ECLI:NL:RBNHO:2025:14554

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
18 november 2025
Publicatiedatum
11 december 2025
Zaaknummer
C/15/356869 / FA RK 24-4717 en C/15/370854 / FA RK 25-5360
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Procedures
  • Beschikking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Echtscheiding met huwelijkse voorwaarden en verrekening van kosten van huishouding

In deze zaak gaat het om een echtscheiding tussen een vrouw en een man die op huwelijkse voorwaarden met elkaar gehuwd zijn geweest. De rechtbank heeft op 18 november 2025 uitspraak gedaan in de zaak, waarin de vrouw verzocht om een verklaring voor recht dat de man een schuld heeft van € 225.999 op de gemeenschap. De man heeft verweer gevoerd en verzocht om de vrouw niet-ontvankelijk te verklaren. De rechtbank heeft in een eerdere tussenbeschikking van 25 februari 2025 de echtscheiding uitgesproken en de behandeling van de verklaring voor recht aangehouden. Tijdens de mondelinge behandeling op 22 november 2025 zijn beide partijen gehoord, bijgestaan door hun advocaten. De vrouw heeft gesteld dat zij meer heeft bijgedragen aan de kosten van de huishouding dan waar zij op grond van de huwelijkse voorwaarden toe verplicht was. De man heeft zich beroepen op rechtsverwerking en de maatstaven van redelijkheid en billijkheid, stellende dat partijen stilzwijgend een overeenkomst hebben gesloten om de kosten van de huishouding niet te verrekenen. De rechtbank heeft geoordeeld dat de vrouw haar verzoek tijdig heeft ingediend en dat de man onvoldoende onderbouwing heeft gegeven voor zijn verweer. De rechtbank heeft echter vastgesteld dat de vrouw niet heeft aangetoond wat haar bijdrage aan de kosten van de huishouding was in verhouding tot het inkomen van beide partijen. Hierdoor heeft de rechtbank het verzoek van de vrouw afgewezen en bepaald dat beide partijen hun eigen proceskosten moeten betalen.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Familierecht
Zaakgegevens: C/15/356869 / FA RK 24-4717 (echtscheiding)
C/15/370854 / FA RK 25-5360 (huwelijksvermogensrecht)
Beschikking van 18 november 2025
in de zaak van:
[de vrouw],
wonende in [woonplaats 1],
hierna te noemen: de vrouw,
advocaat mr. E.M. Diesfeldt,
e n
[de man],
wonende in [woonplaats 2],
hierna te noemen: de man,
advocaat mr. J.G. Burgers.

1.De procedure

1.1.
Bij de tussenbeschikking van deze rechtbank van 25 februari 2025 is de echtscheiding tussen partijen uitgesproken en de behandeling van en de beslissing op de verklaring voor recht aangehouden.
1.2.
Na de tussenbeschikking heeft de rechtbank de volgende stukken ontvangen:
het bericht van de vrouw van 11 augustus 2025 met bijlagen 7 tot en met 19;
het bericht van de man met een zelfstandig verzoek van 15 augustus 2025 met bijlagen 2 en 3;
het bericht van de man van 8 oktober 2025 met bijlagen 5 tot en met 21;
het verweer van de vrouw op het zelfstandig verzoek van de man en het aanvullend verzoek van de vrouw van 8 oktober 2025 met bijlagen 20 en 21;
het bericht van de man van 10 oktober 2025 met bijlagen 22 tot en met 29, en
het bericht van de man van 14 oktober 2025 met bijlage 4.
1.3.
De verzoeken en verweren zijn besproken tijdens de mondelinge behandeling van 22 november 2025. Hiervan zijn aantekeningen gemaakt.
1.4.
Tijdens deze behandeling zijn via videobellen gehoord:
de vrouw, bijgestaan door haar advocaat die pleitaantekeningen heeft overgelegd, en
de man, bijgestaan door zijn advocaat die ook pleitaantekeningen heeft overgelegd.

2.Waar gaat het over?

