ECLI:NL:RBNHO:2025:15472

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
24 december 2025
Publicatiedatum
5 januari 2026
Zaaknummer
C/15/351566 / HA ZA 24-212
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Procedures
  • Bodemzaak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Aansprakelijkheid van de voorzitster van de Raad van Commissarissen in een klokkenluiderszaak

In deze zaak vordert eiser, een voormalig consultant en partner bij Ernst & Young Nederland LLP (EYNL), schadevergoeding van gedaagde, de voorzitster van de Raad van Commissarissen (RvC) van EYNL. Eiser stelt dat hij klokkenluidersmeldingen heeft gedaan die niet conform de interne procedures zijn behandeld door gedaagde, wat zou hebben geleid tot onrechtmatig handelen en schade aan zijn inkomen. Gedaagde betwist deze claims en stelt dat zij haar toezichthoudende taak naar behoren heeft uitgevoerd. De rechtbank oordeelt dat gedaagde geen persoonlijk ernstig verwijt kan worden gemaakt en wijst de vorderingen van eiser af. De rechtbank concludeert dat gedaagde niet onrechtmatig heeft gehandeld, omdat zij zich heeft gehouden aan de richtlijnen en procedures van EYNL. Eiser wordt in het ongelijk gesteld en moet de proceskosten betalen.

Uitspraak

RECHTBANK Noord-Holland

Civiel recht
Zittingsplaats Haarlem
Zaaknummer: C/15/351566 / HA ZA 24-212
Vonnis van 24 december 2025
in de zaak van
[eiser],
te [plaats 1] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser] ,
advocaat: mr. M.A.M. Lem,
tegen
[gedaagde],
te [plaats 2] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
advocaat: mr. F.C. Perrick.

1.De zaak in het kort

1.1.
[eiser] is als consultant en partner werkzaam geweest voor Ernst & Young Nederland LLP (hierna: EYNL). [gedaagde] was van 1 juli 2015 tot 1 januari 2023 lid en voorzitster van de raad van commissarissen van EYNL (hierna: de RvC). [eiser] stelt klokkenluidersmeldingen te hebben gedaan en stelt dat [gedaagde] deze meldingen als voorzitster en lid van de RvC niet conform protocol heeft onderzocht en niet heeft ingegrepen, waardoor zij in strijd heeft gehandeld met het eigen reglement van de RvC, de interne klokkenluidersregeling en (daarmee) met nationale en Europese wet- en regelgeving. Volgens [eiser] is [gedaagde] ernstig tekort geschoten in haar toezichthoudende taak, heeft zij daardoor haar taak als commissaris van EYNL kennelijk onbehoorlijk vervuld, kan haar hiervan een persoonlijk ernstig verwijt worden gemaakt en heeft zij aldus onrechtmatig gehandeld tegenover [eiser] . [eiser] vordert de schade (met name gederfde inkomsten) die hij hierdoor heeft geleden en nog lijdt, nader op te maken bij staat. Daarbij vordert [eiser] bij wege van voorschot vergoeding van gederfde looninkomsten en kosten van rechtsbijstand (de werkelijk gemaakte proceskosten).
[gedaagde] betwist dat zij ernstig tekort is geschoten in haar toezichthoudende taak en haar taak als commissaris van EYNL kennelijk onbehoorlijk heeft vervuld en aldus onrechtmatig heeft gehandeld.
De rechtbank is van oordeel dat [gedaagde] geen persoonlijk ernstig verwijt kan worden gemaakt en dus niet onrechtmatig heeft gehandeld en wijst de vorderingen van [eiser] af.
2. De procedure
2.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis van 27 november 2024
- het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 29 september 2025.
2.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

