ECLI:NL:RBNHO:2025:14472

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
15 december 2025
Publicatiedatum
10 december 2025
Zaaknummer
11895365
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Procedures
  • Beschikking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ontbinding arbeidsovereenkomst met werknemer wegens verstoorde arbeidsrelatie en ernstig verwijtbaar handelen van werkgever

In deze zaak verzoekt de werkgever, NTT Global Data Centers Netherlands B.V., ontbinding van de arbeidsovereenkomst met de Regional Director, hierna te noemen [verweerder]. De werkgever stelt dat de ontbinding primair is gebaseerd op verwijtbaar handelen van de werknemer en subsidiair op een verstoorde arbeidsrelatie. De kantonrechter heeft het subsidiaire verzoek toegewezen en de arbeidsovereenkomst ontbonden per 1 maart 2026. De kantonrechter oordeelt dat de werkgever ernstig verwijtbaar heeft gehandeld, wat heeft geleid tot een billijke vergoeding van € 128.500,00 voor de werknemer. De procedure begon met een verzoekschrift van 24 september 2025, gevolgd door een mondelinge behandeling op 24 november 2025. De werknemer heeft zich ziekgemeld en was niet in staat om op een gesprek te verschijnen, wat door de werkgever als verwijtbaar werd gezien. De kantonrechter oordeelt dat de werkgever onvoldoende bewijs heeft geleverd voor de beschuldigingen aan het adres van de werknemer. De kantonrechter heeft ook geoordeeld dat de werkgever de werknemer niet voldoende gelegenheid heeft gegeven om zijn kant van het verhaal te vertellen, wat heeft bijgedragen aan de verstoorde arbeidsrelatie. De kantonrechter heeft de werkgever veroordeeld tot betaling van een transitievergoeding van € 31.020,43 en heeft de proceskosten aan de zijde van de werknemer toegewezen.

Uitspraak

RECHTBANKNOORD-HOLLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Haarlem
Zaaknummer / rekestnummer: 11895365 \ AO VERZ 25-130
Beschikking van 15 december 2025(bij vervroeging)
in de zaak van
NTT GLOBAL DATA CENTERS NETHERLANDS B.V.,
te Rozenburg,
verzoekende partij,
verwerende partij in het tegenverzoek,
hierna te noemen: NTT,
gemachtigden: mr. T.D.E. Hoekstra en mr. J.J. de Gans,
tegen
[verweerder],
te [plaats],
verwerende partij,
verzoekende partij in het tegenverzoek,
hierna te noemen: [verweerder],
gemachtigde: mr. P.H.J. Nass.
De zaak in het kort
In deze zaak verzoekt de werkgever, een internationaal datacenter, ontbinding van de arbeidsovereenkomst met de Regional Director van de Nederlandse vestiging, primair vanwege verwijtbaar handelen van de werknemer, subsidiair vanwege een verstoorde arbeidsrelatie. De kantonrechter wijst het subsidiaire verzoek toe. Aan de werknemer wordt onder meer een billijke vergoeding van € 128.500,00 toegekend, omdat de ontbinding het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen van de werkgever.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
  • verzoekschrift van 24 september 2025 met 22 producties;
  • nadere stukken van 19 november 2025 met productie 23 t/m 31;
  • verweerschrift met zelfstandig tegenverzoek van 12 november 2025 met 35 producties;
  • nadere stukken van 19 november 2025 met productie 36 en 37;
  • de mondelinge behandeling van 24 november 2025, waar de gemachtigden van partijen spreekaantekeningen hebben overgelegd en verder door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.
1.2.
De beschikking is bepaald op vandaag.

2.De feiten

2.1.
NTT is een wereldwijd opererend datacenter. De kernactiviteiten van NTT zijn het ontwerpen, bouwen, beheren en exploiteren van datacenters voor zakelijke klanten.
2.2.
[verweerder] (geboren op [geboortedatum] 1979) is sinds 1 juli 2019 in dienst bij NTT in de functie van Regional Director. Zijn maandsalaris is € 10.766,56 bruto vermeerderd met 8% vakantietoeslag voor een arbeidsomvang van 40 uur per week. Op de arbeidsovereenkomst is de ‘NTT Code of Business Ethics’ van toepassing.
2.3.
