Deze bestuursrechtelijke uitspraak betreft twee zaken: de afwijzing van vier handhavingsverzoeken van eiser gericht tegen bouwwerkzaamheden aan het rijksmonument van derde-partij en de verlening van een omgevingsvergunning aan derde-partij ter legalisering van die overtredingen.
De rechtbank stelt vast dat het college de overtredingen terecht heeft geconstateerd en dat de beginselplicht tot handhaving in principe geldt. Echter, het college mocht afzien van handhavend optreden omdat er ten tijde van het besluit concreet zicht bestond op legalisatie, mede door een ingediende aanvraag en een vooroverleg waarin het plan planologisch aanvaardbaar werd geacht.
Verder oordeelt de rechtbank dat de omgevingsvergunning correct is verleend, waarbij onder meer is beoordeeld dat de wijzigingen aan het rijksmonument niet ingrijpend zijn in de zin van monumentenregelgeving, dat de bouwhoogte en oppervlakte van bijbehorende bouwwerken binnen de bestemmingsplanregels vallen, en dat de voorbereidingsprocedure juist is gevolgd. Diverse bezwaren van eiser, zoals over privaatrechtelijke belemmeringen, lichthinder, en bouwtechnische aspecten, worden verworpen.
De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond en laat de bestreden besluiten in stand. Eiser krijgt geen proceskostenvergoeding terug. De uitspraak is gedaan door rechter P.H. Lauryssen op 17 november 2025.