ECLI:NL:RBNHO:2025:14910

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
10 december 2025
Publicatiedatum
18 december 2025
Zaaknummer
11689311 \ CV EXPL 25-1717
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vergoeding voor juridische bijstand in geschil tussen Leaseproces B.V. en gedaagde

In deze zaak heeft de kantonrechter van de Rechtbank Noord-Holland op 10 december 2025 geoordeeld over een geschil tussen Leaseproces B.V. en een gedaagde partij betreffende de vergoeding voor juridische bijstand. De gedaagde had zich in 2005 tot Leaseproces gewend voor juridische bijstand in een procedure tegen Dexia. Na het sluiten van een overeenkomst, waarin de voorwaarden voor vergoeding werden vastgelegd, heeft de gedaagde een schikking getroffen met Dexia. Leaseproces vorderde betaling van een percentage over het voordeel dat de gedaagde had behaald door deze schikking. De gedaagde voerde aan dat zij niet op de hoogte was van de verplichting tot betaling aan Leaseproces, vooral omdat zij dacht dat de juridische bijstand zou resulteren in het terugkrijgen van haar inleg. De kantonrechter oordeelde echter dat de overeenkomst duidelijk was en dat de gedaagde wel degelijk een vergoeding verschuldigd was, ook al had zij haar inleg niet teruggekregen. De kantonrechter wees de vordering van Leaseproces tot betaling van € 3.923,42 toe, inclusief wettelijke rente en buitengerechtelijke kosten. Tevens werd de gedaagde veroordeeld in de proceskosten van Leaseproces. De uitspraak benadrukt het belang van duidelijke afspraken in overeenkomsten en de verantwoordelijkheden van partijen in juridische procedures.

Uitspraak

RECHTBANKNOORD-HOLLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Alkmaar
Zaaknummer: 11689311 \ CV EXPL 25-1717
Vonnis van 10 december 2025
in de zaak van
LEASEPROCES B.V.,
te Amsterdam,
eisende partij,
hierna te noemen: Leaseproces,
gemachtigde: mr. A. Frederiksen,
tegen
[gedaagde],
te [plaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
gemachtigde: mr. M. Sliphorst-Dekker.

1.De zaak in het kort

In deze zaak oordeelt de kantonrechter dat in de tussen partijen gesloten overeenkomst duidelijk staat onder welke voorwaarden gedaagde aan eiser een vergoeding voor juridische bijstand moet betalen. Het beroep op dwaling door gedaagde gaat dan ook niet op.

2.De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis van 23 juli 2025,
- de akte overlegging producties 12 tot en met 23 door Leaseproces,
- de akte vermindering van eis van Leaseproces,
- de mondelinge behandeling van 12 november 2025, waarvan de griffier aantekeningen heeft bijgehouden,
- de pleitnotitie van de gemachtigde van [gedaagde] ,
- de schriftelijke verklaring van [gedaagde] .

3.De feiten

3.1.
Op 29 augustus 2005 heeft [gedaagde] zich gewend tot Leaseproces met het verzoek om juridische bijstand in haar zaak tegen Dexia.
3.2.
Door ondertekening van een offerte van 2 september 2005 is tussen partijen een overeenkomst tot stand gekomen met – voor zover hier van belang – de volgende inhoud:

Hierbij bevestigen wij u dat wij bereid zijn om voor u een procedure te voeren tegen Dexia Bank voor de rechtbank Amsterdam, sector kanton.
Wij berekenen hiervoor de volgende percentages over het resultaat, d.w.z. het voordeel voor u ten opzichte van het bemiddelingsvoorstel Duisenberg:- 30% over de eerste € 10.000,-;
- 20% over het meerdere tot € 20.000,-;- 10% over het meerdere tot € 30.000,-;- 5% over het meerdere vanaf € 30.000,-.
Deze percentages zijn ook verschuldigd als met Dexia een schikking wordt getroffen. Voor een schikking is altijd uw toestemming nodig.”
3.3.
Verder heeft [gedaagde] een volmacht aan Leaseproces verstrekt voor het voeren van correspondentie en overleg met Dexia en zo nodig het opstarten van een procedure en om in die procedure tevens verweer te voeren tegen eventuele tegenvorderingen van Dexia.
3.4.
Op 22 mei 2024 hebben [gedaagde] en Dexia een schikking getroffen, inhoudende dat [gedaagde] niets meer aan Dexia hoeft te betalen en dat Dexia een bedrag van € 500,00 aan [gedaagde] vergoedt. Dit bedrag is op de derdenrekening van Leaseproces betaald.
3.5.
Op 16 juli 2024 heeft Leaseproces aan [gedaagde] een factuur gestuurd voor de verleende juridische bijstand. [gedaagde] heeft, ondanks daartoe te zijn gesommeerd, nagelaten deze factuur te betalen.

4.Het geschil

4.1.
Leaseproces vordert – na vermindering van eis – betaling door [gedaagde] van
€ 3.923,42 (€ 3.788,47 aan hoofdsom en € 134,95 aan rente tot en met 15 april 2025), te vermeerderen met de wettelijke rente over € 3.788,47 vanaf 16 april 2025 tot de dag van algehele betaling en tot betaling van de buitengerechtelijke kosten van € 503,85, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag van dagvaarding tot de dag van algehele betaling. Leaseproces vordert ook dat [gedaagde] in de proceskosten wordt veroordeeld. Leaseproces wil de mogelijkheid krijgen om het vonnis meteen uit te voeren, ook als er hoger beroep wordt ingesteld.
4.2.
Leaseproces stelt – samengevat – dat [gedaagde] op grond van de tussen partijen gesloten overeenkomst tot opdracht een percentage is verschuldigd over het voordeel dat is ontstaan ten opzichte van de destijds door Dexia aangeboden Duisenberg-regeling. Volgens Leaseproces is dit voordeel een feit omdat Dexia en [gedaagde] een schikking hebben getroffen, inhoudende dat [gedaagde] niets meer aan Dexia hoeft te betalen en Dexia € 500,00 aan [gedaagde] betaalt. Toen [gedaagde] zich tot Leaseproces wendde, moest [gedaagde] nog een restschuld van
€ 18.798,26 aan Dexia betalen en kreeg zij geen vergoeding volgens de Duisenberg-regeling. Uit coulance heeft Leaseproces wel rekening gehouden met een Duisenberg-vergoeding. Subsidiair stelt Leaseproces dat [gedaagde] een uurtarief van € 150,00 is verschuldigd voor de door Leaseproces verrichte werkzaamheden.
4.3.
[gedaagde] voert – samengevat – als verweer aan dat het haar te doen was om het terugkrijgen van haar inleg en dat het haar bij het aangaan van de overeenkomst niet dan wel onvoldoende duidelijk was dat zij aan Leaseproces een vergoeding zou moeten betalen, ook in de situatie dat zij haar inleg niet van Dexia zou terugkrijgen. Verder voert [gedaagde] aan dat zij in de veronderstelling verkeerde dat door Leaseproces een procedure tegen Dexia gevoerd zou worden. Dat is niet gebeurd en daarom meent [gedaagde] dat zij geen vergoeding aan Leaseproces is verschuldigd.
Voor zover de overeenkomst wel zou moeten uitgelegd als door Leaseproces is gesteld, dan was dit niet haar bedoeling en dan voert [gedaagde] aan dat zij heeft gedwaald bij het aangaan van de overeenkomst. [gedaagde] meent ook dat Leaseproces haar hierover niet zorgvuldig en behoorlijk heeft geadviseerd en niet als een zorgvuldig handelend opdrachtnemer heeft gehandeld.
4.4.
Op de standpunten van partijen zal – voor zover dat nodig is voor de beoordeling van de zaak – hierna nader worden ingegaan.