[verweerder] is de hoogste leidinggevende werknemer op de vestiging in Nederland in Rozenburg (genaamd ‘AMS1’). [verweerder] geeft leiding aan zestien werknemers van NTT en tien tot vijftien personen die op AMS1 werkzaam zijn via externe dienstverleners, waaronder ingehuurde beveiligers van Workrate. Direct onder [verweerder] werken twee managers; [betrokkene 1] (Operations and Maintenance, hierna ook: [betrokkene 1]) en [betrokkene 2] (Senior Manager Critical Facilities Operations, hierna ook: [betrokkene 2]). [verweerder], [betrokkene 1] en [betrokkene 2] vormen samen het MT.
2.4.
Op 2 juni 2025 ontving NTT een melding van een incident op 27 mei 2025 van een externe beveiliger van Workrate over mogelijk grensoverschrijdend gedrag van [verweerder]. Deze melding is rechtstreeks gedaan bij de HR-afdeling van NTT, die buiten Nederland is gevestigd.
2.5.
Naar aanleiding van deze melding is NTT een intern onderzoek gestart. Daarbij is (online) met drie personen gesproken die werkzaam zijn op AMS1, te weten de desbetreffende externe beveiliger, diens manager (ook extern in dienst) en [betrokkene 2]. Van de videocalls zijn automatisch gegenereerde transcripten gemaakt die vervolgens via een vertaaltool zijn vertaald.
2.6.
NTT concludeerde naar aanleiding van deze gesprekken dat sprake was van een patroon van grensoverschrijdend gedrag door [verweerder]. Op 17 juli 2025 heeft NTT met [verweerder] hierover (online) een gesprek gevoerd. Van de videocall is een automatisch gegenereerd transcript gemaakt.
2.7.
Na afloop van het gesprek is [verweerder] op non-actief gesteld ten behoeve van een vervolgonderzoek. [verweerder] heeft bezwaar gemaakt tegen de non-actiefstelling.
2.8.
Op 27 juli 2025 heeft [verweerder] zich ziekgemeld.
2.9.
Gedurende het vervolgonderzoek zijn nog zeven personen (online) gehoord door NTT. Ook van deze videocalls zijn automatisch gegenereerde transcripten gemaakt die vervolgens via een vertaaltool zijn vertaald.
2.10.
Op 22 augustus 2025 heeft NTT [verweerder] uitgenodigd voor een tweede gesprek op 27 augustus 2025. [verweerder] heeft NTT op 25 augustus 2025 verzocht om voorafgaand aan dit gesprek de onderzoeksresultaten aan hem toe te zenden. Ook heeft [verweerder] verzocht om de bedrijfsarts in te schakelen en heeft hij meegedeeld dat hij wegens ziekte niet in staat is op 27 augustus 2025 te komen.
2.11.
[verweerder] is niet verschenen op het gesprek van 27 augustus 2025.
2.12.
Op 28 augustus 2025 heeft NTT de onderzoeksresultaten aan [verweerder] toegezonden. In dezelfde brief heeft NTT [verweerder] ontslag op staande voet aangezegd en een vaststellingsovereenkomst aangeboden.
2.13.
Op 2 september 2025 is [verweerder] voor het eerst gezien door de bedrijfsarts.
2.14.
Op 22 september 2024 heeft NTT aan [verweerder] laten weten dat aan het licht is gekomen dat de rapportageverplichtingen (op grond van het Activiteitenbesluit Milieubeheer) gedurende langere tijd niet zijn nagekomen, waardoor de Omgevingsdienst Noordzeekanaalgebied (hierna: Omgevingsdienst) op 6 juni 2025 aan NTT een last onder dwangsom heeft opgelegd. NTT houdt [verweerder] hiervoor verantwoordelijk.
2.15.
Op 24 september 2024 heeft NTT het voorliggende ontbindingsverzoek ingediend.
2.16.
Op 26 september 2025 heeft [verweerder] een omvangrijke schriftelijke reactie op de onderzoeksresultaten aan NTT gezonden.

3.Het verzoek, het verweer en het tegenverzoek

3.1.