3.De feiten

3.1.
Ernst & Young (hierna: EY) bestaat uit een groep rechtspersonen, die zich richten op het verlenen van diensten zoals boekhouding (accountancy) en advisering (consultancy).
3.2.
[eiser] is met ingang van 1 april 2014 als consultant en partner werkzaam geweest voor (aanvankelijk) Ernst & Young Accountants LLP (hierna: EYA).
3.3.
In december 2013 en in april 2014 hebben de persoonlijke vennootschap van [eiser] , [bedrijf 1] B.V. (hierna: [bedrijf 1] ), en [eiser] met EYNL een
“NL Admission Agreement”gesloten. In elk van deze overeenkomsten is arbitrage van toepassing verklaard.
3.4.
[betrokkene 1] (hierna: [betrokkene 1] ) was van 1 juli 2018 tot 1 juli 2021 bestuursvoorzitter van EYNL. Vanaf 1 juli 2021 vervulde [betrokkene 2] (hierna: [betrokkene 2] ) die rol.
3.5.
[gedaagde] was van 1 juli 2015 tot 1 januari 2023 lid en voorzitster van de RvC.
3.6.
EYNL hanteert een klachtenregeling (hierna: de Klachtenregeling), die luidt, voor zover hier van belang, als volgt:
Artikel 1 – Klachten
(…)
4. Als klachten in de zin van deze regeling gelden niet:
(…)
e) klachten die onderdeel zijn van een geschil voor de civiele-, straf- of bestuursrechter;
(…)
Artikel 2 – Wijze van indiening
(…)
6) Klachten worden niet in behandeling genomen indien:
(…)
b) het een klacht betreft als genoemd in artikel 1.4;
(…)
3.7.
EYNL hanteert een klokkenluidersregeling (hierna: de Klokkenluidersregeling). De Klokkenluidersregeling bepaalt, voor zover hier van belang, als volgt:
EY Nederland Klokkenluidersregeling
(…)
Artikel 2 – Procedure
(…)
5. De Commissie Klachtbehandeling (hierna: de Commissie) draagt zorg voor de inhoudelijke behandeling van meldingen. De Commissie wordt ingesteld en haar leden worden benoemd en ontslagen door het Bestuur van Ernst & Young Nederland LLP. De Commissie draagt zorg voor een vertrouwelijke, zorgvuldige en tijdige behandeling van meldingen. De alsdan geldende EY Nederland Klachtenregeling is zoveel mogelijk van overeenkomstige toepassing op de behandeling van de melding.
(…)
Artikel 4 - Bescherming rechtspositie
Een medewerker van EY, die te goeder trouw op grond van deze klokkenluidersregeling een melding van een Vermeende Misstand doet, of als een raadsman van een Melder in de zin van deze regeling fungeert, wordt op geen enkele wijze in diens rechtspositie dan wel carrière benadeeld als gevolg van het doen van die melding.
Artikel 5 - Externe melding
1. Na het doen van een interne melding van een Vermeende Misstand, kan de Melder een externe melding doen indien de Melder meent dat de melding niet naar behoren is behandeld.
(…)
3. De Melder kan de externe melding doen bij een externe instantie die daarvoor naar het redelijk oordeel van de Melder het meest in aanmerking komt, waaronder de afdeling onderzoek van het Huis voor Klokkenluiders.
3.8.
De RvC hanteert een reglement (hierna: het Reglement RvC), dat luidt, voor zover hier van belang, als volgt:
3 Taken, bevoegdheden en verantwoordelijkheden van de RvC EYNL
3.2
Tot de taken, bevoegdheden en verantwoordelijkheden van de RVC EYNL behoren mede:
(…)
l) toezicht op de instelling en de werking van de meldingsprocedure van (vermoedens van) misstanden, onregelmatigheden en klachten;
m) het in behandeling nemen van, en beslissen omtrent, gemelde vermeende misstanden, onregelmatigheden en klachten;
(…)
4 Voorzitter, vice-voorzitter en secretaris
(…)
4.3
De voorzitter van de RvC EYNL ziet op het volgende toe:
(…)
b) de tijdige en adequate informatieverschaffing aan de leden van de RvC EYNL als nodig voor het naar behoren uitoefenen van hun taak, waaronder (i) HR-gerelateerde informatie voor zover relevant, (ii) meldingen van (vermoedens van) misstanden en onregelmatigheden, voor zover relevant, (iii) belangrijke klachten en claims en de afhandeling daarvan, (iv) de relevante correspondentie tussen EYNL en haar toezichthouders (mededelingen, (incident)meldingen, rapporten) en (v) uitkomsten van personeelstevredenheidsonderzoeken, (vi) de (periodieke) rapportages van het Hoofd Internal Audit;
(…)
12 Onregelmatigheden en klachten
12.1
De RvC EYNL is alert op signalen van (vermoedens van) misstanden en onregelmatigheden.
12.2
De RvC EYNL houdt toezicht op de werking van de meldingsprocedure van (vermoedens van) misstanden en onregelmatigheden, op passend en onafhankelijk onderzoek naar signalen van misstanden en onregelmatigheden en, indien een misstand of onregelmatigheid is geconstateerd, een adequate opvolging van eventuele aanbevelingen tot herstelacties. Om de onafhankelijkheid van onderzoek te borgen heeft de RvC EYNL in gevallen waarin een lid van de Board of Directors betrokken is, de mogelijkheid om zelf een onderzoek te initiëren naar signalen van misstanden en onregelmatigheden en dit onderzoek aan te sturen.
(…)
12.4
Vermeende misstanden of onregelmatigheden die het functioneren van een lid van de Board of Directors betreffen, kunnen door een werknemer rechtstreeks aan de voorzitter van de RvC EYNL worden gemeld. De voorzitter van de klachtencommissie van EYNL meldt alle klachten of meldingen van vermeende misstanden of onregelmatigheden die het functioneren van een lid van de Board of Directors betreffen aan de voorzitter van de RvC EYNL.
(…)
Geschil in 2018
3.9.