5.De beoordeling

5.1.
Partijen zijn verdeeld over de uitleg van de op 2 september 2005 tussen hen gesloten overeenkomst.
5.2.
De kantonrechter overweegt dat uit de overeenkomst van 2 september 2005 volgt dat Leaseproces bereid was om namens [gedaagde] een procedure te voeren tegen Dexia. Verder volgt uit de overeenkomst dat [gedaagde] ook een vergoeding aan Leaseproces moet betalen als met Dexia een schikking wordt getroffen. Naar het oordeel van de kantonrechter volgt uit deze overeenkomst niet dat Leaseproces in elk geval een procedure tegen Dexia moet instellen en/of dat een schikking het resultaat moet zijn van een procedure waarbij [gedaagde] de eisende partij is.
5.3.
Vast staat dat tussen [gedaagde] en Dexia een schikking bereikt. Bovendien is deze schikking bereikt in een procedure tussen [gedaagde] en Dexia. Op 14 februari 2023 heeft Dexia [gedaagde] immers gedagvaard. Niet in geschil is dat Leaseproces zich namens [gedaagde] in deze procedure heeft gesteld, nadat [gedaagde] deze dagvaarding aan Leaseproces had afgegeven. Verder is niet betwist dat Leaseproces [gedaagde] heeft aangeraden om in het kader van die procedure een schikking met Dexia te treffen en dat [gedaagde] daarmee heeft ingestemd. Naar het oordeel van de kantonrechter kan dit worden aangemerkt als een schikking als bedoeld in de overeenkomst tussen partijen. Dit betekent dat [gedaagde] in beginsel een vergoeding aan Leaseproces moet betalen.
5.4.
Op de zitting heeft [gedaagde] gewezen op de uitspraak van rechtbank Rotterdam van 3 oktober 2025 [1] . Maar dit kan haar niet baten omdat geen sprake is van een vergelijkbare situatie. In die zaak was bij aanvang van de overeenkomst al een starttarief van € 1.020,00 aan Leaseproces betaald, terwijl [gedaagde] alleen een bedrag van € 125,00 aan onderzoekskosten heeft betaald. Verder was de schikking tussen Dexia en de lessee in die zaak, anders dan in de zaak van [gedaagde] , niet op initiatief van Leaseproces tot stand is gekomen. In die zaak was de lessee ook niet gedagvaard door Dexia, althans het vonnis maakt daarvan geen melding.
5.5.
[gedaagde] voert verder aan dat zij de overeenkomst zo heeft mogen begrijpen dat zij alleen een vergoeding aan Leaseproces moest betalen als zij (een deel van) haar inleg terugkreeg van Dexia. De kantonrechter volgt [gedaagde] hierin niet. In de overeenkomst wordt namelijk nergens gesproken over (een garantie van) het terugkrijgen van haar inleg. Naar het oordeel van de kantonrechter staat in de overeenkomst voldoende duidelijk dat een vergoeding aan Leaseproces moet worden betaald over het voordeel dat is behaald ten opzichte van de Duisenberg-regeling. Dit voordeel wordt berekend door de restschuld ten tijde van het aangaan van de overeenkomst als het uitgangspunt te nemen. Dat acht de kantonrechter niet onlogisch of onjuist. Dit maakt ook dat de omstandigheid dat Dexia in 2023 om haar moverende redenen een dagvaarding uitbrengt met een vordering van ruim
€ 6.000,00 niet van invloed is op het door [gedaagde] aan Leaseproces te betalen bedrag.
5.6.
Het beroep op dwaling door [gedaagde] gaat naar het oordeel van de kantonrechter niet op omdat [gedaagde] niet duidelijk heeft gemaakt op welke wijze zij tot dwaling is gebracht. Zoals hiervoor al is overwogen acht de kantonrechter de overeenkomst voldoende duidelijk. De stelling dat zij niet wist dat zij moest betalen, als zij haar inleg niet zou terugkrijgen, acht de kantonrechter dan ook niet verschoonbaar. Verder is meegewogen dat [gedaagde] ten tijde van het sluiten van de overeenkomst met Leaseproces een restschuld van ruim € 18.000,00 bij Dexia had. [gedaagde] heeft niet onderbouwd op welke wijze zij onder het betalen van die restschuld was uitgekomen, anders dan door met Leaseproces een overeenkomst te sluiten. In dat licht bezien mist het beroep op dwaling overtuigingskracht en is het beroep op dwaling onvoldoende onderbouwd. Bovendien heeft Leaseproces het beroep op dwaling op de zitting gemotiveerd bestreden en hierop is van de zijde van [gedaagde] verder niet ingegaan.