Wat staat vast?
2.1.
De vrouw en de man zijn op [huwelijksdatum] op huwelijkse voorwaarden met elkaar gehuwd geweest. De echtscheiding is op 26 maart 2025 geregistreerd in de registers van de burgerlijke stand.
2.2.
In de huwelijkse voorwaarden zijn partijen onder andere het volgende overeengekomen:
“(…)
Algehele uitsluiting
Artikel 1
De echtgenoten zijn met uitsluiting van elke gemeenschap van goederen gehuwd.
(…)
Kosten huishoudingArtikel 71. De kosten van de gemeenschappelijke huishouding, daaronder begrepen de kosten van verzorging en opvoeding van de uit het huwelijk geboren kinderen, (…), alsmede de kosten van ontwikkeling en ontspanning van de gezinsleden, worden voldaan uit de inkomens van de echtgenoten naar evenredigheid daarvan; voor zover deze inkomens ontoereikend zijn, worden deze kosten voldaan uit ieders vermogen naar evenredigheid daarvan. Onder deze kosten worden mede verstaan premies voor gebruikelijke verzekeringen, de huurprijs voor de echtelijke woning en renten van geldleningen aangegaan ten behoeve van de financiering van voor het gemeenschappelijke huishouden bestemde zaken zoals de echtelijke woning, de vakantiewoning, de inboedel en de gezinsauto(’s).
2. De echtgenoot die over enig kalenderjaar meer heeft bijgedragen in de kosten van de huishouding dan zijn aandeel ingevolge het hiervoor bepaalde, heeft het recht het te veel bijgedragene terug te vorderen van de andere echtgenoot.
(…)
Verval van rechten
Artikel 9
Het recht tot het vorderen van het te veel bijgedragene in de kosten van de huishouding als bedoeld in artikel 7 vervalt drie jaar na de ontbinding van het huwelijk of in geval van scheiding van tafel en bed drie jaar nadat de uitspraak in kracht van gewijsde is gegaan.
Uitkering
Artikel 10
1. De uitkering van het verschuldigde is onmiddellijk opeisbaar aan het einde van het kalenderjaar.
2. Ingeval gewichtige redenen zich verzetten tegen prompte voldoening zullen de echtgenoten een redelijke betalingsregeling - al of niet met zekerheidstelling treffen waarbij de belangen van beiden in acht genomen worden.
Administratie
Artikel 11
De echtgenoten zijn verplicht van hun inkomen en vermogen een behoorlijke administratie bij te houden en aan de andere echtgenoot op eerste vordering inzage hierin te geven.
Pensioen
Artikel 12
Indien het huwelijk van de echtgenoten door echtscheiding wordt ontbonden dan wel indien tussen de echtgenoten de scheiding van tafel en bed wordt uitgesproken, zal geen pensioenverevening conform de Wet verevening pensioenrechten bij scheiding plaatsvinden, hetgeen onverlet laat ieders recht op nabestaanden pensioen.
Slotverklaringen
(…)
Partijen zijn door mij, notaris, uitdrukkelijk gewezen op het feit dat deze huwelijksvoorwaarden noch een periodiek noch een finaal verrekenbeding inhouden en de consequenties daarvan.
(…)”.
Wat ligt voor?
2.3.
De vrouw verzocht in eerste instantie de rechtbank bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, voor recht te verklaren dat de man een schuld heeft van € 225.999 op de gemeenschap c.q. de vrouw.
2.4.
De man heeft verzocht om de vrouw niet-ontvankelijk te verklaren of dit verzoek van de vrouw af te wijzen. Hij verzoekt de rechtbank voorts bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
partijen op te dragen elkaar over de periode [huwelijksdatum] tot de datum van de indiening van het echtscheidingsverzoekschrift elkaar binnen drie maanden na de door de rechtbank in deze procedure te nemen beslissing volledige informatie te verstrekken over hun respectieve inkomens per kalenderjaar, alsmede over hun respectieve bijdragen – telkens per kalenderjaar –, en
telkens per kalenderjaar de bijdrage vast te stellen die de ene partij aan de andere verschuldigd is op grond van het bepaalde in artikel 7 van de huwelijkse voorwaarden.
2.5.
De vrouw verzoekt de rechtbank de zelfstandige verzoeken van de man af te wijzen. Zij heeft haar verzoek gewijzigd en verzoekt de vordering op de man vast te stellen op een bedrag van € 145.600 dan wel een zodanig bedrag als de rechtbank in goede justitie meent te nemen.

