dit een procesbeslissing is. Daar komt bij dat verzoekster (en/of haar advocaat) zichzelf in die positie heeft gebracht. Verzoekster of haar advocaat dienden immers zelf een tolk te regelen als verzoekster de Nederlandse taal niet machtig is. Dat er tussen vrijdagmiddag 12 december 2025 en het moment van de zitting geen tolk geregeld kon worden om verzoekster bij te staan in een taal die zij machtig is, is niet gebleken.
5.7.
De conclusie is daarom dat het wrakingsverzoek wordt afgewezen.
Wrakingsverbod
5.8.
De wrakingskamer ziet aanleiding om toepassing te geven aan artikel 39, vierde lid, Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, omdat gebleken is van misbruik van het rechtsmiddel van wraking. De wrakingskamer legt dit uit.
5.9.
Dit is al de tweede keer dat verzoekster zonder deugdelijke grond de rechter in deze hoofdzaak heeft gewraakt. In beide gevallen gaat het om wraking wegens een of meer negatieve procesbeslissing(en), terwijl dat geen grond voor wraking kan opleveren. Hiermee maakt verzoekster te lichtvaardig gebruik van het rechtsmiddel van wraking. Dit terwijl het feit dat verzoekster zonder advocaat en zonder tolk ter zitting is verschenen een verantwoordelijkheid is van (de advocaat van) verzoekster zelf. Door de rechter te wraken lijkt verzoekster haar eigen verantwoordelijkheid en die van haar advocaat af te willen schuiven op de zittingsrechter. Daarbij komt dat verzoekster nu opnieuw standpunten naar voren heeft gebracht waarvan de wrakingskamer in een eerdere beslissing al heeft geoordeeld dat deze geen grond voor wraking kunnen opleveren.

6.Beslissing

De rechtbank
6.1.
wijst het verzoek tot wraking af,
6.2.
bepaalt dat een volgend wrakingsverzoek van verzoekster in de hoofdzaak niet in behandeling wordt genomen,
6.3.
beveelt de griffier onverwijld aan verzoekster, de rechter en de wederpartij ([naam]) in de hoofdzaak een voor eensluidende gewaarmerkt afschrift van deze beslissing toe te zenden,
6.4.
beveelt dat het proces in de hoofdzaak wordt voortgezet in de stand waarin het zich bevond ten tijde van het indienen van het verzoek.
Deze beslissing is gegeven door mr. J.H. Gisolf, voorzitter, mr. I.H. Lips en mr. N.M.L. Rogmans, leden van de wrakingskamer, in tegenwoordigheid van de griffier, en in het openbaar uitgesproken op 29 december 2025.
griffier voorzitter
Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.