ECLI:NL:RBNHO:2025:15532

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
12 november 2025
Publicatiedatum
7 januari 2026
Zaaknummer
11238255 \ CV EXPL 24-5424
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Procedures
  • Bodemzaak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vonnis inzake de vordering tot voortzetting van de huurovereenkomst en de tegenvordering tot ontruiming

In deze bodemzaak heeft de kantonrechter op 12 november 2025 uitspraak gedaan in een geschil tussen [eiser] en STICHTING YMERE. De zaak betreft de vraag of er sprake is van een duurzame gemeenschappelijke huishouding tussen [eiser] en de overleden [betrokkene 2]. [eiser] vorderde de voortzetting van de huurovereenkomst, terwijl Ymere een tegenvordering tot ontruiming heeft ingesteld. De kantonrechter heeft vastgesteld dat [eiser] onvoldoende bewijs heeft geleverd voor het bestaan van een duurzame gemeenschappelijke huishouding. De verklaring van getuige [betrokkene 3] werd als onvoldoende beschouwd, omdat deze niet op eigen waarnemingen was gebaseerd. De kantonrechter concludeert dat [eiser] niet voldoet aan de vereisten om de huur voort te zetten, waardoor de vordering in conventie wordt afgewezen. De tegenvordering tot ontruiming wordt toegewezen, met een ontruimingstermijn van 14 dagen na aanschrijving door de deurwaarder. Tevens wordt [eiser] veroordeeld in de proceskosten van Ymere, die zijn begroot op € 287,00. De huurovereenkomst wordt rechtsgeldig beëindigd per eind maart 2024, na het overlijden van [betrokkene 2].

Uitspraak

RECHTBANKNOORD-HOLLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Haarlem
Zaaknummer: 11238255 \ CV EXPL 24-5424
Vonnis van 12 november 2025
in de zaak van
[eiser],
te [plaats],
eisende partij in conventie,
verwerende partij in reconventie,
hierna te noemen: [eiser],
gemachtigde: mr. A.C. Mens,
tegen
STICHTING YMERE,
te Amsterdam,
gedaagde partij in conventie,
eisende partij in reconventie,
hierna te noemen: Ymere,
gemachtigde: mr. A. Huizenga.

1.Het verdere verloop van de procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis van 12 februari 2025
- proces-verbaal van het getuigenverhoor van 19 juni 2025
- de akte van 15 oktober 2025 van [eiser] met een aanvullende productie
- de akte van 15 oktober 2025 van Ymere.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De verdere beoordeling