NTT verzoekt primair de arbeidsovereenkomst met [verweerder] te ontbinden vanwege (ernstig) verwijtbaar handelen van [verweerder]. NTT heeft aan dit verzoek ten grondslag gelegd dat tien getuigenverklaringen een onaanvaardbare, grensoverschrijdende handelswijze laten zien die niet alleen op zichzelf bezien ernstig is, maar ook in strijd is met de NTT Code of Ethics, interne veiligheidsvoorschriften en goed werknemerschap. [verweerder] heeft binnen zijn leidinggevende positie een machtspositie gecreëerd en daar misbruik van gemaakt. Het vertrouwen in een verdere vruchtbare voortzetting van de samenwerking is daarom bij NTT verdwenen. Daarnaast heeft [verweerder] verwijtbaar gehandeld door het niet (tijdig) voldoen aan de informatie- en onderzoeksplicht inzake energiegebruik, als gevolg waarvan door de Omgevingsdienst aan NTT dwangsommen zijn opgelegd. Volgens NTT zijn zowel de handelswijze van [verweerder] ten aanzien van zijn stijl van leidinggeven als het niet opvolgen van verplichtingen op grond van de milieuwetgeving ieder afzonderlijk aan te merken als ernstig verwijtbaar handelen. Er is daarom geen transitievergoeding verschuldigd en bij de bepaling van de einddatum van de arbeidsovereenkomst hoeft geen rekening te worden gehouden met de toepasselijke opzegtermijn.
3.2.
Subsidiair verzoekt NTT de arbeidsovereenkomst te ontbinden vanwege een verstoorde arbeidsverhouding, zowel tussen NTT en [verweerder] als tussen [verweerder] en de aan hem ondergeschikte werknemers. De tien getuigenverklaringen laten zien dat een terugkeer van [verweerder] naar de werkvloer onmogelijk is geworden. Ten aanzien van het opzegverbod voert NTT aan dat het ontbindingsverzoek geen verband houdt met de ziekmelding, nu de verweten gedragingen zien op de periode voor de ziekmelding. Herplaatsing ligt volgens NTT niet in de rede.
3.3.
Tot slot vordert NTT veroordeling tot terugbetaling van een lening (voorschot op het salaris) van € 9.500,00.
3.4.
[verweerder] voert verweer en verzoekt de verzochte ontbinding wegens (ernstig) verwijtbaar handelen af te wijzen. Hij betwist het hem verweten grensoverschrijdende gedrag en voert aan dat NTT onzorgvuldig onderzoek heeft gedaan, op een onnodig diffamerende wijze heeft gehandeld en daarmee doelbewust een onwerkbare situatie heeft gecreëerd. [verweerder] heeft altijd goed gefunctioneerd en nooit kritiek of verbeterpunten inzake zijn stijl van leidinggeven ontvangen. Gedurende het onderzoek heeft [verweerder] de verklaringen niet mogen inzien, zodat hij zich daartegen niet kon verweren. Door geen ruimte te bieden voor hoor- en wederhoor zijn de bevindingen van NTT eenzijdig. De onderzoekers, die bovendien werkzaam zijn voor NTT, hebben suggestieve vragen gesteld aan de medewerkers. Er was geen sprake van een objectief onderzoek. De verklaringen bestaan grotendeels uit algemeenheden, waardeoordelen en kwalificaties. De verklaringen zijn ook niet nader ondersteund met schriftelijk bewijs, zoals mails of whatsappberichten. Verder is [verweerder] (tijdige) toegang tot de bedrijfsarts onthouden.
3.5.
Ten aanzien van de Omgevingsdienstkwestie stelt [verweerder] dat NTT nog tot en met 6 september 2025 de tijd had om de gevraagde informatie aan te leveren. Door de non-actiefstelling is [verweerder] belet verdere werkzaamheden te verrichten. Eventuele dwangsommen na 6 september 2025 zijn hem daarom niet te verwijten.
3.6.
[verweerder] erkent de inmiddels verstoorde arbeidsverhouding, en verzet zich niet tegen toewijzing van het ontbindingsverzoek. De ontbinding is het gevolg van ernstig verwijtbaar handelen van NTT. [verweerder] verzoekt om die reden veroordeling van NTT tot betaling van een billijke vergoeding van € 1.700.000,00. [verweerder] stelt dat hij nog zeker tien jaar bij NTT had kunnen werken, want hij zat goed op zijn plek en heeft altijd goed gefunctioneerd. Zijn eer en goede naam is geschaad en zijn carrièrekansen zijn beschadigd, waarbij van belang is dat de datacenterbranche een kleine, netwerkgedreven wereld is. Verder vordert [verweerder] een transitievergoeding ter hoogte van € 33.472,87 en veroordeling tot uitbetaling van een eindafrekening inclusief de 9 extra verlofdagen. Tot slot vordert [verweerder] vergoeding van buitengerechtelijke kosten van € 18.301,10 inclusief btw.
3.7.