3.De beoordeling

De kosten van de huishouding
3.1.
De rechtbank zal eerst ingaan op de formele verweren van de man. Dit zijn namelijk zogeheten bevrijdende verweren waarbij de stelplicht en (bij een gemotiveerde betwisting) de bewijslast op de man rust. Mocht een bevrijdend verweer van de man slagen, dan blijft een beoordeling van het verzoek van de vrouw om een verklaring voor recht achterwege.
rechtsverwerking en redelijkheid en billijkheid
3.2.
De man beroept zich op de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid en op rechtsverwerking. Hij stelt dat partijen een stilzwijgende overeenkomst hebben gesloten aangezien zij geleefd hebben als waren zij in gemeenschap van goederen gehuwd. Daardoor kan de vrouw volgens de man geen verzoek meer doen tot verrekening van de kosten van de huishouding. Volgens de man mocht hij, gelet op de houding van de vrouw en de door haar gewekte verwachtingen, erop vertrouwen dat zij de afwikkeling van de kosten van de huishouding niet (langer) zou verzoeken. Zij hebben – anders dan in de huwelijkse voorwaarden is opgenomen – niet jaarlijks de kosten van huishouding naar rato van inkomen verrekend. De administratie is volgens de man niet bijgehouden.
De vrouw heeft gemotiveerd verweer gevoerd tegen deze stelling van de man. Zij stelt onder meer dat uit correspondentie blijkt dat de kosten van huishouding gedurende het huwelijk aan de orde zijn geweest.
3.3.
Partijen zijn in hun huwelijkse voorwaarden overeengekomen dat zij de kosten van de huishouding gezamenlijk dragen, naar rato van hun inkomen. Wanneer een partij meer heeft bijgedragen dan hij/zij had moeten bijdragen, is er aanleiding tot vergoeding aan deze partij door de ander. Volgens vaste rechtspraak ligt het daarbij voor de hand aan te nemen dat de onderlinge afrekening periodiek moet plaatsvinden na het verstrijken van ieder kalenderjaar. Daarbij is van belang dat deze rechtspraak ziet op situaties waarin partijen geen vervalbeding zijn overeengekomen in de huwelijkse voorwaarden. Dit gemis wordt dan opgevuld door de eisen van de redelijkheid en billijkheid. [1] In deze zaak zijn partijen wél een vervalbeding overeengekomen. In artikel 9 van de huwelijkse voorwaarden zijn zij overeengekomen dat het recht tot het vorderen van het te veel bijgedragene in de kosten van de huishouding drie jaar na ontbinding van het huwelijk vervalt. De vrouw heeft haar verzoek tijdig ingediend. Hierbij heeft zij haar verzoek uitvoerig onderbouwd. De stelling van de man dat partijen geen behoorlijke boekhouding hebben gehad, waardoor afrekening op grond van redelijkheid en billijkheid achterwege zou moeten blijven volgt de rechtbank om die reden niet. De man heeft daarnaast onvoldoende onderbouwd dat partijen tijdens hun huwelijk andersluidende, stilzwijgende afspraken hebben gemaakt waarmee zij hebben willen afwijken van de huwelijkse voorwaarden. Hier gaat de rechtbank ook aan voorbij. Dit verweer van de man gaat dus niet op.
3.4.
Voor een beroep op rechtsverwerking is vereist dat bijzondere omstandigheden aanwezig zijn als gevolg waarvan ofwel de ene partij bij de andere partij het gerechtvaardigd vertrouwen heeft gewekt dat hij zijn aanspraak niet meer geldend zal maken ofwel de positie van de andere partij onredelijk zou worden benadeeld of verzwaard wanneer de aanspraak alsnog geldend gemaakt zou worden. [2] De rechtbank stelt vast dat de vrouw de man er niet op hoefde aan te spreken dat zij de kosten van de huishouding wilde verrekenen. Gelet op de tekst van de huwelijkse voorwaarden had de vrouw hier namelijk drie jaar na ontbinding van het huwelijk de tijd voor. Het lag dus niet op de weg van de vrouw om hier actief naar te vragen. Uit het stilzitten van de vrouw kan niet worden afgeleid dat zij geen aanspraak (meer) zou maken op verrekening. Gelet op de termijn van drie jaar had de man rekening kunnen en moeten houden met een eventuele verrekening in de genoemde periode.
