ECLI:NL:RBNHO:2025:15419

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
28 november 2025
Publicatiedatum
2 januari 2026
Zaaknummer
11915974
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging ontslag op staande voet door werkneemster, niet-ontvankelijkheid wegens te late indiening verzoekschrift

In deze zaak verzoekt de werkneemster om vernietiging van een ontslag op staande voet. De werkneemster is echter niet-ontvankelijk in haar verzoek, omdat het verzoek te laat is ingediend. De kantonrechter oordeelt dat het beroep op de redelijkheid en billijkheid niet wordt gehonoreerd. De werkneemster moet de volledige proceskosten betalen, omdat zij de procedure heeft doorgezet ondanks dat zij op de vervaltermijn is gewezen, wat de werkgeefster onnodig op extra kosten heeft gejaagd.

De procedure begon met een verzoek van de werkneemster om het ontslag te vernietigen. De werkneemster, die sinds 1 januari 2021 in dienst was bij de werkgeefster, had een loon van € 3.419,00 bruto per maand. Het ontslag op staande voet werd op 6 augustus 2025 telefonisch medegedeeld, maar de werkneemster stelde dat zij pas op 8 augustus 2025 op de hoogte was gesteld. De kantonrechter oordeelt dat het verzoekschrift op 9 oktober 2025 is ingediend, wat te laat is, aangezien de termijn van twee maanden na het ontslag op 8 oktober 2025 afliep.

De kantonrechter concludeert dat het verzoek niet-ontvankelijk is en dat er geen inhoudelijke beoordeling kan plaatsvinden. De werkneemster had moeten begrijpen dat haar verzoek geen kans van slagen had en heeft de procedure tegen beter weten in doorgezet. De kantonrechter wijst de werkneemster daarom de volledige proceskosten toe, die zijn gematigd tot € 2.500,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving.

Uitspraak

RECHTBANKNOORD-HOLLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Zaanstad
Zaaknummer / rekestnummer: 11915974 \ AO VERZ 25-43 (NE)
Beschikking van 28 november 2025
in de zaak van
[verzoeker],
te [plaats] ,
verzoekende partij,
hierna te noemen: [verzoeker] ,
gemachtigde: mr. F. Acar,
tegen
[verweerder],
te [plaats] ,
verwerende partij,
hierna te noemen: [verweerder] ,
gemachtigde: mr. J.P. Dikker.
De zaak in het kort
In deze zaak verzoekt de werkneemster om vernietiging van een ontslag op staande voet. De werkneemster is niet-ontvankelijk in haar verzoek, omdat het verzoek te laat is ingediend. Het beroep op de redelijkheid en billijkheid wordt niet gehonoreerd. Werkneemster moet de volledige proceskosten betalen vanaf het moment dat de werkgeefster haar op de vervaltermijn heeft gewezen, maar de procedure toch heeft doorgezet. Daarmee heeft zij werkgeefster onnodig op extra kosten gejaagd.

1.De procedure

1.1.
[verzoeker] heeft een verzoek gedaan om onder meer een ontslag te vernietigen. [verweerder] heeft een verweerschrift ingediend, waarna [verzoeker] een correctie op het verzoekschrift heeft ingediend.
1.2.
Op 14 november 2025 heeft een mondelinge behandeling plaatsgevonden. Partijen en hun gemachtigden hebben daar hun standpunten toegelicht en vragen beantwoord. De griffier heeft daarvan aantekeningen gemaakt. Vóór de mondelinge behandeling hebben [verzoeker] met een brief van 4 november 2025 en [verweerder] met een brief van 12 november 2025 nog stukken toegezonden.

2.De feiten

2.1.
[verzoeker] is sinds 1 januari 2021 in dienst bij [verweerder] . De functie van [verzoeker] is afdelingssecretaresse met een loon van € 3.419,00 bruto per maand.
2.2.
[verzoeker] is op staande voet ontslagen.

3.Het verzoek en het verweer

3.1.
[verzoeker] verzoekt de kantonrechter het ontslag op staande voet te vernietigen en [verweerder] te veroordelen tot betaling van loon. Volgens [verzoeker] is het ontslag op staande voet niet rechtsgeldig.
3.2.
[verweerder] voert verweer en stelt dat het verzoek niet-ontvankelijk moet worden verklaard, omdat het verzoek niet binnen de vervaltermijn van twee maanden is ingediend. [verweerder] verzoekt [verzoeker] te veroordelen in de volledige buitengerechtelijke kosten en proceskosten.