NTT voert verweer tegen de verzoeken van [verweerder] en verwijst daarbij in de eerste plaats naar hetgeen aan het ontbindingsverzoek ten grondslag is gelegd. Voor een billijke vergoeding is volgens NTT geen plaats. De verzochte incassokosten zijn slechts toewijsbaar voor zover die de dubbele redelijkheidstoets doorstaan.

4.De beoordeling van het verzoek en het tegenverzoek

4.1.
De kantonrechter zal het verzoek en het tegenverzoek gezien de samenhang daartussen gezamenlijk beoordelen.
4.2.
Het gaat in deze zaak om de vraag of de arbeidsovereenkomst tussen partijen moet worden ontbonden. Een arbeidsovereenkomst kan alleen worden ontbonden als daar een redelijke grond voor is. In de wet is bepaald wat een redelijke grond is. [1] Ook is voor ontbinding vereist dat herplaatsing van de werknemer binnen een redelijke termijn niet mogelijk is of niet in de rede ligt. [2] De kantonrechter oordeelt dat er een redelijke grond is voor ontbinding. Dat wordt als volgt toegelicht.
Het opzegverbod tijdens ziekte staat niet aan ontbinding in de weg
4.3.
Op grond van artikel 7:670 lid 1 BW kan een werkgever de arbeidsovereenkomst (in beginsel) niet opzeggen gedurende de tijd dat de werknemer ongeschikt is tot het verrichten van zijn arbeid wegens ziekte. Ook in geval van ontbinding van de arbeidsovereenkomst is dit opzegverbod van toepassing. [3] Dit staat aan ontbinding in de weg, tenzij sprake is van één van de uitzonderingen als genoemd in art. 7:671b lid 6 BW.
4.4.
Tussen partijen staat niet ter discussie dat [verweerder] ten tijde van het indienen van het ontbindingsverzoek en de mondelinge behandeling arbeidsongeschikt was, zodat het opzegverbod tijdens ziekte in beginsel aan de ontbinding in de weg staat. De kantonrechter oordeelt echter dat het verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst geen verband houdt met de arbeidsongeschiktheid van [verweerder] (artikel 7:671b lid 6 onder a BW), nu het ontbindingsverzoek van NTT is gebaseerd op feiten en omstandigheden die liggen voor de ziekmelding van [verweerder].
Geen ontbinding wegens verwijtbaar handelen [verweerder]
4.5.
De kantonrechter wijst het ontbindingsverzoek op de primaire grondslag af. Niet is komen vast te staan dat [verweerder] zodanig verwijtbaar heeft gehandeld dat van NTT in redelijkheid niet gevergd kan worden de arbeidsovereenkomst te laten voortduren. Daarbij overweegt de kantonrechter het volgende.
4.6.
NTT moet in deze procedure haar stellingen -dat [verweerder] zich structureel grensoverschrijdend heeft gedragen en misbruik heeft gemaakt van zijn positie- met concrete feiten onderbouwen. Daarin is zij niet geslaagd. NTT verwijst ter onderbouwing van haar ernstige verwijten aan [verweerder] uitsluitend naar de tien verklaringen die voor of bij NTT werkzame personen hebben afgelegd. Deze verklaringen zijn echter voor een groot deel niet feitelijk van aard. In de verklaringen staan veel algemeenheden en kwalificaties. Zo verklaren meerdere personen dat [verweerder] ‘aan het uitschelden en intimideren was’ en ‘veel schreeuwt’. Daarbij wordt echter veelal niet concreet benoemd wanneer dit gebeurde en welke collega daarbij betrokken was. Meer in het algemeen geldt dat ondervraagden vooral in algemene bewoordingen voorbeelden noemen van gedrag dat [verweerder] tegenover (veelal niet concreet aangeduide) anderen vertoonde of dat zij ‘van horen zeggen’ hebben, en vrijwel niets concreets melden over wat henzelf of anderen is overkomen. Verder hebben niet alle medewerkers hun verklaring willen ondertekenen, hetgeen de vraag oproept of deze medewerkers nog (volledig) achter hun verklaring staan. Tot slot wordt vastgesteld dat geen van de betrokken medewerkers de afgelegde verklaring heeft onderbouwd met nadere stukken zoals e-mails of whatsappberichten.
4.7.
Voor zover in de verklaringen enkele, meer concrete voorvallen zijn beschreven, heeft [verweerder] daarop een reactie gegeven, waar mogelijk gemotiveerd (in zijn onder 2.16 genoemde schriftelijke reactie en ter zitting). NTT heeft hiertegenover haar stellingen niet nader onderbouwd. Dat had wel op haar weg gelegen. Van NTT mocht worden verwacht dat zij bij het maken van zulke ernstige verwijten aan [verweerder] beschikte over een afdoende feitelijke onderbouwing.