3.5.
Gelet op het bovenstaande gaat de rechtbank voorbij aan de bevrijdende verweren van de man. De rechtbank gaat om die reden over tot de inhoudelijke beoordeling van het verzoek van de vrouw tot verrekening van de kosten van de huishouding.
inhoudelijke beoordeling
3.6.
Partijen hebben in de huwelijkse voorwaarden iedere vorm van gemeenschap uitgesloten. Wel zijn zij overeengekomen dat de kosten van de huishouding worden voldaan uit de inkomens van partijen naar evenredigheid daarvan.
3.7.
De vrouw stelt dat zij meer heeft bijgedragen in de kosten van de huishouding dan waartoe zij volgens de huwelijkse voorwaarden verplicht was. Zij beperkt zich in haar verzoek tot een periode van tien jaar waarin zij stelt € 168.800 te hebben bijgedragen in de kosten van de huishouding en de man maar € 23.400. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de vrouw uitdrukkelijk gesteld dat het haar doel is om een verklaring voor recht te verkrijgen. Hiermee wil zij haar recht behouden om bij een eventuele toetreding van de man tot een minnelijk dan wel wettelijk schuldhulpverleningstraject haar vordering jegens de man te kunnen indienen bij een bewindvoerder/curator.
3.8.
Nu de rechtbank voorbij is gegaan aan de primaire stellingen van de man (de bevrijdende verweren), resteert enkel zijn subsidiaire stelling: hij stelt dat de vrouw er volledig aan voorbij gegaan is dat de kosten van huishouding naar rato van het besteedbare inkomen van ieder der echtgenoten gedragen hadden moeten worden. Afgezien daarvan stelt hij dat hij juist zelf een vordering op de vrouw heeft vanwege de verrekening van de kosten van de huishouding. De man stelt dat hij veelvuldig kosten van de huishouding heeft voldaan vanuit zowel zijn privérekening als zijn zakelijke rekeningen. In totaal zou dit over 13 jaar om € 500.000 gaan. Daarbij heeft hij zelf ook geen berekening gemaakt van de besteedbare inkomens of van de verhouding tussen die beide inkomens en de invloed daarvan op de verdeling van de kosten.
3.9.
De rechtbank overweegt als volgt. Omdat de kosten van de huishouding naar rato van het inkomen van partijen dienen te worden verdeeld, is het naar het oordeel van de rechtbank van belang om eerst naar het inkomensbegrip te kijken. In artikel 6 van de huwelijkse voorwaarden zijn partijen overeengekomen dat onder inkomen wordt verstaan ‘het besteedbaar inkomen na betaling van belastingen, premies sociale verzekeringen en de kosten die redelijkerwijs gemaakt moeten worden voor de verwerving van het inkomen’. De rechtbank stelt voorop dat noch de vrouw noch de man het eigen inkomen dan wel het inkomen van de wederpartij heeft berekend naar aanleiding van het inkomensbegrip uit de huwelijkse voorwaarden. Het is niet voldoende om enkel de jaaropgaven en/of aangiften IB of jaarstukken over de desbetreffende jaren te overleggen. Het is de taak van partijen om het inkomen te concretiseren naar aanleiding van hetgeen is overeengekomen in de huwelijkse voorwaarden. De rechtbank heeft onvoldoende gegevens om over de verstreken tien jaren het inkomen van partijen te berekenen. Dit is ook niet de taak van de rechtbank.
3.10.