5.7.
Op de zitting heeft [gedaagde] nog gesteld dat zij het schikkingsbedrag van € 500,00 niet heeft ontvangen. Uit de berekening van de door Leaseproces ontvangen vergoeding blijkt dat Leaseproces hiermee rekening heeft gehouden. Leaseproces heeft de door haar te ontvangen vergoeding van € 4.288,47 verminderd met een bedrag van € 500,00, zodat een door [gedaagde] te betalen bedrag van € 3.788,47 resteert. Dit verweer van [gedaagde] faalt ook.
5.8.
Het voorgaande betekent dat de primaire vordering van Leaseproces tot betaling van € 3.788,47 zal worden toegewezen. Bespreking en beoordeling van de subsidiaire vordering van Leaseproces is daarom niet meer nodig.
de gevorderde rente
5.9.
De door Leaseproces gevorderde wettelijke rente over de hoofdsom is eveneens toewijsbaar. Vast staat immers dat [gedaagde] de hoofdsom niet heeft betaald.
de buitengerechtelijke kosten
5.10.
Leaseproces vordert vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. De vordering moet worden beoordeeld op grond van artikel 6:96 BW en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit). De kantonrechter stelt vast dat [gedaagde] een consument is (een natuurlijk persoon die niet heeft gehandeld in de uitoefening van een beroep of bedrijf). Daarom moet de kantonrechter controleren of is voldaan aan de dan geldende extra eisen voor de verschuldigdheid van buitengerechtelijke incassokosten. Leaseproces heeft aan [gedaagde] een of meer aanmaningen gestuurd die voldoen aan de eisen van artikel 6:96 lid 6 BW. Daarom zal een bedrag van € 503,85 worden toegewezen.
de proceskosten
5.11.
[gedaagde] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van Leaseproces worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
120,78
- griffierecht
514,00
- salaris gemachtigde
542,00
(2 punten × € 271,00)
- nakosten
135,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
1.311,78
tot slot
5.12.
Tot slot overweegt de kantonrechter dat hij geen betalingsregeling kan treffen. Dit moeten partijen zelf regelen. [gedaagde] kan zich daarvoor tot de (gemachtigde van) Leaseproces wenden.

6.De beslissing

De kantonrechter
6.1.
veroordeelt [gedaagde] om aan Leaseproces te betalen een bedrag van € 3.923,42, te vermeerderen met de wettelijke rente over € 3.788,47 vanaf 16 april 2025 tot de dag van algehele betaling;
6.2.
veroordeelt [gedaagde] om aan Leaseproces te betalen een bedrag van € 503,85 aan buitengerechtelijke kosten, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW, vanaf de dag van dagvaarding, tot de dag van volledige betaling;
6.3.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 1.311,78, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend;
6.4.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad [2] ;
6.5.
wijst af het meer of anders gevorderde.
Dit vonnis is gewezen door mr. J.S. Reid, kantonrechter, in samenwerking met
mr. S.C. Jacobs, juridisch adviseur/griffier, en in het openbaar uitgesproken op 10 december 2025.
de griffier de rechter

Voetnoten

2.Uitvoerbaar bij voorraad betekent dat de veroordelingen in de beschikking uitgevoerd moeten worden, ook als eventueel in hoger beroep wordt gegaan.