4.8.
Voor wat betreft het verwijt aan [verweerder] dat hij niet tijdig actie heeft ondernomen om de door de Omgevingsdienst aangekondigde dwangsommen te vermijden, geldt dat ter zitting is komen vast te staan dat NTT, en daarmee [verweerder], eerst in maart 2025 op de hoogte is geraakt van de waarschuwingsbrief van de Omgevingsdienst. [verweerder] heeft onweersproken toegelicht dat hij op 9 mei 2025 contact heeft opgenomen met de Omgevingsdienst en in juni 2025 met [betrokkene 2] overleg heeft gehad over deze kwestie. NTT had tot september 2025 de tijd om de rapportage alsnog in te dienen. Dat [verweerder] dit dossier niet verder heeft kunnen behandelen doordat hij op 17 juli 2025 op non-actief is gesteld, komt voor rekening van NTT. Gesteld noch gebleken is dat NTT op dat moment aan [verweerder] heeft gevraagd of er nog dringende zaken waren die op korte termijn afgehandeld moesten worden. Van verwijtbaar handelen door [verweerder] is onder deze omstandigheden geen sprake.
Ontbinding wegens verstoorde arbeidsverhouding per 1 maart 2026
4.9.
[verweerder] verzet zich niet tegen ontbinding van de arbeidsovereenkomst vanwege (inmiddels) ernstig verstoorde arbeidsverhoudingen. Herplaatsing van [verweerder] ligt daarom niet in de rede. De kantonrechter zal het ontbindingsverzoek op de subsidiaire grondslag toewijzen.
4.10.
Het einde van de arbeidsovereenkomst zal worden bepaald op
1 maart 2026. Dat is de datum waarop de arbeidsovereenkomst bij regelmatige opzegging zou zijn geëindigd met een opzegtermijn van twee maanden. De duur van deze procedure wordt niet op de opzegtermijn in mindering gebracht vanwege het ernstig verwijtbaar handelen van NTT, waarbij wordt verwezen naar de overwegingen inzake de billijke vergoeding voor de onderbouwing van het ernstig verwijtbaar handelen door NTT.
Billijke vergoeding
4.11.
De kantonrechter ziet aanleiding om aan [verweerder] een billijke vergoeding toe te kennen. Een billijke vergoeding kan worden toegekend als de ontbinding van de arbeidsovereenkomst het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever. [4] Dat zal zich alleen voordoen in uitzonderlijke gevallen en als een werkgever de verplichtingen uit de arbeidsovereenkomst in ernstige mate schendt. Bij de beoordeling of de ontbinding het gevolg is van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever, moeten alle omstandigheden van het geval, in onderling verband en samenhang, in aanmerking worden genomen. [5] In dit geval is sprake van dergelijk ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van NTT.
4.12.
Daarbij neemt de kantonrechter in de eerste plaats in aanmerking dat het door NTT verrichte onderzoek niet zorgvuldig (genoeg) is uitgevoerd. NTT is veel te hard van stapel gelopen. Zij had [verweerder], na de initiële melding van 2 juni 2025 en de verklaring van de betrokken medewerker daarover, om een reactie kunnen vragen. Er was geen reden om het onderzoek meteen ‘op te schalen’. Er waren immers niet eerder klachten over [verweerder] ontvangen; niet via HR, niet via Workrate en ook niet via de halfjaarlijks gehouden medewerkers-onderzoeken. Aan de gesprekken die NTT vervolgens met negen medewerkers heeft gevoerd, lag geen vooraf bepaalde opzet of vraagstelling ten grondslag. Van het horen van de betrokken medewerkers zijn geen gespreksverslagen opgemaakt; volstaan is met (ongeveer 100 pagina’s) vertaalde transcripten van online gesprekken. Uit die transcripten ontstaat door het verloop van de gesprekken en de vraagstelling op onderdelen de indruk dat bij dit onderzoek (mede) sprake was een ‘
fishing expedition’. Verder geldt dat aan [verweerder] voorafgaand aan het indienen van het ontbindingsverzoek onvoldoende gelegenheid is geboden om zijn kant van het verhaal te vertellen. Niet weersproken is dat NTT aan [verweerder] in het gesprek op 17 juli 2025 niet concreet wilde melden wat haar bevindingen waren en waarop de door haar in algemene bewoordingen gemaakte verwijten feitelijk zagen.
