ECLI:NL:RBNHO:2025:14556

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
12 december 2025
Publicatiedatum
11 december 2025
Zaaknummer
HAA 25/4456 en HAA 25/5622
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Procedures
  • Voorlopige voorziening+bodemzaak
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Besluit tot (spoed)sluiting van woning van eisers wegens aantreffen van harddrugs

In deze uitspraak van de voorzieningenrechter van de Rechtbank Noord-Holland, gedateerd 12 december 2025, wordt het beroep en het verzoek om voorlopige voorziening van eisers behandeld. Eisers hebben beroep ingesteld tegen de (spoed)sluiting van hun woning voor de duur van drie maanden, die was opgelegd door de burgemeester van de gemeente Zaanstad. De voorzieningenrechter verklaart het beroep gegrond, vernietigt het bestreden besluit en herroept het primaire besluit. De zaak is ontstaan na de aanhouding van eiser op 12 oktober 2025, waarbij de politie harddrugs in de woning heeft aangetroffen. De burgemeester heeft vervolgens besloten tot sluiting van de woning, maar de voorzieningenrechter oordeelt dat de burgemeester niet bevoegd was om deze spoedeisende bestuursdwang toe te passen. De voorzieningenrechter concludeert dat de situatie niet voldoende spoedeisend was en dat de handhaving onrechtmatig is. De uitspraak leidt tot de terugbetaling van griffierecht aan eisers en een veroordeling van de burgemeester in de proceskosten.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Zittingsplaats Alkmaar
Bestuursrecht
zaaknummers: HAA 25/4456 en HAA 25/5622
uitspraak van de voorzieningenrechter van 12 december 2025 op het beroep en het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen

[eiser] en [eiseres] , uit [plaats] , eisers

(gemachtigde: mr. A.M.T. Wezel),
en

de burgemeester van de gemeente Zaanstad, de burgemeester

(gemachtigde: mr. G.M. Pierik).

Samenvatting

1.1.
Deze uitspraak op het beroep en het verzoek om voorlopige voorziening gaat over de (spoed)sluiting van de woning van eisers voor de duur van drie maanden. Eisers hebben beroep ingesteld tegen de beslissing op hun bezwaar tegen deze sluiting en de voorzieningenrechter gevraagd een voorlopige voorziening te treffen.
1.2.
De voorzieningenrechter verklaart het beroep gegrond, vernietigt het bestreden besluit en herroept het primaire besluit waarbij tot (spoed)sluiting van de woning van eisers is over gegaan. Voor het treffen van een voorlopige voorziening is gelet hierop geen aanleiding. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe hij tot dit oordeel is gekomen.

Totstandkoming van het besluit

2. De voorzieningenrechter stelt in het licht van de totstandkoming van het bestreden besluit van 4 december 2025 de volgende niet in geschil zijnde feiten en het procesverloop vast die hij tot uitgangspunt heeft genomen.
2.1.
Eiser [eiser] is op 12 oktober 2025 buiten zijn woning aangehouden met 12 witte wikkels met daarin, vermoedelijk, cocaïne.
2.2.
In verband daarmee is de politie, met een machtiging van de Hulpofficier van Justitie, ter inbeslagneming binnengetreden in de woning van eisers.
2.3.
In de woning zijn 11 envelopjes van 1 gram per stuk en 69 envelopjes van 0,5 gram per stuk, allen vermoedelijk inhoudende harddrugs, aangetroffen. Verder is een portemonnee overhandigd met 39 biljetten van € 50,00, 67 biljetten van € 20,00 en 56 biljetten van € 10,00.
2.4.
Uit het antecedentenoverzicht van [eiser] blijkt dat eerder proces-verbaal is opgemaakt ter zake bezit van harddrugs, gepleegd op 21 mei 2021 en 28 maart 2024.
2.5.
De politie heeft de dienstdoende toezichthouder van de gemeente Zaanstad op 12 oktober 2025 telefonisch van de bevindingen op de hoogte gesteld en een foto van de aangetroffen middelen toegestuurd. De toezichthouder is ter plaatse gegaan.
2.6.
Op last van de locoburgemeester van de gemeente Zaandam is het pand met spoed gesloten op 12 oktober 2025.
2.7.
Op 14 oktober 2025 hebben eisers bezwaar gemaakt tegen het mondelinge besluit tot sluiting en de uitvoering daarvan en de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
2.8.
Op 15 oktober 2025 hebben eisers de voorzieningenrechter verzocht om een ordemaatregel te treffen.
2.9.
De voorzieningenrechter heeft op 15 oktober 2025 een ordemaatregel getroffen, inhoudende dat de burgemeester de sluiting ongedaan moest maken tot een week na de uitspraak op het verzoek om voorlopige voorziening.
2.10.
Op 23 oktober 2025 heeft de burgemeester het besluit tot sluiting van de woning voor de duur van 3 maanden op schrift gesteld.
2.11.
Op 10, 15 en 23 november 2025 hebben eisers hun gronden van bezwaar aangevuld.
2.12.
De burgemeester heeft op 2 december 2025 een verweerschrift ingediend.
2.13.
Op 4 december 2025 heeft de burgemeester het bestreden besluit genomen. Hierbij is het besluit tot (spoed)sluiting in stand gelaten.
2.14.
Hiertegen hebben eisers dezelfde dag beroep ingesteld.
2.15.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 4 december 2025 op zitting behandeld, gelijktijdig met de zaken met zaaknummers HAA 25/5217 en HAA 25/5558. Hieraan hebben als partij deelgenomen: de gemachtigde van eisers, mevrouw [naam 1] en mevrouw [naam 2] , namens de burgemeester en de gemachtigde van de burgemeester.
2.16.
Omdat de voorzieningenrechter na afloop van de zitting tot de conclusie is gekomen dat nader onderzoek niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak beslist hij ook op het beroep van eisers. Dit is op zitting met partijen besproken.