4.De beoordeling

Bezwaar tegen nadere stukken wordt gepasseerd
4.1.
De gemachtigde van [verzoeker] heeft bezwaar gemaakt tegen de stukken die [verweerder] op 12 november 2025 en daarmee op grond van het procesreglement te laat heeft ingediend. De kantonrechter heeft tijdens de zitting al beslist dat aan dit formele bezwaar van [verzoeker] voorbij wordt gegaan. De stukken bestaan uit WhatsApp-berichten tussen [verzoeker] en [verweerder] en uit een verklaring van de leidinggevende van [verzoeker] over het telefoongesprek op 6 augustus 2025. Voor de meeste stukken geldt dat de inhoud daarvan voor [verzoeker] niet nieuw is. [verzoeker] heeft verder onvoldoende onderbouwd dat zij in haar procesbelang wordt geschaad als deze stukken in de beoordeling worden betrokken. Bovendien zijn deze stukken ingediend als een reactie op de correctie van [verzoeker] op het verzoekschrift en heeft ook [verzoeker] zelf het procesreglement niet gevolgd door geen gewijzigd verzoekschrift in te dienen. Om die reden acht de kantonrechter geen strijd met de goede procesorde aanwezig en zullen de stukken van [verweerder] bij de beoordeling worden betrokken.
Het verzoekschrift is te laat ingediend
4.2.
De eerste vraag die moet worden beantwoord is of [verzoeker] haar verzoek tot vernietiging van het gegeven ontslag op staande voet tijdig heeft ingediend. Dat is niet het geval.
4.3.
De bevoegdheid om bij de kantonrechter een verzoekschrift tot vernietiging van een ontslag op staande voet in te dienen vervalt twee maanden na de dag waarop de arbeidsovereenkomst is geëindigd. [1]
4.4.
De termijn waarbinnen het verzoekschrift moet worden ingediend, begint op de eerste dag na de laatste werkdag en loopt aan het einde van de met die laatste werkdag overeenstemmende dag twee maanden later af. De termijn eindigt daarmee in beginsel steeds aan het einde van de dag met hetzelfde nummer als dat van de laatste werkdag, afgezien van de werking van de Algemene Termijnenwet. De enige uitzondering hierop is het geval dat de maand waarin de termijn afloopt, niet een dag met hetzelfde nummer kent omdat zij korter is, in welk geval de termijn eindigt aan het einde van de laatste dag van die maand. Daardoor staan de werknemer voor het indienen van het bedoelde verzoekschrift steeds twee volle kalendermaanden ter beschikking. [2]
4.5.
Tussen partijen is in dit verband allereerst in geschil of [verzoeker] tijdens een telefoongesprek met haar leidinggevende [naam 1] op 6 augustus 2025 op staande voet is ontslagen of dat het ontslag (eerst) per brief van 7 augustus 2025 is gegeven, welke brief [verzoeker] per post op 8 augustus 2025 heeft ontvangen. [verweerder] heeft voldoende onderbouwd dat het ontslag al op 6 augustus 2025 telefonisch is gegeven. Dit blijkt voldoende uit de door [verweerder] overgelegde stukken en de toelichting daarop tijdens de zitting. De schriftelijke verklaring die [naam 1] heeft afgelegd over het bewuste telefoongesprek, waarvoor hij een uitgeschreven gespreksleidraad heeft gemaakt en die hij vooraf heeft besproken met de integriteitsambtenaar van [verweerder] , heeft hij tijdens de zitting bevestigd. De juistheid van deze verklaring vindt steun in de berichten die nog diezelfde dag per Whatsapp zijn gewisseld tussen [verzoeker] en [naam 1] , afdelingsmanager [naam 2] en teammanager [naam 3] . Uit deze berichten kan niet anders worden opgemaakt dan dat [verzoeker] wel degelijk was meegedeeld dat zij was ontslagen en dat ook zo had begrepen [3] . Bij dit oordeel wordt ook betrokken dat namens [verzoeker] niet eerder dan in een reactie op het beroep van [verweerder] op de vervaltermijn het gewijzigde standpunt is ingenomen dat het ontslag niet tijdens het telefoongesprek op 6 augustus 2025 is gegeven. Eerder in het verzoekschrift is daar geen punt van gemaakt. Integendeel, ook daarin staat dat het ontslag telefonisch is medegedeeld. De betwisting achteraf van het telefonische ontslag komt de kantonrechter dan ook niet geloofwaardig voor. Dat betekent dat op het moment van het indienen van het verzoekschrift op 9 oktober 2025 de vervaltermijn (ruimschoots) was verstreken.
