ECLI:NL:RBNHO:2025:14224

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
1 december 2025
Publicatiedatum
4 december 2025
Zaaknummer
HAA 23/3470
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Definitieve berekening tegemoetkoming NOW-2 en terugvordering door de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid

Deze uitspraak betreft de definitieve berekening van de tegemoetkoming onder de Tweede Tijdelijke Noodmaatregel Overbrugging voor behoud van Werkgelegenheid (NOW-2) voor de tweede aanvraagperiode. Eiseres, een B.V. uit [plaats], is het niet eens met de nihilstelling van de tegemoetkoming en de terugvordering van € 98.800,00 door de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid. De rechtbank beoordeelt of de minister de tegemoetkoming terecht heeft vastgesteld op € 0,00 en of de terugvordering rechtmatig is. De rechtbank komt tot de conclusie dat de minister de NOW-2 terecht op € 0,00 heeft vastgesteld en dat de terugvordering gerechtvaardigd is. Eiseres heeft een aanvraag gedaan voor de tegemoetkoming op 14 augustus 2020 en ontving een voorschot van € 98.800,00. De minister heeft op 27 januari 2023 de definitieve berekening vastgesteld op € 0,00, wat leidt tot de terugvordering van het voorschot. Eiseres heeft bezwaar gemaakt, maar de minister heeft het besluit gehandhaafd. De rechtbank oordeelt dat de minister de berekeningswijze van de NOW-2 correct heeft toegepast en dat er geen sprake is van strijd met het evenredigheidsbeginsel. Eiseres heeft ook een verzoek om schadevergoeding ingediend wegens overschrijding van de redelijke termijn, wat de rechtbank toekent. De rechtbank veroordeelt de Staat tot betaling van € 1.000,00 aan schadevergoeding en € 453,50 aan proceskosten. Het beroep van eiseres wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Zittingsplaats Haarlem
Bestuursrecht
zaaknummer: HAA 23/3470

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 1 december 2025 in de zaak tussen

[eiseres] B.V., uit [plaats] , eiseres

(gemachtigde: mr. S. van Dijk),
en
de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,
namens deze de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, de minister
(gemachtigde: R. Roos)
en

de Staat der Nederlanden (minister van Justitie en Veiligheid), de Staat.

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de definitieve berekening van de tegemoetkoming Tweede Tijdelijke Noodmaatregel Overbrugging voor behoud van Werkgelegenheid (NOW-2) over de tweede aanvraagperiode. Eiseres is het niet eens met de berekening van de minister. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank of de minister de tegemoetkoming terecht heeft vastgesteld op € 0,00 en terecht € 98.800,00 van eiseres heeft teruggevorderd.
2. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de minister de NOW terecht heeft vastgesteld op € 0,00 en het te veel betaalde bedrag van eiseres heeft teruggevorderd. Eiseres krijgt dus geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

3. Bij besluit van 27 januari 2023 heeft de minister de voormelde tegemoetkoming van eiseres definitief berekend op € 0,00. Omdat eiseres een voorschot heeft ontvangen van € 98.800,00 moet eiseres dat bedrag terug betalen.
4. Met het bestreden besluit van 21 april 2023 op het bezwaar van eiseres is de minister bij dat besluit gebleven.
5. Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. De minister heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
6. De rechtbank heeft het beroep op 30 oktober 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: namens eiseres de heer [naam] , de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van de minister.

Totstandkoming van het besluit

7. Eiseres heeft op 14 augustus 2020 een aanvraag gedaan voor een tegemoetkoming op grond van de NOW-2 voor de periode van 1 juli 2020 tot en met 31 oktober 2020. Aan eiseres is op 18 augustus 2020 en tegemoetkoming van € 123.501,00 toegekend. Hiervan is een voorschot van € 98.800,00 aan eiseres uitgekeerd.
8. Op 30 september 2022 heeft eiseres een aanvraag gedaan voor de definitieve berekening van de tegemoetkoming NOW-2. Bij besluit van 27 januari 2023 heeft de minister de tegemoetkoming definitief berekend op € 0,00. Eiseres moet het volledige bedrag van het voorschot terugbetalen. Tegen dit besluit heeft eiseres bezwaar gemaakt.
9. In bezwaar heeft eiser zich op het standpunt gesteld dat het effect van de verlaging wegens de dalende loonsom onredelijk zwaar is, nu de verlaging feitelijk hoger is dan het basisbedrag. Daarnaast pakt het gebruik van de referentiemaand maart 2020 zeer nadelig uit voor eiseres. Ten slotte is de loonsom van de subsidiemaanden onduidelijk gebleven voor eiseres. Tijdens de hoorzitting in bezwaar heeft eiseres voorts gevraagd om meer maatwerk en een goede belangenafweging.
10. Met het bestreden besluit van 21 april 2023 op het bezwaar van eiseres is de minister bij het besluit gebleven. Tegen dit besluit heeft eiseres beroep ingesteld.

Overwegingen

Wat vindt eiseres?
11. Eiseres stelt zich op het standpunt dat het besluit in strijd is met het evenredigheidsbeginsel, het zorgvuldigheidsbeginsel en het motiveringsbeginsel. Eiseres richt haar beroep tegen het oordeel van de minister dat niet is gebleken van bijzondere omstandigheden of een nijpende situatie en tegen het feit dat de minister meent dat de NOW geen ruimte biedt om af te wijken van de bepalingen.
12. Eiseres voert aan dat uit het door haar overlegde overzicht blijkt dat oproepkrachten in de referentiemaand in 2020 extra veel uren hebben gewerkt. Dit is meer dan in alle andere maanden van het jaar. Dit heeft te maken met de jaarlijkse beurs van BMW waardoor tijdelijk veel extra uren nodig waren. In voorgaande jaren vertoont de loonsom in maart eenzelfde piek. Door juist deze maand als referentiemaand te gebruiken, is het onvermijdelijk dat eiseres de hele loonkostensubsidie moet terugbetalen. De nadelige gevolgen van de lagere vaststelling en de terugvordering van de als gevolg van daarvan ten onrechte ontvangen bedragen zijn volgens eiseres onevenredig tot de daarmee te dienen doelen. Eiseres heeft namelijk voldaan aan alle voorwaarden, terwijl zij bij een strikt toepassen van de regeling toch geen recht heeft op subsidie. Om deze nadelige gevolgen op te heffen, stelt eiseres een andere berekening voor.
Beoordeling door de rechtbank
13. Het gaat in deze zaak om de vaststelling van subsidie op grond van de NOW-2. Uit artikel 18, zesde lid, van de NOW-2 volgt dat de minister de subsidie vaststelt aan de hand van de berekeningswijze bedoeld in artikel 8 van de NOW-2. Het eerste lid geeft een formule voor de berekening van de hoogte van de subsidie. Het tweede lid bepaalt dat voor de loonsom, bedoeld in het eerste lid, wordt uitgegaan van het loon over het derde aangiftetijdvak van het jaar 2020 (maart 2020), met dien verstande dat indien er sprake is van een aangiftetijdvak van vier weken de loonsom in dat aangiftetijdvak wordt verhoogd met 8,33 procent (referentieloonsom). Is de loonsom over de maanden juni tot en met september 2020 lager dan viermaal de referentieloonsom, in dit geval maart 2020, dan wordt de subsidie verlaagd overeenkomstig de formule van het vijfde lid. Niet in geschil is dat de minister de definitieve subsidie heeft vastgesteld overeenkomstig het eerste, tweede en vijfde lid van artikel 8 van de NOW-2.
14. Het geschil spitst zich toe op de vraag of de minister in het kader van het evenredigheidsbeginsel een andere berekening had moeten maken.
15. De rechtbank overweegt dat de regelgever uitdrukkelijk heeft gekozen voor de berekeningswijze van artikel 8, vijfde lid, van de NOW-2, om zo het doel van de regeling, het behoud van werkgelegenheid, te bereiken. Dat is een legitiem doel waaraan zwaarwegende betekenis toekomt. Door bij de subsidievaststelling ten aanzien van de gedaalde loonsom geen rekening te houden met het omzetverlies worden werkgevers gestimuleerd de loonsom zo veel mogelijk gelijk te houden en dus geen medewerkers te ontslaan. Dit doel van behoud van werkgelegenheid kan ook alleen worden bereikt indien de berekeningswijze van artikel 8, vijfde lid, van de NOW-2 consequent wordt toegepast. In zoverre zijn de bestreden besluiten dan ook geschikt en noodzakelijk te achten.
16. Daar staat tegenover dat toepassing van artikel 8, vijfde lid, van de NOW-2 voor eiseres financieel nadelige gevolgen heeft omdat de definitieve subsidie op een lager bedrag is vastgesteld dan bij de subsidieverlening is begroot. Dat neemt niet weg dat doorslaggevende betekenis toekomt aan de uitdrukkelijke bedoeling van de minister en de in dat verband dwingend vastgestelde peildata. [1]