Standpunt burgemeester

3. Samengevat stelt de burgemeester dat hij in een situatie als deze tot handhavend optreden moet overgaan. Dit vanwege het aantreffen van een handelshoeveelheid (hard)drugs in de woning. Daarnaast is volgens de burgemeester aannemelijk dat sprake is van handel nu eiser [eiser] is aangehouden voor het bezit van een handelshoeveelheid (hard)drugs buiten de woning. De op 12 oktober 2025 bekende feiten en omstandigheden leiden er volgens de burgemeester toe dat een directe sluiting de meest geschikte doelmatige passende en daarmee proportionele bestuurlijke maatregel betrof om de doelstellingen die worden beoogd te bewerkstelligen.

Standpunt eisers

4. Samengevat stellen eisers het volgende. De belangen van eisers zijn pas in het besluit van 23 oktober 2025 gewogen. Waarom direct tot sluiting over moest worden gegaan is niet gemotiveerd. De spoedeisende sluiting was geen geschikt middel. De sluiting van de woning is niet evenwichtig.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

1. Niet in geschil is dat de burgemeester terstond bestuursdwang heeft toegepast, waarna op 23 oktober 2025 het besluit schriftelijk is bekendgemaakt. Het is aldus deze bestuursdwang en dit besluit wat ter toetsing voorligt. [1] De voorzieningenrechter overweegt ten aanzien daarvan het volgende.
6. Zeer spoedeisende bestuursdwang kan worden toegepast als er zoveel spoed is dat het zelfs niet mogelijk is om voorafgaand aan het feitelijk handelen een bestuursdwangbesluit bekend te maken (artikel 5:31, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb)). Voor de toepassing van zeer spoedeisende bestuursdwang is vereist dat de situatie zo spoedeisend is dat een besluit niet kon worden afgewacht. [2] Het zal sterk afhangen van alle omstandigheden van het geval of er sprake is van voldoende spoedeisendheid.
7. Vooropgesteld, het is aan de burgemeester om aannemelijk te maken dat sprake is van een zeer spoedeisende situatie. [3] Bij zeer spoedeisende bestuursdwang gaat het in de regel om situaties waarbij direct moet worden ingegrepen vanwege de gevaren voor mens of milieu. Zo kan zeer spoedeisende bestuursdwang worden toegepast bij de aanwezigheid van een illegale hennepkwekerij. In dat geval is spoedeisende bestuursdwang gerechtvaardigd, gelet op het met de kwekerij gemoeide brandgevaar. [4] Bij een spoedeisende situatie moet altijd onderzocht worden of niet toch een korte begunstigingstermijn kan worden geboden aan de overtreder om het zelf op te lossen.
8. Beoordeeld dient te worden of de burgemeester, gelet op de ten tijde van de bestuursdwang bij hem aanwezige kennis en ter beschikking staande gegevens, ervan mocht uitgaan dat zich een overtreding van de Opiumwet voordeed en of hij daarbij tot de conclusie kon komen dat een zodanig gevaarlijke situatie zich voordeed dat spoedeisende bestuursdwang was vereist om deze situatie te beëindigen. [5] Daarbij dient ook te worden beoordeeld of niet toch volstaan had kunnen worden met een reguliere last onder bestuursdwang met een (zeer) korte begunstigingstermijn. [6]
9. In onderhavige zaak heeft de burgemeester gemeend zeer spoedeisende bestuursdwang te moeten toepassen vanwege het aantreffen van een handelshoeveelheid harddrugs (45,5 gram). Dat de burgemeester bij deze vondst tot de conclusie kon komen dat een zodanig gevaarlijke situatie zich voordeed dat spoedeisende bestuursdwang was vereist om deze situatie te beëindigen is moeilijk te volgen voor de voorzieningenrechter. Dit geldt temeer nu de vermeende harddrugs strafvorderlijk in beslag zijn genomen, waardoor de zeer spoedeisendheid, als hiervan al sprake was, naar het oordeel van de voorzieningenrechter is komen te ontvallen. Gelet op het evenredigheidsbeginsel, dat maakt dat voor de (voor eisers) minst bezwarende mogelijkheid wordt gekozen, valt – bij gebreke van enige onderbouwing daarvan – ook niet in te zien, dat nadat de spoedeisende situatie is geweken, de burgemeester niet is overgegaan op een reguliere last onder bestuursdwang. [7]
10. De voorzieningenrechter komt op grond van vorenstaande tot het oordeel dat de situatie onvoldoende spoedeisend was. De burgemeester was aldus niet bevoegd om de bevoegdheid in artikel 5:31, tweede lid, van de Awb toe te passen. Het niet bevoegd zijn om spoedeisende bestuursdwang toe te passen betekent dan ook dat de handhaving in zijn geheel onrechtmatig te achten is. Dit leidt ertoe dat het beroep gegrond is, het bestreden besluit dient te worden vernietigd en het primaire besluit dient te worden herroepen.
11. Ten overvloede overweegt de voorzieningenrechter nog het volgende. Voor zover al aan de vraag zou zijn toegekomen of de burgemeester de bevoegdheid toekomt om een last onder bestuursdwang op te leggen, geldt het volgende. In het licht van het vorengaande is de vraag gerechtvaardigd of de burgemeester niet een minder vergaande maatregel had kunnen opleggen, zoals een last onder dwangsom. Daarmee kan ook een krachtig signaal worden gegeven zich in het vervolg te onthouden van drugs gerelateerde gedragingen, bij gebreke waarvan direct een dwangsom is verschuldigd.
12. Verder bestaat er gerede twijfel bij de voorzieningenrechter of de burgemeester zijn zorgplicht (in het kader van de evenwichtigheid van de sluiting) is nagekomen ten aanzien van de vraag of vervangende huisvesting mogelijk is. Voorop wordt gesteld dat in het kader van het vinden van vervangende huisvesting in de eerste plaats een eigen verantwoordelijkheid op eisers rust. [8] In dat kader mag inspanning van hen worden gevraagd. Naar oordeel van de voorzieningenrechter hebben eisers aannemelijk gemaakt die inspanning te hebben verricht, wat blijkt uit wat door de gemachtigde van eisers concreet daartoe naar voren is gebracht. Daartegenover staat de zorgplicht van de burgemeester om te informeren naar de mogelijkheden van vervangende huisvesting. [9] Hier dient serieus aandacht aan te worden besteed door de burgemeester. De burgemeester kan daarvoor, gelet op de verrichte inspanningen van eisers en in reactie daarop, niet volstaan met de enkele verwijzing naar de instanties (te vinden via een website) die eisers kunnen benaderen.