4.6.
Verder heeft [verweerder] ook in een e-mail aan [verzoeker] van 7 november 2025 het ontslag op staande voet bevestigd. Hoewel [verzoeker] stelt dat zij de bij deze e-mail gevoegde stukken met ontslagbrief niet kon lezen, staat in (de onderwerpregel van) deze e-mail zelf dat de bijgevoegde brief een bevestiging is van het ontslag op staande voet. Ook dat maakt het standpunt van [verzoeker] dat zij pas op 8 augustus 2025 bekend is geworden met het ontslag op staande voet ongeloofwaardig.
4.7.
Ook als (in het uiterste geval) zou worden meegegaan in het standpunt van [verzoeker] dat het ontslag op staande voet haar eerst op 8 augustus 2025 heeft bereikt, zodat dat de datum van het ontslag is, zoals zij in de correctie op het verzoekschrift heeft aangevoerd, is het verzoek tot vernietiging van het ontslag op staande voet op 9 oktober 2025 te laat ingediend. Bij het einde van de arbeidsovereenkomst op 8 augustus 2025 had het verzoekschrift immers uiterlijk op 8 oktober 2025 aan het einde van de dag moeten zijn ontvangen door de rechtbank. Dat is niet gebeurd.
4.8.
Het verzoekschrift is dus in alle gevallen te laat ingediend. In beginsel betekent dit dat het verzoek van [verzoeker] niet-ontvankelijk moet worden verklaard.
Het beroep op de redelijkheid en billijkheid slaagt niet
4.9.
[verzoeker] beroept zich op de redelijkheid en billijkheid. Volgens [verzoeker] is een beroep op de vervaltermijn naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar vanwege de vertraging in de postbezorging die haar niet kan worden aangerekend. De kantonrechter volgt haar daarin niet.
4.10.
Uit de rechtspraak volgt dat er omstandigheden kunnen zijn waaronder een verzoeker, ondanks het verstrijken van een vervaltermijn, toch ontvankelijk is in het verzoek. Deze omstandigheden kunnen maken dat een beroep op de vervaltermijn naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. Die situatie doet zich hier niet voor. Een beroep op de maatstaven van de redelijkheid en billijkheid kan slechts in uitzonderingsgevallen slagen en de kantonrechter moet terughoudend zijn in het honoreren van een dergelijk beroep. Aan de zijde van [verzoeker] zijn geen bijzondere omstandigheden gesteld. De vervaltermijn moet strikt worden gehanteerd en [verzoeker] heeft geen deugdelijke toelichting gegeven waarom daaraan in dit geval voorbij moet worden gegaan. Het enkele feit dat er sprake is geweest van vertraging in de postbezorging is niet genoeg. Uitganspunt is dat vertraging in de postbezorging voor rekening komt van de verzender ( [verzoeker] ) en [verzoeker] had daarop, gelet op de toepasselijke vervaltermijn, ook bedacht moeten zijn. De nadelige gevolgen van het overschrijden van de vervaltermijn had [verzoeker] eenvoudig kunnen voorkomen door het verzoekschrift niet (alleen) in te dienen per post, maar (eveneens) in te dienen per veilige mail of door afgifte van het verzoekschrift aan de centrale balie van de rechtbank. De gevolgen van haar keuze om dat niet te doen, komen voor haar rekening.
Conclusie
4.11.
De conclusie is dat het verzoek van [verzoeker] tot vernietiging van het ontslag niet-ontvankelijk is. Aan een inhoudelijke beoordeling wordt dus niet toegekomen.
Volledige kostenveroordeling
4.12.