In november 2017 heeft [eiser] promotie gemaakt, waardoor hij naast zijn inhoudelijke rol als consultant, ook een (internationaal) coördinerende rol binnen de onderneming kreeg. [eiser] rapporteerde (voornamelijk) aan [betrokkene 3] (hierna: [betrokkene 3] ) en ook aan [betrokkene 4] (hierna: [betrokkene 4] ).
3.10.
Omstreeks 24 september 2018 is tussen [eiser] en [betrokkene 3] discussie ontstaan over een propositie van [eiser] omtrent
e-invoicing. Volgens [eiser] heeft [betrokkene 3] die propositie ten onrechte besproken met Accenture, een concurrent van EY. [eiser] heeft op 7 oktober 2018 bij [betrokkene 4] aangegeven dat mogelijk sprake is geweest schendingen van mededingingsrechtelijke regelingen door [betrokkene 3] , maar dat hij daarvan (zelf) geen melding wil maken aan
“the ethics and compliance office”.
3.11.
In een door [eiser] overgelegd (ongedateerd) WhatsApp-gesprek tussen [eiser] en [betrokkene 1] staat dat [eiser] een gesprek heeft gehad met [betrokkene 4] en dat [betrokkene 4] aan [eiser] een spreekverbod heeft opgelegd.
3.12.
De beoordeling van het functioneren van [eiser] als partner is door [betrokkene 3] voor het fiscale jaar 2018 (FY2018) vastgesteld op
“Need to progress”,de laagst mogelijke beoordeling. Bij brief van 23 oktober 2018 heeft [eiser] een officiële waarschuwing ontvangen van [betrokkene 3] . Vervolgens heeft EYNL per brief van 25 oktober 2018 medegedeeld dat het winstaandeel van [bedrijf 1] met 10% naar beneden werd bijgesteld. Tegen deze korting heeft [eiser] in november 2018 intern bezwaar gemaakt en beroep ingesteld. Onder meer heeft [eiser] in dat kader betoogd dat zijn beoordeling (FY2018) te laag is vastgesteld en dat sprake is geweest van intimidatiegedrag en overtreding van het mededingingsrecht door [betrokkene 3] .
3.13.
[eiser] is vervolgens werkzaam geweest bij een ander onderdeel van de onderneming (het “EAC”), waar hij niet meer rapporteerde aan [betrokkene 3] . De beoordeling over het jaar 2019 (FY2019) van [eiser] is door [betrokkene 5] vastgesteld op
“Progressing”(de een-na-laagste beoordeling). Over het jaar 2020 (FY2020) was de beoordeling van [eiser] wederom
“Need to progress”.
Consultancy-tak gaat naar EYAN
3.14.
Begin 2019 is bekend geworden dat de consultancy-activiteiten van EYNL, waarvan [eiser] onderdeel uitmaakte, zouden worden ondergebracht in een separate entiteit met de naam EY Advisory Netherlands LLP (hierna: EYAN).
3.15.
Op 30 maart 2019 hebben [eiser] en [bedrijf 1]
aan “each member of the boards of Ernst & Young Accountants LLP and EY Advisory Netherlands LLP”een volmacht verstrekt om (onder andere) een
“agreement of admission to EYAN”aan te gaan. De overeenkomst en bijbehorende documenten waren op 21 maart 2019 door (een jurist van) EYNL in concept aan [eiser] toegestuurd.
3.16.
De bestuurders van EYAN waren, met ingang van 31 maart 2019, [betrokkene 3] ,
[betrokkene 6] (hierna: [betrokkene 6] ) en [betrokkene 7] .
3.17.
Op 1 april 2019 heeft [betrokkene 3] namens [bedrijf 1] en namens [eiser] een
“AN Admission Agreement”met EYAN ondertekend.
Geschil in 2020-2021
3.18.
Op 31 maart 2020 en 7 april 2020 hebben gesprekken plaatsgevonden met onder andere [eiser] en [betrokkene 1] , waarvan [eiser] een opname heeft gemaakt. Onder meer is gesproken over het beroep van [eiser] tegen zijn beoordeling FY2018 en zijn stelling dat sprake is geweest van intimidatiegedrag en overtreding van het mededingingsrecht door [betrokkene 3] . [eiser] heeft daarbij gezegd dat hij geen klokkenluider wil zijn.
3.19.
[bedrijf 2] N.V. (hierna: [bedrijf 2] ) heeft in opdracht van EYNL in mei 2020 onderzoek verricht. Daarbij zijn [betrokkene 3] , [eiser] en zes andere partners gehoord. Op 11 juni 2020 heeft [bedrijf 2] haar bevindingen aan EYNL meegedeeld, (onder meer) inhoudende dat van intimidatiegedrag en overtreding van mededingingsrechtelijke regels niet is gebleken. [eiser] heeft de geanonimiseerde conclusies kunnen inzien. Het beroep tegen de beoordeling FY2018 van [eiser] is op 4 maart 2021 afgewezen.
3.20.
Per brief van 28 oktober 2020 meldt EYNL, vertegenwoordigd door [betrokkene 1] , aan [bedrijf 1] dat het winstaandeel van [bedrijf 1] met 25% naar beneden is bijgesteld.
3.21.
Bij brief van 24 december 2020 meldt EYAN (vertegenwoordigd door [betrokkene 6] ) aan [eiser] dat zij de
AN Admission Agreementop grond van artikel 14.2 van de
Fundamental Rulesvan EY opzegt tegen 1 juli 2021, wat volgens de brief betekent dat [bedrijf 1] per die datum uittreedt uit EYAN en EYNL. Als gronden zijn vermeld dat er geen vertrouwen meer is in [eiser] en dat binnen Nederland voor hem geen andere positie beschikbaar is. Aan [bedrijf 1] is een uittredingsvergoeding betaald.
3.22.
Op 6 april 2021 is een anonieme melding gedaan in het
EY/Ethics portal(die afkomstig bleek van [eiser] ). Vanwege het feit dat de melding anoniem was is via het
Ethics portalvervolgens om nadere informatie gevraagd. Op verzoek van [eiser] is de melding vervolgens
on holdgezet. Nadat verdere informatie vervolgens uitbleef is de casus gesloten.
3.23.
Op 30 juni 2021 doet [eiser] een nieuwe, niet anonieme, melding via het
Ethics portal. Deze melding is uiteindelijk niet behandeld omdat [eiser] EYNL en EYAN aansprakelijk had gesteld en vanaf april 2021 verschillende procedures tegen EYAN en EYNL was begonnen.