Conclusie en gevolgen

13. Gelet op het voorgaande is het beroep gegrond en dient het bestreden besluit te worden vernietigd. De voorzieningenrechter ziet aanleiding zelf in de zaak te voorzien en het primaire besluit tot spoedsluiting van de woning te herroepen. De burgmeester mag eisers woning dan ook niet meer op grond van dat besluit sluiten. Gelet hierop is er geen aanleiding om een voorlopige voorziening te treffen. Dat verzoek wijst de voorzieningenrechter dan ook af.
13. Eisers krijgen het door hen betaalde griffierecht van € 194,00 van de burgemeester terug. Daarnaast is aanleiding om de burgemeester te veroordelen in de door eisers gemaakte proceskosten. Deze stelt de voorzieningenrechter op basis van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) vast op € 3.108,00 (hierbij geldt 1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift en 1 punt voor het bijwonen van de hoorzitting, met een waarde per punt van € 647,00 en 1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het bijwonen van de zitting, met een waarde per punt van € 907,00, en wegingsfactor 1).
BeslissingDe voorzieningenrechter:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit en herroept het primaire besluit;
- wijst het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening af;
- draagt de burgemeester op het door eisers betaalde griffierecht van € 194,00 te vergoeden;
- veroordeelt de burgemeester in de proceskosten van eisers tot een bedrag van € 3.108,00.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Jurgens, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van F. Voskamp, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 12 december 2025.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Tegen deze uitspraak kan voor zover daarbij is beslist op het beroep binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Tegen deze uitspraak voor zover deze gaat over de voorlopige voorziening staat geen hoger beroep open. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Tegen deze uitspraak voor zover deze gaat over de voorlopige voorziening staat geen hoger beroep open.

Voetnoten

1.Zie het advies van de externe hoor- en adviescommissie van 3 december 2025, pagina 1.
2.ABRvS 14 december 2016, ECLI:NL:RVS:2016:3299.
3.ABRvS 14 juli 2021, ECLI:NL:RVS:2021:1549.
4.ABRvS 8 mei 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1469.
5.ABRvS 18 oktober 2017, ECLI:NL:RVS:2017:2830.
6.ABRvS 20 april 2016, ECLI:NL:RVS:2016:1044.
7.ABRvS 28 april 2021, ECLI:NL:RVS:2021:888, AB 2021/236.
8.ABRvS 20 december 2020, ECLI:NL:RVS:2020:2879; ABRvS 6 november 2019, ECLI:NL:RVS:2019:3762.
9.ABRvS 22 maart 2023, ECLI:NL:RVS:2023:1142; ABRvS 28 augustus 2019, ECLI:NL:RVS:2019:2912.