[verweerder] heeft verzocht [verzoeker] te veroordelen in de volledige buitengerechtelijke kosten en proceskosten, omdat [verzoeker] de procedure ondanks het verstrijken van de vervaltermijn willens en wetens heeft doorgezet en [verweerder] daardoor onnodig op hoge kosten is gejaagd. De kantonrechter is het hiermee eens.
4.13.
Een volledige en integrale proceskostenveroordeling kan worden uitgesproken als het voeren van een procedure kwalificeert als misbruik van procesrecht of onrechtmatig handelen. Hiervan kan pas sprake zijn als de vordering of het verweer in kwestie is gebaseerd op feiten en omstandigheden waarvan de betreffende procespartij de onjuistheid kende dan wel behoorde te kennen of op stellingen respectievelijk weren waarvan zij op voorhand moest begrijpen dat deze geen kans van slagen hadden.
4.14.
Naar het oordeel van de kantonrechter had [verzoeker] op voorhand moeten begrijpen dat haar verzoek wegens de overschrijding van de vervaltermijn geen kans van slagen had en heeft zij de procedure, nadat zij daarop was gewezen, tegen beter weten in doorgezet. [verweerder] heeft [verzoeker] gevraagd de procedure in te trekken vanwege het verstrijken van de vervaltermijn. [verzoeker] heeft op 31 oktober 2025 toegezegd de procedure in te trekken, maar is een aantal uur later daarop teruggekomen en heeft vervolgens in een correctie op het verzoekschrift alsnog betoogd dat het ontslag op een later moment dan op 6 augustus 2025 is gegeven. Daarbij heeft zij miskend dat ook als van haar eigen standpunt zou worden uitgegaan dat het ontslag op 8 augustus 2025 was gegeven, het verzoek te laat is ingediend. Hoewel het verstrijken van de vervaltermijn verschoonbaar kan zijn of een beroep daarop naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar, heeft [verzoeker] geen reële aanknopingspunten daarvoor gegeven. De onderhavige vordering is naar het oordeel van de kantonrechter evident ongegrond en had moeten worden ingetrokken om te voorkomen dat de proceskosten van [verweerder] verder opliepen. [verzoeker] heeft daartegen geen overtuigend verweer gevoerd. Een veroordeling in de werkelijk gemaakte kosten is daarom op zijn plaats.
4.15.
[verweerder] heeft de bestede tijd van haar gemachtigde over de periode 21 tot en met 31 oktober 2025 aangemerkt als buitengerechtelijke kosten en de bestede tijd vanaf 1 november 2025 als proceskosten. De kantonrechter ziet aanleiding alleen de werkelijk gemaakte proceskosten na 31 oktober 2025 toe te wijzen, omdat [verzoeker] er in ieder geval toen voor heeft gekozen om de procedure ondanks de evidente ongegrondheid door te zetten. [verweerder] heeft onderbouwd dat deze kosten inclusief de zitting € 2.896,74 (=
€ 2.243,34 + drie uur vanaf 12 november 2025, zijnde € 653,40) bedragen. De kantonrechter ziet aanleiding deze kosten te matigen tot € 2.500,00. [verzoeker] zal worden veroordeeld tot dat bedrag aan proceskosten, plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing.

5.De beslissing

De kantonrechter
5.1.
verklaart het verzoek niet-ontvankelijk,
5.2.
veroordeelt [verzoeker] in de proceskosten van € 2.500,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [verzoeker] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en de beschikking daarna wordt betekend,
5.3.
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mr. S. Slijkhuis en in het openbaar uitgesproken op 28 november 2025.

Voetnoten

1.Artikel 7:686a lid 4, aanhef en onder a, van het Burgerlijk Wetboek (BW).
2.Zie arrest van de Hoge Raad van 21 mei 2021 (ECLI:NL:HR:2021:747).
3.Onder meer bericht van [verzoeker] aan [naam 2] : “(…) Ik ga jou ontzettend missen! Eerlijk gezegd weet ik nog niet goed wat ik moet zeggen…Dit is een zware en ingrijpende maatregel, en ook ik heb tijd nodig om het te laten bezinken.”