Communicatie van [eiser] met de RvC/ [gedaagde]
3.24.
Bij brief van 22 juni 2021 aan de RvC stelt [eiser] aan de orde dat hij tot viermaal toe een melding over misstanden heeft gedaan onder de Klokkenluidersregeling en dat die meldingen niet conform die regeling zijn afgehandeld. In het bijzonder is geen onafhankelijk onderzoek gedaan naar één van de door hem geuite klachten, omdat dat onderzoek door haar eigen advocaat [bedrijf 2] is uitgevoerd. [eiser] stelt voorts dat zonder goede reden op zijn salaris is gekort en zijn partnership is opgezegd, en dat dit de repercussie is geweest van zijn meldingen over de misstanden.
3.25.
Bij e-mail van 22 juni 2021 antwoordt [gedaagde] dat de RvC de brief van [eiser] in goede orde heeft ontvangen en vraagt zij [eiser] toestemming om deze brief aan onder andere de raad van bestuur voor een reactie voor te leggen. Bij e-mail van diezelfde datum antwoordt [eiser] hiermee akkoord te zijn.
3.26.
Bij e-mail van 12 juli 2021 beklaagt [eiser] zich bij de RvC over het uitblijven van een reactie en vraagt hij om overleg om de ontstane situatie alsnog te trachten op te lossen.
3.27.
Bij e-mail van 13 juli 2021 antwoordt [gedaagde] , voor zover hier van belang, als volgt:
In uw brief van 22 juni 2021 heeft u een aantal bezwaren tegen de manier waarop u bent behandeld onder onze aandacht gebracht. Het is niet juist dat u slechts een bevestiging van ontvangst op uw brief heeft ontvangen. Ik heb u per e-mail gevraagd of u ermee akkoord kon gaan dat wij het door u beschreven conflict met het bestuur van EY zouden bespreken. U heeft diezelfde dag bevestigd dat dat akkoord is. Uiteraard heb ik mij vervolgens tot het bestuur gewend en zijn ook stukken betreffende de kwestie bestudeerd. Om die reden waren wij nog niet op uw brief teruggekomen.
U stelt voor dat de RvC met u in overleg treedt “om de ontstane situatie alsnog te trachten op te lossen“. Ik wijs u erop dat het niet aan de RvC is om zelfstandig regelingen te treffen met (oud) partners. De taak van de RvC is, toezicht te houden op het bestuur en de gang van zaken binnen EYNL. Binnen dat kader ben ik echter bereid op uw verzoek om een gesprek in te gaan, teneinde u in de gelegenheid te stellen uw klachten mondeling nader toe te lichten.
Daar uw bezwaren mede juridisch van aard zijn (en daarover inmiddels ook een aantal procedures loopt) kan ik mij voorstellen dat u zich bij het gesprek door uw advocaat wil laten vergezellen. Van onze kant zou ik graag de juridisch adviseur van de RvC bij het gesprek aanwezig laten zijn.
(…)
3.28.
Op 14 juli 2021 vindt een gesprek plaats tussen [eiser] en [gedaagde] in het bijzijn van de advocaat van [eiser] (mr. Lem) en de advocaat van de RvC (mr. A.R.J. Croiset Van Uchelen).
3.29.
Bij e-mail van 20 september 2021 aan [gedaagde] maakt [eiser] onder meer melding van het feit dat de advocaten van (de RvC van) EYNL in 2014 ook [eiser] hebben geadviseerd en verzoekt hij de RvC een einde te maken aan de misstanden die zich in deze zaak hebben voorgedaan. Daarnaast wijst [eiser] op een door hem opgesteld rapport inzake de door hem geleden en te lijden schade.
3.30.
Bij e-mail van 22 september 2021 antwoordt [gedaagde] als volgt:
(…)
Vanuit de verantwoordelijkheid van de RvC om toezicht te houden op het bestuur en de gang van zaken bij EY Nederland hebben wij enige tijd geleden met elkaar gesproken, zodat ik van uw perspectief op de zaak kennis heb kunnen nemen. Dat is en wordt door de RvC meegenomen in haar toezicht. De RvC is echter, zoals ik eerder ook aangaf, niet uw gesprekspartner. In zaken tussen EY en (voormalige) partners wordt EY vertegenwoordigd door het bestuur. Ik heb uw email daarom met het bestuur besproken en deze gevraagd om daarop te reageren.
Via mr. Croiset van Uchelen heb ik kennis genomen van het rapport inzake uw schade. Ook hier is het aan het bestuur om zich daarover een oordeel te vormen en aan u voorstellen te doen om tot een minnelijke regeling te komen en beperkt de rol van de RvC zich tot toezicht op de handelwijze van het bestuur ter zake. Over de inhoud van onze gesprekken met de Raad van Bestuur dienaangaande kan ik u niets mededelen. De zaak heeft onze aandacht.
(…)
3.31.
Bij e-mail van 5 oktober 2021 deelt [eiser] aan de RvC onder meer mee dat hij het bestuur van EY/EYNL en haar advocaat, mr. [betrokkene 9] , aansprakelijk heeft gesteld. [eiser] verzoekt [gedaagde] om door te vragen naar de houding en opstelling van het bestuur en de advocaat en zo nodig in te grijpen.
3.32.
Bij e-mail van 5 oktober 2021 antwoordt [gedaagde] dat de kwestie de aandacht van de RvC heeft.
3.33.
Bij e-mail van 4 november 2021 aan de RvC deelt [eiser] mee dat hij EYAN, EYNL, mr. [betrokkene 9] en [bedrijf 3] N.V. heeft gedagvaard en roept hij de RvC nogmaals op om in te grijpen. Voorts doet [eiser] onder verwijzing naar artikel 12.4 Reglement RvC bij [gedaagde] als voorzitster van de RvC melding van belangentegenstellingen tussen EY/EYNL en [bedrijf 3] .
Bij e-mail van 8 november 2021 verzoekt [eiser] aan [gedaagde] of zij wil aansluiten bij een bespreking met [eiser] en zijn advocaat en met de advocaat van EYNL.
3.34.