De bij akte door [eiser] overgelegde aanvullende productie wordt niet meegenomen bij de verdere beoordeling van het geschil
2.1.
[eiser] heeft bij het indienen van de akte van 15 oktober 2025 tevens een verklaring van [betrokkene 1], de neef van [eiser], overgelegd. Terecht heeft Ymere zich op het standpunt gesteld dat deze verklaring niet mag worden meegenomen bij de verdere beoordeling van dit geschil. Te meer omdat [eiser] na het getuigenverhoor van 16 juli 2025 heeft verzocht om [betrokkene 1] te horen en dit verzoek is afgewezen. De kantonrechter zal daarom geen acht slaan op deze door [eiser] bij akte ingebrachte verklaring.
Het juridisch kader van een duurzame gemeenschappelijke huishouding
2.2.
De huurder en een andere persoon die in het gehuurde zijn hoofdverblijf heeft en met de huurder een duurzame gemeenschappelijke huishouding heeft, kunnen gezamenlijk verzoeken dat de rechter zal bepalen dat deze persoon met ingang van een in het vonnis te bepalen tijdstip medehuurder zal zijn, mits deze personen hieraan voorafgaand een dergelijk verzoek bij de verhuurder hebben ingediend en de verhuurder niet binnen drie maanden schriftelijk heeft verklaard met dit verzoek in te stemmen. [1]
2.3.
Bij de beantwoording van de vraag of sprake is van een gemeenschappelijke huishouding moeten alle omstandigheden van het geval in onderling verband worden gewaardeerd zoals het feitelijk gebruik van het gehuurde door de huurder en de medebewoner, alsmede de omstandigheid dat zij al dan niet (i) gezamenlijk voorzien in de kosten van de huisvesting en/of de kosten van levensonderhoud, (ii) gezamenlijk (of op grond van een afgesproken verdeling) huishoudelijke taken verrichten, (iii) gezamenlijk de maaltijden bereiden en gebruiken, (iv) gezamenlijk invulling geven aan vrije tijd en (v) gezamenlijk deelnemen aan het sociaal verkeer. Ten aanzien van de gemeenschappelijke huishouding geldt voor degene die voortzetting van de huurovereenkomst vordert [2] een verzwaarde stelplicht.
Het bestaan van een duurzame gemeenschappelijke huishouding is in dit geval onvoldoende onderbouwd
2.4.
Volgens [eiser] is sprake van een duurzame gemeenschappelijk huishouding welke tot het overlijden van [betrokkene 2] bestond uit [eiser] en [betrokkene 2]. Dit wordt door Ymere betwist. Bij tussenvonnis is [eiser] in de gelegenheid gesteld om het bestaan van deze duurzame gemeenschappelijke huishouding te bewijzen. In dat verband is één getuige gehoord, te weten [betrokkene 3], (hierna: [betrokkene 3]).
2.5.
[betrokkene 3] verklaart dat hij [betrokkene 2] vanaf 2014 kende en [betrokkene 2] haar levensverhaal door de jaren heen aan hem heeft verteld. [eiser] kende hij voor het overlijden van [betrokkene 2] niet persoonlijk. [betrokkene 3] verklaart dat [betrokkene 2] en [eiser] in het verleden hebben samengewoond. Daarna kreeg [eiser] een relatie met een vrouw. Toen die relatie uitging had [eiser] geen woning meer en is hij bij [betrokkene 2] ingetrokken. Dit alles heeft [betrokkene 3] begrepen van [betrokkene 2], hij heeft [betrokkene 2] en [eiser] nooit samen gezien in de Lutulistraat (de straat van de woning).
2.6.
[betrokkene 3] verklaart verder dat [betrokkene 2] hem heeft verteld dat zij samen met [eiser] een gemeenschappelijke huishouding probeerde op te zetten. [betrokkene 3] wist dat [betrokkene 2] zelf onvoldoende inkomen had om die gemeenschappelijke huishouding en de vaste lasten te financieren, zij gebruikte de bankpas van [eiser] om de boodschappen te betalen. [betrokkene 2] zelf had een inkomen van € 800,00 plus toeslagen. [betrokkene 2] leende soms geld van [betrokkene 3], welke openstaande lening [eiser] na het overlijden van [betrokkene 2] aan [betrokkene 3] heeft voldaan. Ook heeft [eiser] een nieuwe wasmachine aangeschaft toen de oude kapot ging. Daarnaast had [betrokkene 2] een zwakke gezondheid. [betrokkene 3] heeft van [betrokkene 2] begrepen dat [eiser] haar hielp in de huishouding, bij het halen van medicijnen, etc. Hij heeft verklaard niet te weten of zij samen aten, maar hij ging daar wel van uit. [eiser] en [betrokkene 2] woonden in een kleine woning met een slaapkamer en een woonkamer met een open keuken. [eiser] sliep op een bedbank in de woonkamer.
2.7.
[betrokkene 3] verklaart tot slot dat hij na het overlijden van [betrokkene 2] samen met [eiser] de uitvaart van [betrokkene 2] heeft verzorgd. [eiser] heeft de kosten voor die begrafenis betaald. De inboedel van [betrokkene 2] is achtergebleven bij [eiser].
2.8.
Volgens [eiser] volgt uit de verklaring van [betrokkene 3] genoegzaam dat sprake was van een duurzame gemeenschappelijke huishouding tussen hem en [betrokkene 2]. Ymere betwist dit en voert aan dat uit de verklaring van [betrokkene 3] enkel volgt dat [eiser] bij [betrokkene 2] ‘inwoonde’. [betrokkene 3] heeft de woning voor het overlijden van [betrokkene 2] nooit bezocht en kan daarom niets verklaren over de wijze waarop [eiser] en [betrokkene 2] met elkaar leefden; van eigen waarnemingen van [betrokkene 3] is geen sprake. [betrokkene 3] heeft verklaard [eiser] tot het moment van overlijden van [betrokkene 2] niet eens te kennen. De ‘inwoning’ was volgens Ymere een praktische oplossing omdat [eiser] geen woonruimte had en [betrokkene 2] de vaste lasten niet zelfstandig kon betalen. Van een duurzame gemeenschappelijke huishouding is dus geen sprake, aldus Ymere. Verder voert Ymere aan dat het op de weg van [eiser] had gelegen bankafschriften over te leggen waaruit de vermeende gemeenschappelijke financiële huishouding zou moeten blijken.
2.9.
De kantonrechter is van oordeel dat [eiser] – tegenover de gemotiveerde betwisting daarvan door Ymere – onvoldoende (nader) heeft onderbouwd dat sprake was van een duurzame gemeenschappelijke huishouding tussen hemzelf en [betrokkene 2]. Hoewel de kantonrechter wil aannemen dat sprake was van een duurzame huishouding, waarbij zowel [eiser] als [betrokkene 2] het voornemen hadden langdurig met elkaar onder één dak te wonen, is van een gemeenschappelijke huishouding onvoldoende gebleken. Meer specifiek heeft [eiser] onvoldoende (nader) onderbouwd dat er tijdens de samenwoning een gemeenschappelijke huishouding bestond, die ook wederkerig was. Uit de verklaring [betrokkene 3] volgt enkel dat [betrokkene 2] met de bankpas van [eiser] boodschappen deed. Verder heeft [eiser] geen stukken of verklaringen overgelegd waaruit volgt welke lasten door [eiser] en welke lasten door [betrokkene 2] werden voldaan. Het is de kantonrechter dan ook onduidelijk hoe de verdere lastenverdeling was. Met Ymere is de kantonrechter daarbij van oordeel dat het op de weg van [eiser] had gelegen bankafschriften over te leggen ter verduidelijking hiervan.
2.10.
Het gegeven dat de samenleving mede ten doel had zorg te verlenen aan [betrokkene 2], is daarbij een contra-indicatie voor het bestaan van een duurzame gemeenschappelijke huishouding. Van wederkerigheid is dan immers in de regel geen sprake, terwijl de samenwoning in de regel ook niet op een duurzame gezamenlijke toekomst is gericht, maar samenhangt met de bestaande verzorgingsbehoefte van de huurder ([betrokkene 2]).
2.11.
Verder is de kantonrechter onduidelijk in hoeverre partijen samen activiteiten ondernamen, zoals gezamenlijke uitstapjes, gezamenlijk avondeten, gezamenlijk doen van spelletjes of het gezamenlijk kijken van tv, etc., kortom; in hoeverre sprake was van ‘inwoning’ zoals Ymere aanvoert of van het voeren van een ‘gemeenschappelijke huishouding’ zoals [eiser] stelt. Bij deze stand van zaken moet de kantonrechter concluderen dat [eiser] zijn stellingen onvoldoende (nader) heeft onderbouwd. Dat betekent dat [eiser] niet aan de vereisten voldoet om de huur voort te zetten en de vordering in conventie niet toewijsbaar is.
2.12.
De verklaring van [betrokkene 3] kan [eiser] daarbij niet baten, omdat [betrokkene 3] heeft verklaard dat hij nooit in de woning is geweest en [eiser] voor het overlijden van [betrokkene 2] niet persoonlijk te hebben gekend. De gehele verklaring van [betrokkene 3] is gebaseerd op informatie die [betrokkene 2] hem door de jaren heen zou hebben verteld, en is dus niet gebaseerd op eigen waarnemingen van [betrokkene 3].
2.13.
De vraag of [eiser] zijn hoofdverblijf in de woning had en over voldoende financiële middelen beschikt om de huur voort te zetten, behoeft gelet op het voorgaande geen beantwoording.
De tegenvordering tot ontruiming van de woning is toewijsbaar
2.14.
Afwijzing van de vordering in conventie heeft tot gevolg dat [eiser] zonder recht of titel in de woning verblijft. De reconventionele vordering van Ymere tot veroordeling van [eiser] tot ontruiming van de woning is daarom toewijsbaar, zij het dat die veroordeling niet uitvoerbaar bij voorraad kan worden verklaard. [3]
2.15.
De ontruimingstermijn wordt door de kantonrechter vastgesteld op 14 dagen na aanschrijving door de deurwaarder nadat dit vonnis onherroepelijk is geworden.
2.16.
Ook de gevorderde voorrechtverklaring is toewijsbaar. Ymere heeft immers gemotiveerd gesteld dat de huurovereenkomst per eind maart 2024, te weten aan het einde van de tweede maand na het overlijden van [betrokkene 2] (op 18 januari 2024), is beëindigd [4] .
[eiser] wordt veroordeeld in de kosten
2.17.
[eiser] is in het geschil in conventie in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van Ymere worden begroot op:
- salaris gemachtigde
246,00
(3 punten × € 82,00)
- nakosten
41,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
287,00
2.18.
Gezien de samenhang met de conventionele vordering zullen de proceskosten inzake de reconventionele vordering worden begroot op nihil.