De vrouw heeft (en dat is door de man ook niet betwist) naar het oordeel van de rechtbank weliswaar aangetoond dat zij de door haar gestelde € 168.400 heeft bijgedragen in de kosten van de huishouding, maar wat deze bijdrage betekent in verhouding met het inkomen van partijen is niet door haar toegelicht. Het had op de weg van de vrouw gelegen om per kalenderjaar aan te tonen wat de kosten van de huishouding waren, wat het besteedbaar inkomen van partijen in dat kalenderjaar was, hoe die inkomens zich tot elkaar verhielden, welk deel van de kosten van de huishouding is gedragen door de man en welk deel van de kosten door de vrouw én tot slot, welk deel van de kosten van de huishouding – na de toepassing van de inkomensverhouding – door de man respectievelijk door de vrouw
gedragen had moeten wordenvolgens artikel 7 huwelijkse voorwaarden. Mocht uit de toepassing van de inkomensverhouding op de kosten van de huishouding blijken dat de vrouw een grotere bijdrage heeft voldaan dan waar zij toe verplicht was volgens de huwelijkse voorwaarden, dan pas kan worden vastgesteld of sprake is van een recht tot verrekening (of een verklaring van recht daarover) van de door haar voldane kosten. Echter, hier schort het aan onderbouwing door de vrouw. Zij heeft niet aangetoond wat zij per kalenderjaar had moeten bijdragen naar rato van de inkomens. De rechtbank geeft de vrouw mee dat zij uitermate uitvoerig is geweest in het onderbouwen van haar stellingen over de door haar gedragen huishoudelijke kosten, maar dit neemt niet weg dat de vrouw geen stellingen heeft ingenomen over de besteedbare inkomens en de verhouding daartussen.
3.11.
De rechtbank concludeert dat de vrouw aan één onderdeel van het door te lopen stappenplan heeft voldaan, namelijk het aantonen van haar bijdrage aan de kosten van de huishouding. Het lag op haar weg om aan de hand van de inkomensverhouding te onderbouwen dat zij méér heeft bijgedragen dan waartoe zij op grond van de huwelijkse voorwaarden verplicht was. Hier is zij niet in geslaagd. De rechtbank zal om die reden het verzoek van de vrouw afwijzen.
3.12.
De man heeft een zelfstandig verzoek gedaan, maar ter zitting is duidelijk geworden dat dit een subsidiair verzoek is, voor het geval het verzoek van de vrouw zou worden toegewezen. Nu het verzoek van de vrouw wordt afgewezen komt de rechtbank hier derhalve niet aan toe.
Proceskosten
3.13.
De man en de vrouw moeten allebei hun eigen proceskosten betalen, omdat zij een relatie met elkaar hebben gehad.

4.De beslissing

De rechtbank:
4.1.
wijst de verzoeken van de vrouw en de man af, en
4.2.
bepaalt dat de man en de vrouw allebei hun eigen proceskosten moeten betalen.
Dit is de beslissing van rechter mr. F.P. Dresselhuys-Doeleman, tot stand gekomen in samenwerking met mr. T. Öztoprak, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 18 november 2025 in aanwezigheid van de griffier.
Tegen deze beschikking kan - voor zover er definitief is beslist - door tussenkomst van een advocaat hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof in Amsterdam. De verzoekende partij en verschenen belanghebbenden dienen het hoger beroep binnen de termijn van drie maanden na de dag van de uitspraak in te stellen. Andere belanghebbenden dienen het beroep in te stellen binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of nadat deze hun op andere wijze bekend is geworden.

Voetnoten

1.Hoge Raad 19 oktober 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA7644.
2.Hoge Raad 24 april 1998, ECLI:NL:HR:1998:ZC2635.