4.13.
NTT rekent [verweerder] aan dat hij op het gesprek van 27 augustus 2025 niet is verschenen. Dit is onterecht. Vast staat dat [verweerder] op dat moment al sinds 27 juli 2025 ziekgemeld was en nog niet door een bedrijfsarts was gezien. NTT was verder niet bereid om de resultaten van haar (sinds de eerste melding op 2 juni 2025 inmiddels bijna drie maanden durende) onderzoek met [verweerder] voorafgaand aan het gesprek te delen. Dat [verweerder] onder die omstandigheden geen gesprek kon of wilde voeren, kan niet voor rekening van [verweerder] worden gelaten. Op 28 augustus 2025 heeft NTT vervolgens niet haar volledige bevindingen met [verweerder] gedeeld; zo is het transcript van het gesprek met [betrokkene 2] pas voor het eerst in deze procedure ter kennis gebracht van [verweerder].
4.14.
Daarnaast acht de kantonrechter het ernstig verwijtbaar dat NTT op basis van een onvoldoende zorgvuldig onderzoek en zonder voldoende feitelijke grondslag de arbeidsovereenkomst met [verweerder] zonder meer wenste te beëindigen en dat zij de zaak met haar brief van 28 augustus 2025 en het daarin aangezegde (maar niet doorgezette) ontslag op staande voet onomkeerbaar op scherp zette. Dat de arbeidsverhoudingen inmiddels ernstig en blijvend zijn verstoord, is dan ook met name aan NTT toe te rekenen.
4.15.
Voor het vaststellen van de hoogte van de toe te kennen billijke vergoeding zijn in de rechtspraak uitgangspunten geformuleerd. [6] De kantonrechter moet bij het bepalen van de billijke vergoeding rekening houden met alle omstandigheden van het geval en die vergoeding moet daarbij aansluiten. Het gaat er uiteindelijk om dat de werknemer wordt gecompenseerd voor het ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever. Ook met de gevolgen van de ontbinding kan rekening worden gehouden, voor zover die gevolgen zijn toe te rekenen aan het verwijt dat de werkgever kan worden gemaakt. De billijke vergoeding heeft geen bestraffend doel, maar met de billijke vergoeding kan ook worden tegengegaan dat werkgevers ervoor kiezen een arbeidsovereenkomst op ernstig verwijtbare wijze te laten eindigen.
4.16.
[verweerder] vindt een billijke vergoeding van € 1.700.000,00 passend, bestaande uit materiële en immateriële schade. NTT meent dat [verweerder] geen aanspraak kan maken op een billijke vergoeding. De kantonrechter kent aan [verweerder] een billijke vergoeding toe van € 128.500,00 bruto. Hieronder licht de kantonrechter toe welke omstandigheden daarbij zijn meegewogen.
4.17.
Bij het bepalen van de hoogte van de billijke vergoeding houdt de kantonrechter om te beginnen rekening met de te verwachten inkomensschade van [verweerder] als gevolg van het niet voortzetten van de arbeidsovereenkomst. In dat verband moet niet alleen ingeschat worden hoe lang de arbeidsovereenkomst naar verwachting zou hebben voortgeduurd als NTT niet ernstig verwijtbaar zou hebben gehandeld, maar ook of en, zo ja, op welke termijn, [verweerder] in staat geacht moet worden andere inkomsten te verwerven en, zo ja, tot welk bedrag.
4.18.
Ten aanzien van de te verwachten resterende duur van de arbeidsovereenkomst gaat de kantonrechter ervan uit, rekening houdend met goede en kwade kansen, dat de arbeidsovereenkomst met [verweerder] nog maximaal een jaar had voortgeduurd. Daarbij neemt zij in aanmerking dat niet kan worden uitgesloten dat de melding van grensoverschrijdend gedrag uiteindelijk (ook bij zorgvuldig handelen van NTT) tot een onoverbrugbaar verschil van inzicht over de wijze van leidinggeven door [verweerder] had geleid. Het is moeilijk voorstelbaar dat de door vrijwel alle gehoorde medewerkers omschreven dominante stijl van leidinggeven volkomen uit de lucht gegrepen is. Nu [verweerder] hierop desgevraagd ter zitting enkel aangeeft dat hij zich ‘daarin niet herkent’ ontstaat de indruk dat [verweerder] op dit punt onvoldoende blijk geeft van zelfinzicht. Uitgaande van een voortgezet dienstverband van een jaar wordt rekening gehouden met een gemist bruto jaarsalaris (inclusief 8% vakantiegeld en 20% bonus). Daarop brengt de kantonrechter, zoals ook [verweerder] zelf in zijn berekening doet, de over die periode verwachte WW-uitkering van € 48.000,00 in mindering. Ten aanzien van pensioenschade over dit jaar wordt het door [verweerder] onbetwist gestelde bedrag van € 8.700,00 in aanmerking genomen.