Bij e-mail van 12 november 2021 reageert [gedaagde] , geeft zij aan niet direct een belangtegenstelling te zien, wijst zij erop dat er inmiddels een civiele procedure loopt zodat er voor de RvC geen taak is om nader onderzoek te doen en doet zij een suggestie voor mediation tussen [eiser] en EYNL.
3.35.
Bij e-mail van 13 november 2021 geeft [eiser] aan opnieuw melding te doen ex artikel 12.4 Reglement RvC van de belangenverstrengeling tussen EY en EYNL enerzijds en mr. [betrokkene 9] en/of [bedrijf 3] anderzijds, maar nu eveneens met betrekking tot de rol van de advocaten van [bedrijf 4] bij de toetreding van [eiser] tot EY.
3.36.
Bij brief van 15 november 2021 antwoordt [gedaagde] onder meer dat [eiser] niet ingaat op haar voorstel om mediation te organiseren. Als [eiser] bij e-mail van diezelfde datum voorstelt dat [gedaagde] als mediator zal optreden, antwoordt [gedaagde] op 18 november 2021 dat zij niet als mediator kan optreden omdat zij als commissaris van EY niet onafhankelijk is. Zij stelt voor dat [eiser] drie mediators voorstelt, waaruit EY er één kiest. [gedaagde] gaat verder in op de rol van [bedrijf 4] en licht gemotiveerd toe dat volgens haar de toepasselijke regelingen correct worden toegepast
.
3.37.
In november 2021 volgen nog diverse e-mails over en weer. [eiser] neemt daarin het standpunt in dat de RvC haar bemiddelende rol niet oppakt en weigert onafhankelijk onderzoek te doen. [gedaagde] schrijft dat zij, ondanks het feit dat daarover inmiddels een civiele procedure loopt, de bezwaren van [eiser] tegen de betrokkenheid van [bedrijf 4] /mr. [betrokkene 8] heeft onderzocht en geen reden ziet om hen als geconflicteerd te zien. Uiteindelijk schrijft zij op 26 november 2021:
Verdere correspondentie tussen ons over al deze kwesties heeft geen zin meer en ik behoud me het recht voor om ook niet meer op verdere mails te reageren. Als meermalen gezegd is de raad van bestuur in deze uw aanspreekpunt. Ik hoop van harte dat u spoedig met EY tot een vergelijk komt zodat wij met een gerust hart deze kwestie achter ons kunnen laten.
3.38.
Bij e-mail van 16 december 2022 schrijft [eiser] aan [gedaagde] dat zijn klokkenluidersmeldingen niet conform de Klokkenluidersregeling en de toepasselijke (nationale en Europese) wet- en regelgeving zijn onderzocht en opgevolgd. [eiser] verzoekt [gedaagde] om aanbevelingen aan het bestuur te doen om deze zaak in der minne met hem op te lossen.
3.39.
Op 21 december 2022 reageert [gedaagde] als volgt:
Van uw mail van 16 december jl. heb ik kennisgenomen. Hetgeen daarin door u wordt gesteld, inclusief de zaken die uit de door u tegen [bedrijf 2] gevoerde procedure zouden zijn gebleken, heb ik besproken met de raad van bestuur.
Ik heb u eerder laten weten dat de diverse regelingen door EY naar mijn mening juist zijn toegepast en dat er voor de raad van commissarissen geen aanleiding is om hierover verder met u te corresponderen. Hetgeen u in uw mail naar voren brengt, maakt dit niet anders. De raad van bestuur is in deze uw aanspreekpunt. Temeer, omdat u over deze kwesties procedures tegen EY voert. Ik verwijs u in dat verband naar mijn e-mail aan u van 18 november 2021.
U vraagt mij, een aanbeveling aan de raad van bestuur te doen om uw zaken in der minne op te lossen. Ik heb u eerder laten weten dat de raad van bestuur daartoe een naar mijn mening meer dan redelijk aanbod heeft gedaan. Die mening ben ik nog steeds toegedaan en ik zie dan ook geen reden om ter zake nader te interveniëren.
3.40.
Op 10 oktober 2023 stelt [eiser] [gedaagde] persoonlijk aansprakelijk voor inkomens-, pensioen- en reputatieschade die hij lijdt en heeft geleden.
3.41.
Bij e-mail van 11 oktober 2023 wijst (de advocaat van) [gedaagde] alle aansprakelijkheid van de hand.
Procedures van [eiser] tegen EY en [betrokkene 1] (2021-2023)
3.42.
Vanaf april 2021 is [eiser] verschillende procedures gestart tegen (onder andere) EYNL en EYAN. Daarin heeft de rechter zich meermaals onbevoegd verklaard, omdat een beroep werd gedaan op een overeengekomen arbitragebeding. De absolute onbevoegdheid van de rechter is in hoger beroep bevestigd, onder meer in een beschikking van het gerechtshof Den Haag van 20 december 2022, gewezen tussen [eiser] en EYAN. Een daartegen ingesteld cassatieberoep is door de Hoge Raad op 2 februari 2024 verworpen.
3.43.
Gedurende voormelde procedures heeft EYNL getracht met [eiser] tot een minnelijke regeling te komen. Daarbij is op 11 juni 2021 door EYNL een schikkingsvoorstel gedaan, waarmee [eiser] deels tegemoet wordt gekomen ter zake van de kortingen op het winstdeel voor de fiscale jaren 2018 en 2020 en de uittreedvergoeding van [eiser] . Dit aanbod is door [eiser] niet geaccepteerd.
3.44.
[eiser] heeft in incident gevorderd dat de rechtbank bij voorlopige voorziening [betrokkene 1] , [betrokkene 2] en [gedaagde] veroordeelt om aan [eiser] een voorschot te voldoen op de door hem geleden en te lijden schade.
3.45.
[betrokkene 1] en [betrokkene 2] hebben met een beroep op een arbitragebeding in incident gevorderd dat de rechtbank zich onbevoegd verklaard.
3.46.
De rechtbank heeft zich bij vonnis in incident van 27 november 2024 ten aanzien van de vordering jegens [betrokkene 1] en [betrokkene 2] gelet op het overeengekomen arbitragebeding onbevoegd verklaard en de incidentele vordering jegens [gedaagde] afgewezen.