3.De beslissing

De kantonrechter
in conventie
3.1.
wijst de vorderingen van [eiser] af;
3.2.
veroordeelt [eiser] in de proceskosten van € 287,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [eiser] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend;
3.3.
verklaart dit vonnis – wat betreft de proceskostenveroordeling – uitvoerbaar bij voorraad;
in reconventie
3.4.
verklaart voor recht dat de huurovereenkomst tussen Ymere en wijlen mevrouw [betrokkene 2] per eind maart 2024 rechtsgeldig is komen te beëindigen;
3.5.
veroordeelt [eiser] de woning te ontruimen en te verlaten binnen veertien dagen na aanschrijving door de deurwaarder nadat dit vonnis onherroepelijk is geworden, met afgifte van de sleutels aan Ymere;
3.6.
veroordeelt [eiser] in de kosten van het geding, tot op heden aan de zijde van Ymere begroot op nihil.
Dit vonnis is gewezen door mr. S.N. Schipper en in het openbaar uitgesproken op 12 november 2025.

Voetnoten

1.Op grond van artikel 7:267 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW).
2.Op grond van artikel 7:268 lid 2 BW.
3.Gelet op het bepaalde in artikel 7:268, lid 2 slot BW. Verwezen wordt naar het arrest van Hof Den Haag d.d. 19 april 2016 (ECLI:NL:GHDHA:2016:974, WR 2016/143) en de daarin genoemde wetsgeschiedenis en jurisprudentie.
4.Op grond van artikel 7:268 lid 6 BW.