4.19.
De kantonrechter ziet geen reden om aan te nemen dat sprake is van zodanige reputatieschade dat de kansen van [verweerder] op de arbeidsmarkt bij het zoeken van een nieuwe baan substantieel zijn geschaad. Gezien zijn leeftijd en ervaring mag dan ook worden aangenomen dat [verweerder] op termijn een vergelijkbare baan kan vinden. Er is geen reden om, zoals NTT heeft verzocht, de toegekende transitievergoeding in mindering te laten strekken op de billijke vergoeding.
4.20.
NTT zal dus worden veroordeeld tot betaling van een billijke vergoeding van €
128.500,00 bruto. Met dit bedrag wordt [verweerder] naar het oordeel van de kantonrechter voldoende gecompenseerd en wordt ook voldoende tegengegaan dat NTT er in de toekomst voor kiest een arbeidsovereenkomst op ernstig verwijtbare wijze te laten eindigen. De verzochte wettelijke rente over deze vergoeding wordt toegewezen, te rekenen vanaf de veertiende dag na de datum van deze beschikking.
Intrekkingsmogelijkheid
4.21.
NTT krijgt de gelegenheid om het verzoek in te trekken, binnen de hierna genoemde termijn, omdat aan de ontbinding een billijke vergoeding wordt verbonden. [7]
Transitievergoeding
4.22.
[verweerder] heeft recht op een wettelijke transitievergoeding. Zijn verzoek om NTT te veroordelen tot betaling van die transitievergoeding wordt toegewezen. [verweerder] berekent de transitievergoeding zelf op € 33.472,87, waarbij hij een maandelijkse autovergoeding ter hoogte van € 1.300,00 en een bonus van 20% van zijn maandsalaris meetelt. Op grond van het Besluit loonbegrip vergoeding aanzegtermijn en transitievergoeding [8] valt een autovergoeding als zijnde onkostenvergoeding niet onder het loonbegrip. De kantonrechter neemt dit daarom niet mee in de berekening. De door [verweerder] gestelde bonus van (gemiddeld) 20% is door NTT niet weersproken, zodat deze wel wordt meegerekend.
4.23.
De kantonrechter berekent de transitievergoeding bij uitdiensttreding per 1 maart 2026 op € 31.020,43 bruto. De gevorderde wettelijke rente over de transitievergoeding wordt ook toegewezen, te rekenen vanaf een maand na de dag waarop de arbeidsovereenkomst is geëindigd (1 april 2026).
Lening
4.24.
Het verzoek van NTT tot terugbetaling door [verweerder] van de aan hem verstrekte lening van € 9.500,00 zal worden toegewezen, nu [verweerder] die vordering ter zitting heeft erkend.
Eindafrekening
4.25.
NTT heeft het verzoek inzake de eindafrekening inclusief de 9 extra vakantiedagen niet weersproken, zodat dit verzoek ook zal worden toegewezen.
Buitengerechtelijke incassokosten
4.26.
[verweerder] verzoekt NTT te veroordelen tot betaling van € 18.301,10 inclusief btw vanwege door hem gemaakte buitengerechtelijke kosten. Ter zitting heeft [verweerder] toegelicht dat deze kosten als buitengerechtelijke incassokosten voor vergoeding in aanmerking komen, omdat NTT zich niet als goed werkgever heeft gedragen. NTT heeft (de (hoogte van) het verzoek van [verweerder] betwist en zich daarbij op het standpunt gesteld dat voor zover enige buitengerechtelijke incassokosten al meer omvatten dan de gebruikelijke procesvoorbereiding de omvang van die kosten onevenredig en niet redelijk is.
4.27.
