In deze zaak verzoekt de werkneemster om vernietiging van een ontslag op staande voet. De werkneemster is echter niet-ontvankelijk in haar verzoek, omdat het verzoek te laat is ingediend. De kantonrechter oordeelt dat het beroep op de redelijkheid en billijkheid niet wordt gehonoreerd. De werkneemster moet de volledige proceskosten betalen, omdat zij de procedure heeft doorgezet ondanks dat zij op de vervaltermijn is gewezen, wat de werkgeefster onnodig op extra kosten heeft gejaagd.
De procedure begon met een verzoek van de werkneemster om het ontslag te vernietigen. De werkneemster, die sinds 1 januari 2021 in dienst was bij de werkgeefster, had een loon van € 3.419,00 bruto per maand. Het ontslag op staande voet werd op 6 augustus 2025 telefonisch medegedeeld, maar de werkneemster stelde dat zij pas op 8 augustus 2025 op de hoogte was gesteld. De kantonrechter oordeelt dat het verzoekschrift op 9 oktober 2025 is ingediend, wat te laat is, aangezien de termijn van twee maanden na het ontslag op 8 oktober 2025 afliep.
De kantonrechter concludeert dat het verzoek niet-ontvankelijk is en dat er geen inhoudelijke beoordeling kan plaatsvinden. De werkneemster had moeten begrijpen dat haar verzoek geen kans van slagen had en heeft de procedure tegen beter weten in doorgezet. De kantonrechter wijst de werkneemster daarom de volledige proceskosten toe, die zijn gematigd tot € 2.500,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving.