In deze zaak heeft de Rechtbank Noord-Holland op 9 december 2025 uitspraak gedaan in een geschil over de vastgestelde WOZ-waarden van drie appartementen, gelegen aan [straat 1] met de huisnummers [huisnummer 1], [huisnummer 2] en [huisnummer 3]. De verweerder, de heffingsambtenaar van Cocensus, had de waarden vastgesteld op respectievelijk € 272.000, € 187.000 en € 174.000. Eiser, eigenaar van de appartementen, heeft beroep ingesteld tegen deze waardebeschikkingen, omdat hij van mening is dat de waarden te hoog zijn vastgesteld. Hij onderbouwt zijn standpunt met verwijzingen naar de verkoopprijs van het gebouw in het najaar van 2025, die € 605.000 bedroeg, en een terugindexatie naar de waardepeildatum van 1 januari 2024.
De rechtbank heeft vastgesteld dat de verweerder niet aannemelijk heeft gemaakt dat de vastgestelde waarden correct zijn. De rechtbank oordeelt dat de verweerder onvoldoende rekening heeft gehouden met de bodemverontreiniging onder de woningen, die een waarde drukkend effect heeft. Bovendien zijn de vergelijkingsobjecten die de verweerder heeft gebruikt voor de systematische vergelijking niet voldoende vergelijkbaar met de woningen van eiser. De rechtbank volgt eiser in zijn argumentatie en concludeert dat de waarde van de woningen lager moet worden vastgesteld.
Uiteindelijk heeft de rechtbank de beroepen gegrond verklaard en de waardebeschikkingen gewijzigd. De nieuwe waarden zijn vastgesteld op € 235.000 voor nummer [huisnummer 1], € 165.000 voor nummer [huisnummer 2] en € 150.000 voor nummer [huisnummer 3]. Tevens is bepaald dat de aanslagen onroerendezaakbelasting dienovereenkomstig worden verminderd. De rechtbank heeft ook bepaald dat verweerder het griffierecht van € 53 moet vergoeden aan eiser.