De kantonrechter ziet in dit geval, in de aan NTT te wijten gang van zaken voorafgaand aan de procedure, aanleiding om NTT te veroordelen tot vergoeding van een deel van de kosten van rechtsbijstand die [verweerder] heeft moeten maken. Voor zover die kosten zien op de periode voorafgaand aan deze procedure kwalificeren die kosten naar het oordeel van de kantonrechter als buitengerechtelijke incassokosten in de zin van artikel 6:96 lid 2 BW. NTT heeft -door op basis van een onvoldoende zorgvuldig onderzoek en zonder voldoende feitelijke grondslag [verweerder] te schorsen en de zaak met het aangezegde (maar niet doorgezette) ontslag op staande voet onomkeerbaar op scherp te zetten- de norm van goed werkgeverschap geschonden (artikel 7:611 BW). Om zich hiertegen te verweren, heeft [verweerder] hoge kosten moeten maken die vanwege de genoemde normschending voor rekening van NTT behoren te komen. De kantonrechter stelt deze kosten aan de hand van de door [verweerder] verstrekte declaratie en specificatie vast op € 7.500,00 inclusief btw. Dit bedrag kan de dubbele redelijkheidstoets doorstaan.
Proceskosten
4.28.
De proceskosten komen voor rekening van NTT, omdat sprake is van (ernstig) verwijtbaar handelen of nalaten van NTT. De proceskosten aan de zijde van [verweerder] worden begroot op € 949,00 (€ 814,00 aan salaris gemachtigde en € 135,00 aan nakosten), plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing.
4.29.
Als NTT het verzoek intrekt, zal NTT de proceskosten van [verweerder] moeten betalen.
4.30.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.

5.De beslissing

De kantonrechter
op het verzoek
5.1.
stelt NTT in de gelegenheid om het verzoek binnen drie weken na de datum van deze beschikking, dus uiterlijk 5 januari 2026 in te trekken, door middel van een schriftelijke mededeling aan de griffier, met toezending van een kopie daarvan aan de (gemachtigde van de) wederpartij,
Voor het geval NTT het verzoek niet binnen die termijn intrekt:
op het verzoek en het tegenverzoek
5.2.
ontbindt de arbeidsovereenkomst tussen partijen wegens een verstoorde arbeidsverhouding met ingang van 1 maart 2026,
5.3.
veroordeelt NTT om aan [verweerder] een transitievergoeding te betalen van € 31.020,43 bruto, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 1 april 2026, tot aan de dag van de gehele betaling,
5.4.
veroordeelt NTT om aan [verweerder] een billijke vergoeding te betalen van € 128.500,00 bruto te vermeerderen met de wettelijke rente te rekenen vanaf de veertiende dag na de datum van deze beschikking, tot aan de dag van de gehele betaling,
5.5.
veroordeelt NTT om aan [verweerder] een deugdelijke eindafrekening met bruto-netto specificatie te verstrekken, waarbij de 9 in juli 2025 genoten verlofdagen aan het verlofsaldo worden toegevoegd, en deze afrekening aan [verweerder] uit te betalen,
5.6.
veroordeelt NTT om aan [verweerder] aan buitengerechtelijke kosten te betalen € 7.500,00 inclusief btw,
5.7.
veroordeelt [verweerder] tot betaling van € 9.500,00 aan NTT,
5.8.
veroordeelt NTT in de proceskosten van € 949,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als NTT niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en de beschikking daarna wordt betekend,
5.9.
veroordeelt NTT tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
5.10.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad,
5.11.
wijst het meer of anders verzochte af,
Voor het geval NTT het verzoek binnen die termijn intrekt:
op het verzoek en het tegenverzoek
5.12.
veroordeelt NTT in de proceskosten van € 949,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als NTT niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en de beschikking daarna wordt betekend,
5.13.
veroordeelt NTT tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
5.14.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beschikking is gegeven door mr. E. Jochem en in het openbaar (bij vervroeging) uitgesproken op 15 december 2025.

Voetnoten

1.Artikel 7:669 lid 3 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW).
2.Artikel 7:669 lid 1 BW.
3.Artikel 7:671b lid 2 BW.
4.Artikel 7:671b lid 9, onder c, BW.
5.Zie de uitspraak van de Hoge Raad van 21 januari 2022, te vinden op www.rechtspraak.nl, met nummer ECLI:NL:HR:2022:63 (
6.Zie de uitspraak van de Hoge Raad van 8 juni 2018, te vinden op www.rechtspraak.nl, met nummer ECLI:NL:HR:2018:878 (
7.Artikel 7:686a lid 6 BW.
8.Te vinden op https://wetten.overheid.nl/BWBR0035998/2020-07-01.