17. Wat eiseres heeft aangevoerd geeft volgens de rechtbank geen aanleiding om in dit geval dit financiële nadeel als onevenredig te beoordelen. Daarbij zoekt de rechtbank aansluiting bij rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep [2] .De rechtbank overweegt dat eiseres in staat wordt geacht de daadwerkelijke loonsom zelf te kunnen financieren. Bovendien had eiseres bij de aanvraag kunnen weten dat de gedaalde loonsom gevolgen zou hebben voor de uiteindelijke subsidievaststelling. Ook is het teruggevorderde bedrag reeds door eiseres terugbetaald. Gelet hierop acht de rechtbank het vaststellen van de subsidie op een lager bedrag niet onevenredig.
18. Gelet op het bovenstaande heeft de minister de NOW terecht vastgesteld op € 0,00 en het te veel betaalde bedrag van eiseres heeft teruggevorderd. Het beroep slaagt niet.
Schadevergoeding redelijke termijn
19. Eiseres heeft tevens een verzoek gedaan om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn op grond van artikel 6 EVRM. Volgens vaste rechtspraak mag bij de behandeling van zaken als deze, de behandeling van het bezwaar ten hoogste een half jaar en de behandeling van het beroep bij de rechtbank ten hoogste anderhalf jaar duren, terwijl doorgaans geen sprake is van een te lange behandelingsduur als deze in geheel niet meer dan twee jaar heeft geduurd. Per half jaar of gedeelte daarvan waarmee de redelijke termijn is overschreden, is een immateriële schadevergoeding van € 500,00 gepast. De te beoordelen periode begint met de datum waarop het bezwaarschrift is ingediend en loopt door tot de datum waarop de rechtbank uitspraak heeft gedaan.
20. Het bezwaarschrift is op 9 maart 2023 ingediend. De redelijke termijn is daarom op die datum gestart. Op het moment van de uitspraak (1 december 2025) zijn sinds die datum 2 jaar en afgerond 9 maanden verstreken
.Dit betekent dat de redelijke termijn is overschreden met (naar boven afgerond) 9 maanden. Daarbij past een vergoeding van immateriële schade van € 1.000,00.
21. De rechtbank constateert dat de bezwaarfase een kleine twee maanden heeft geduurd. De overschrijding van de redelijke termijn is daarom volledig aan de rechtbank toe te rekenen. De rechtbank zal de Staat daarom veroordelen tot het betalen van een schadevergoeding aan eiser van € 1.000,00 wegens het overschrijden van de redelijke termijn.

Conclusie en gevolgen

22. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiseres geen gelijk krijgt. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Er bestaat wel aanleiding voor een proceskostenvergoeding die verband houdt met het verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn. Deze kosten worden begroot op € 453,50 (1 punt voor het indienen van het verzoek met een wegingsfactor van 0,5 en een waarde per punt van € 907,00). Omdat de overschrijding van de redelijke termijn volledig aan de rechtbank is toe te rekenen, komt deze vergoeding voor rekening van de Staat. Voor vergoeding van andere proceskosten bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- veroordeelt de Staat tot het betalen van € 1.000,00 aan schadevergoeding aan eiseres;
- veroordeelt de Staat tot betaling van € 453,50 aan proceskosten aan eiseres.
Deze uitspraak is gedaan door mr. L.M. Kos, rechter, in aanwezigheid van mr. I.E. Molin, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 1 december 2025.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Zie de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 19 januari 2024, ECLI:NL:CRVB:2024:104.
2.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 18 januari 2023, ECLI:NL:CRVB:2023:95.