4.Het geschil

4.1.
[eiser] vordert (na aanvulling/vermeerdering van eis) bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
Een verklaring voor recht dat [gedaagde] zodanig onzorgvuldig jegens [eiser] heeft gehandeld, dat haar daarvan persoonlijk een (ernstig) verwijt kan worden gemaakt, en dat [gedaagde] om die reden persoonlijk aansprakelijk is ten opzichte van [eiser] voor de schade die [eiser] als gevolg daarvan lijdt en heeft geleden;
Een verklaring voor recht dat [gedaagde] verplicht is om de schade die [eiser] als gevolg van onrechtmatig handelen door [gedaagde] heeft geleden en lijdt, nader op te maken bij staat, aan [eiser] dient te vergoeden;
Veroordeling van [gedaagde] om aan [eiser] te voldoen de sinds 1 juli 2021 door [eiser] gederfde maandelijkse vergoeding van € 46.537, te vermeerderen met 50% wettelijke verhoging, en te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 1 juli 2021, althans vanaf de dag der dagvaarding tot aan de dag der algehele voldoening, totdat de arbeidsovereenkomst rechtsgeldig zal zijn geëindigd;
Veroordeling van [gedaagde] in de door [eiser] in deze zaak daadwerkelijk gemaakte proceskosten, nader op te maken bij staat.
4.2.
[eiser] legt aan zijn vorderingen – samengevat – ten grondslag dat hij klokkenluidersmeldingen heeft gedaan en dat [gedaagde] , als voorzitster en lid van de RvC, deze niet conform protocol heeft onderzocht en niet heeft ingegrepen, waardoor zij in strijd heeft gehandeld met het eigen reglement van de RvC, de interne klokkenluidersregeling en (daarmee) met de wet en met Europese wetgeving. [gedaagde] is hierdoor ernstig tekort geschoten in haar toezichthoudende taak en heeft haar taak als commissaris van EYNL hierdoor kennelijk onbehoorlijk vervuld. [gedaagde] kan hiervan een persoonlijk ernstig verwijt worden gemaakt. Als gevolg van deze onrechtmatige handelwijze leed en lijdt [eiser] schade, bestaande uit met name gederfde inkomsten. [gedaagde] dient deze schade te vergoeden, aldus [eiser] .
4.3.
[gedaagde] voert verweer en concludeert tot niet-ontvankelijkheid van [eiser] , dan wel tot afwijzing van zijn vorderingen, met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [eiser] in de kosten van deze procedure, te vermeerderen met de wettelijke rente.
4.4.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

5.De beoordeling

5.1.
De RvC heeft op grond van artikel 2:140 lid 2 BW tot taak (i) toezicht te houden op het beleid van het bestuur en op de algemene gang van zaken in de vennootschap en de met haar verbonden onderneming en (ii) het bestuur met raad ter zijde te staan. Bij de vervulling van hun taak moeten de commissarissen zich richten naar het belang van de vennootschap en de met haar verbonden onderneming.
5.2.
Als uitgangspunt geldt dat de onderneming aansprakelijk is voor eventuele schade veroorzaakt door haar onrechtmatig handelen. Commissarissen kunnen (intern) jegens de vennootschap (artikel 2:9 BW) of (extern) jegens derden (artikel 6:162 BW) aansprakelijk zijn indien zij hun taak – het houden van toezicht en het geven van advies – niet naar behoren hebben vervuld en hen hiervan persoonlijk een voldoende ernstig verwijt kan worden gemaakt, in die zin dat geen redelijk denkend commissaris – onder dezelfde omstandigheden – zo gehandeld zou hebben. Of sprake is van een persoonlijk ernstig verwijt is afhankelijk van de aard en ernst van de normschending en de overige omstandigheden van het geval, waaronder [1] :
- de aard van de door de vennootschap uitgeoefende activiteiten;
- de in het algemeen daaruit voortvloeiende risico’s;
- de taakverdeling binnen de RvC;
- de eventueel voor de RvC geldende richtlijnen;
- de inhoud van de statuten van de vennootschap;
- de gegevens waarover de commissaris beschikte of behoorde te beschikken ten tijde van de aan hem verweten beslissingen of gedragingen;
- het inzicht en de zorgvuldigheid die mogen worden verwacht van een commissaris die voor zijn taak berekend is en deze nauwgezet vervult;
- de aard, ernst en frequentie van de normschending(en) door de commissaris;
- de mate van schuld dienaangaande van de commissaris.
5.3.
[eiser] stelt dat [gedaagde] ernstig tekort is geschoten in haar toezichthoudende taak, dat zij daardoor haar taak als commissaris van EYNL kennelijk onbehoorlijk heeft vervuld en dat haar hiervan een persoonlijk ernstig verwijt kan worden gemaakt. Volgens [eiser] heeft hij [gedaagde] continu op de hoogte gehouden van zijn situatie en wist zij dus van meet af aan van de hoed en de rand. [gedaagde] heeft echter nagelaten concrete maatregelen te treffen in reactie op het verzuim van het bestuur van EYNL. Van haar had mogen worden verwacht dat zij als commissaris zou ingrijpen. Door ingrijpen na te laten waar dat noodzakelijk was, is zij schromelijk tekort geschoten in haar toezichthoudende taak als commissaris. Concreet verwijt [eiser] [gedaagde] dat zij vanaf 22 juni 2021:
- geen althans onvoldoende toezicht heeft gehouden op de werking van de Klokkenluidersregeling voor de klokkenluidersmeldingen door [eiser] in 2018 en 2020 en ook niet op passend en onafhankelijk onderzoek naar deze meldingen;
- de klokkenluidersmelding van [eiser] uit oktober 2021 over het bestuur van EYNL niet heeft onderzocht conform het protocol uit de Klokkenluidersregeling, terwijl zij daar op grond van artikel 12.4 reglement RvC toe verplicht was; in plaats daarvan heeft [gedaagde] zelf een eigen onderzoek in gang gezet door een jurist die niet betrokken zou zijn geweest bij de onderhavige zaak;
- zich onvoldoende onafhankelijk van het bestuur van EYNL heeft opgesteld;
- niet heeft ingegrepen en niet heeft bewerkstelligd dat voor de door [eiser] gedane klokkenluidersmeldingen alsnog het protocol uit de Klokkenluidersregeling zou worden gevolgd;
- er bij het bestuur van EYNL niet op heeft aangedrongen dat de onterechte inhoudingen op het salaris van [eiser] en de opzegging van de arbeidsovereenkomst ongedaan zouden worden gemaakt;
- niet alsnog heeft ingegrepen, zodra zij door [eiser] werd geïnformeerd over het feit dat het bestuur van EYNL in alle gevoerde procedures in strijd met de waarheid heeft verklaard dat [bedrijf 2] onafhankelijk onderzoek zou hebben gedaan naar de klokkenluidersmeldingen door [eiser] , aldus steeds [eiser] .
5.4.
[gedaagde] betwist dat zij ernstig tekort is geschoten in haar toezichthoudende taak, dat zij daardoor haar taak als commissaris van EYNL kennelijk onbehoorlijk heeft vervuld en dat haar hiervan een persoonlijk ernstig verwijt kan worden gemaakt (en zij aldus onrechtmatig heeft gehandeld). Er was voor de RvC, gelet op de bevindingen uit het door de RvC gedane onderzoek, geen enkele reden om in te grijpen in het bestuur. Zij heeft haar toezichtfunctie daarmee deugdelijk uitgevoerd. Daarnaast heeft zij e-mails en brieven van [eiser] consequent beantwoord en heeft zij geprobeerd een mediationtraject op te zetten in een poging de situatie te de-escaleren. Mediation heeft uiteindelijk plaatsgevonden, maar heeft niet geleid tot een oplossing van het geschil. Ook toen [eiser] in november 2021 wel expliciet meldingen aan [gedaagde] deed op grond van artikel 12.4 van het Reglement RvC, heeft zij naar behoren gehandeld. Die meldingen zien op de vermeende belangenverstrengeling tussen EY en EYNL enerzijds en mr. [betrokkene 9] en [bedrijf 3] anderzijds. Dit was echter al onder de rechter. Uit de artikelen 1.4 sub e en 3.6 sub b van de Klachtenregeling vloeit voort dat de klacht (en dit geldt dus ook voor een melding onder de Klokkenluidersregeling) niet wordt behandeld als daarover een civiele procedure loopt. [gedaagde] was dan ook niet gehouden de interne klokkenluidersprocedure te starten. Overigens heeft zij de verwijten toch onderzocht en is haar niet gebleken van onregelmatigheden. Bovenstaande toont aan dat [gedaagde] haar taak meer dan naar behoren heeft uitgevoerd. Aan externe commissarisaansprakelijkheid wordt dan ook niet toegekomen, aldus [gedaagde] .
5.5.
De rechtbank overweegt als volgt. [eiser] verwijt [gedaagde] dat zij ernstig tekort is geschoten in haar toezichthoudende taak omdat zij niet heeft ingegrepen in reactie op het verzuim van het bestuur (van EYNL). Gelet op bovenvermeld toetsingskader is het uitgangspunt dat pas sprake kan zijn van aansprakelijkheid van de (leden van de) RvC voor handelen of nalaten van EYNL als EYNL zelf ook aansprakelijk is. [eiser] gaat ervan uit dat EYNL aansprakelijk is voor de - volgens hem - onterechte beëindiging van zijn partnershipovereenkomst, omdat hij zich als klokkenluider op klokkenluidersbescherming kan beroepen. Maar dat EYNL daarvoor aansprakelijk zou zijn, is niet vastgesteld in een procedure tussen EYNL en [eiser] en staat dus niet vast. [gedaagde] heeft gemotiveerd betwist dat EYNL zich schuldig heeft gemaakt aan een benadelingshandeling en onder meer aangevoerd dat de partnershipovereenkomst is geëindigd om redenen die geen enkel verband houden met de beschuldigingen aan het adres van [betrokkene 3] . De rechtbank zal dit verder in het midden laten. Zij komt al in verband met het navolgende tot de conclusie dat de verwijten die [eiser] aan [gedaagde] maakt geen doel treffen.
5.6.
[eiser] verwijt [gedaagde] dat zij niet heeft bewerkstelligd dat de meldingen van [eiser] in 2018 en 2020 conform de Klokkenluidersregeling zijn onderzocht en houdt [gedaagde] daarom (mede) aansprakelijk voor de beëindiging van de partnershipovereenkomst. Ook als zou komen vast te staan dat [eiser] een of meer klokkenluidersmeldingen heeft gedaan vóórdat EYAN de partnershipovereenkomst met [eiser] heeft opgezegd en dat zou worden vastgesteld dat geen sprake is geweest van een voldoende onafhankelijk onderzoek, heeft [gedaagde] naar het oordeel van de rechtbank gedaan wat ze had moeten doen in het kader van haar toezichthoudende taak als commissaris, zodat zij deze taak naar behoren heeft vervuld. Tussen partijen staat de wijze waarop [gedaagde] feitelijk heeft gehandeld niet ter discussie. Zij heeft in de periode tussen juni 2021 en november 2021 (en vervolgens weer in december 2022) uitgebreid met [eiser] gecorrespondeerd, waarbij zij ieder e-mailbericht van [eiser] inhoudelijk heeft beantwoord. Ofschoon zij [eiser] van meet af aan en bij herhaling heeft laten weten dat niet zij, maar de raad van bestuur van EY feitelijk zijn gesprekspartner is, is zij steeds ingegaan op ieder vraagpunt dat [eiser] opwierp, heeft zij [eiser] op kantoor ontvangen en getracht oplossingen aan te dragen voor het tussen [eiser] en EY gerezen geschil (r.o. 3.24 tot en met 3.39). Ter zitting heeft [gedaagde] nog toegelicht dat zij zich al voordat [eiser] zich bij haar meldde steeds door het bestuur over de zaak heeft laten informeren. Zij heeft de kwestie uitvoerig met het bestuur besproken. Het bestuur heeft meegedeeld de melding niet als klokkenluiden in de zin van de Klokkenluidersregeling te benoemen, ook omdat [eiser] dat zelf niet wilde. [gedaagde] heeft het bestuur gevraagd de kwestie goed te onderzoeken en te kijken of het onderzoek de toets der kritiek kon doorstaan als het wél een klokkenluidersmelding zou worden. Toen het kantoor van [bedrijf 2] werd ingeschakeld, heeft ze het bestuur gevraagd of [bedrijf 2] voldoende onafhankelijk was. Ze heeft zich hierover door het bestuur laten voorlichten. Nadat [eiser] zich bij haar had gemeld, heeft [gedaagde] met [eiser] (in het bijzijn van advocaten) gesproken en zijn kant van het verhaal aangehoord. Zij heeft zich vervolgens tot de advocaat van de RvC gewend en ook hem gevraagd of het onderzoek door [bedrijf 2] voldoende onafhankelijk was. Dit heeft de advocaat van de RvC aan haar bevestigd. Naar het oordeel van de rechtbank blijkt hieruit dat [gedaagde] haar taak als voorzitter van de RvC zorgvuldig heeft uitgevoerd en heeft gedaan wat zij in haar positie had moeten doen. Als zou komen vast te staan dat zij door het bestuur en de advocaat van de RvC onjuist is geïnformeerd of geadviseerd, leidt dit naar het oordeel van de rechtbank niet tot de conclusie dat [gedaagde] onrechtmatig heeft gehandeld. Zij mocht immers afgaan op het advies van de advocaat van de RvC. Uit de gang van zaken blijkt dan ook niet dat haar een verwijt kan worden gemaakt, en al helemaal geen persoonlijk ernstig verwijt.
5.7.
De rechtbank voegt hieraan nog toe dat [eiser] het onderzoek van [bedrijf 2] nu ter discussie stelt, maar geen inhoudelijke gronden aanvoert waar uit is af te leiden dat dit onderzoek niet deugdelijk zou zijn. [eiser] heeft destijds geen bezwaar gemaakt tegen de vorm van het onderzoek en er ook aan meegewerkt. Hij stelt nu, achteraf, dat [bedrijf 2] niet als onafhankelijke derde kan worden beschouwd, omdat [bedrijf 2] de huisadvocaat van EYNL was. Maar de Klokkenluidersregeling van EY schrijft geen onafhankelijk onderzoek voor in de zin die [eiser] eraan geeft. Zoals hiervoor onder feiten weergegeven staat in die regeling dat de Commissie Klachtbehandeling zorgdraagt voor de inhoudelijke behandeling van meldingen. De leden van die commissie worden benoemd en ontslagen door het bestuur van EYNL. Niet valt in te zien dat een onderzoek door [bedrijf 2] minder onafhankelijk is dan een onderzoek conform de Klokkenluidersregeling.
5.8.
Wat betreft het verwijt van [eiser] dat [gedaagde] na 22 juni 2021 onvoldoende toezicht heeft gehouden op de Klokkenluidersregeling en meldingen niet conform protocol heeft afgedaan, overweegt de rechtbank als volgt.
De anonieme melding van 6 april 2021 heeft [eiser] zelf
on holdgezet waarna de casus is gesloten. Voor de meldingen op 30 juni 2021 en in oktober 2021 (belangenverstrengeling mr. [betrokkene 9] ) geldt dat [eiser] deze onderwerp heeft gemaakt van civiele procedures, waardoor de meldingen gelet op de artikelen 1.4 sub e en 3.6 sub b van de Klachtenregeling (r.o. 3.6) jo. artikel 2.5 van de Klokkenluidersregeling (r.o. 3.7), op juiste gronden niet zijn behandeld. Bovendien geldt voor beide meldingen dat deze zijn gedaan na de opzegging van het partnerschap met [eiser] op 24 december 2020. Daarom kunnen deze meldingen geen betrekking hebben gehad op de opzegging van het partnerschap met [eiser] . Van een causaal verband tussen deze meldingen en de opzegging kan dus geen sprake zijn geweest.
5.9.
Het voorgaande leidt tot de conclusie dat [gedaagde] geen persoonlijk ernstig verwijt kan worden gemaakt en (dus) niet onrechtmatig heeft gehandeld, zodat de vorderingen van [eiser] zullen worden afgewezen. Aan de beoordeling van de gestelde schade wordt dan ook niet toegekomen.
5.10.
[eiser] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [gedaagde] worden begroot op:
- griffierecht
2.626,00
- salaris advocaat
8.714,00
(2 punten × € 4.357,00)
- nakosten
178,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
11.518,00
5.11.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.

6.De beslissing

De rechtbank
6.1.
wijst de vorderingen van [eiser] af,
6.2.
veroordeelt [eiser] in de proceskosten van € 11.518,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 92,00 plus de kosten van betekening als [eiser] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
6.3.
veroordeelt [eiser] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
6.4.
verklaart dit vonnis wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. M.A.J. Berkers, mr. W.S.J. Thijs en mr. R.I.V. Scherpenhuijsen Rom en in het openbaar uitgesproken op 24 december 2025

Voetnoten

1.Zie ook: HR 10 januari 1997, ECLI:NL:HR:1997:ZC2243, Staleman/Van de Ven