ECLI:NL:RBNHO:2025:13944

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
29 oktober 2025
Publicatiedatum
28 november 2025
Zaaknummer
11651239
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:119 BWArtikel 21 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing vordering wegens onvoldoende onderbouwde gebreken aan nieuwbouwwoning

Partijen sloten een aannemingsovereenkomst voor de bouw van een eengezinswoning, opgeleverd op 6 maart 2023 zonder gemelde gebreken. Anderhalf jaar later stelde de opdrachtgever gebreken vast, waaronder slecht schilderwerk en algenaanslag, en vorderde vergoeding van herstelkosten.

De aannemer betwistte de gebreken en verwees naar de algemene voorwaarden die stellen dat zichtbare, niet-ernstige gebreken binnen zes maanden na oplevering gemeld moeten worden. De opdrachtgever onderbouwde haar stellingen onvoldoende, met slechts summiere e-mails en niet-verifieerbare verklaringen.

De kantonrechter oordeelde dat de opdrachtgever onvoldoende feiten en bewijs had geleverd om de gebreken aannemelijk te maken, en dat de klacht bovendien te laat was ingediend. De vorderingen werden daarom afgewezen en de opdrachtgever werd veroordeeld in de proceskosten.

Uitkomst: Vorderingen wegens gebreken aan schilderwerk en algenaanslag worden afgewezen wegens onvoldoende onderbouwing en te late klacht.

Uitspraak

RECHTBANKNOORD-HOLLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Alkmaar
Zaaknummer: 11651239 \ CV EXPL 25-1392 (NE)
Vonnis van 29 oktober 2025
in de zaak van
[eiser],
te [plaats 1] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser] ,
gemachtigde: [gemachtigde] ,
tegen
[gedaagde],
te [plaats 2] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
gemachtigde: mr. J.J. de Boer.
De zaak in het kort
Partijen hebben een overeenkomst gesloten voor de bouw van een woonhuis.
De opdrachtgever stelt zich anderhalf jaar na de oplevering op het standpunt dat sprake is van gebreken bestaande uit slecht schilderwerk en een algenaanslag op de muur en vordert vergoeding van de begrote herstelkosten. De aannemer heeft gemotiveerd verweer gevoerd. Omdat de opdrachtgever onvoldoende heeft gesteld en onderbouwd, worden de vorderingen afgewezen.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 31 maart 2025
- de conclusie van antwoord
- het tussenvonnis van 25 juni 2025
- de mondelinge behandeling van 3 oktober 2025, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De feiten

2.1.
Partijen hebben een aannemingsovereenkomst voor de bouw van een eengezinswoning gesloten. Op de overeenkomst zijn de Algemene Voorwaarden voor de aannemingsovereenkomst voor eengezinshuizen (projectmatige bouw) en de Woningborg garantie- en waarborgregeling nieuwbouw (garantieregeling) van toepassing. Bij de garantieregeling hoort een brochure over het onderhoud van de woning.
2.2.
Op 6 maart 2023 is de woning aan [eiser] opgeleverd. Bij de oplevering zijn geen gebreken gemeld.
2.3.
[eiser] heeft op 21 juli 2024 aan [gedaagde] laten weten dat haar schoonmaakster haar erop wees dat het schilderwerk van het kozijn afrafelt. [eiser] heeft [gedaagde] gevraagd dit te corrigeren. Daarover is op 22 juli 2022 telefonisch contact geweest tussen partijen. Daarna heeft [eiser] een aantal keer om een update gevraagd.
2.4.
In twee e-mails van 28 september 2024 heeft [eiser] aan [gedaagde] gemeld dat sprake is van gebreken aan het schilderwerk en de zonnepanelen en dat er een algenaanslag op de muur is en heeft zij een termijn voor een oplossing gegeven.
2.5.
[gedaagde] heeft daarop op 3 oktober 2024 gereageerd. Ten aanzien van het schilderwerk heeft [gedaagde] het gebrek betwist en opgemerkt dat er geen sprake is van aansprakelijkheid van [gedaagde] , omdat in strijd met de algemene voorwaarden niet binnen zes maanden na oplevering is geklaagd over een vermeend zichtbaar en niet ernstig gebrek.
2.6.
Op 21 oktober 2024 heeft [eiser] [gedaagde] verzocht om tot een oplossing te komen. Daarop heeft [gedaagde] gereageerd: het probleem met de zonnepanelen is opgelost en [gedaagde] kan op grond van de algemene voorwaarden anderhalf jaar na oplevering niet meer aansprakelijk zijn voor bij de oplevering zichtbare niet ernstige gebreken. [eiser] heeft vervolgens op
27 oktober 2024 bericht dat zij genoodzaakt is de punten zelf op te lossen en dat de kosten daarvan voor rekening van [gedaagde] komen. [gedaagde] heeft daarna herhaaldelijk laten weten dat een reactie is gegeven en het aan [eiser] is om aan te tonen dat sprake is van gebreken.

3.Het geschil

3.1.
[eiser] vordert veroordeling van [gedaagde] tot betaling van € 8.100,00 exclusief btw vanwege ondeugdelijk uitgevoerd schilderwerk door [gedaagde] en vordert “een stelpost voor inspectie en herstel van vochtprobleem en eventuele leiding van € 7.500,00 exclusief btw”, alsmede een vergoeding van de buitengerechtelijke incassokosten van € 875,00.
3.2.
[eiser] stelt zich op het standpunt dat sprake is van twee gebreken in het door [gedaagde] opgeleverde werk. Volgens [eiser] is meerdere keren gemaild en gebeld over ondeugdelijk schilderwerk en een algenaanslag op de muur met het verzoek dit te herstellen of op te lossen, maar geeft [gedaagde] daaraan geen gehoor. [eiser] heeft daarom geen vertrouwen meer in [gedaagde] . Ook stelt [eiser] dat haar geen verweer van [gedaagde] bekend is.
3.3.
[gedaagde] voert verweer en concludeert tot afwijzing van de vorderingen van [eiser] , met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [eiser] in de kosten van deze procedure.
3.4.
[gedaagde] betwist in de eerste plaats dat sprake is van gebreken. Wat betreft de groene aanslag wijst [gedaagde] erop dat voor iedere woning in Nederland geldt dat door de vochtigheid met name aan de noordkant van de woning groene aanslag op een muur kan optreden. Daarover staat in de brochure dat groene aanslag periodiek moet worden verwijderd.
[gedaagde] wijst er verder op dat een vermeend gebrek aan het schilderwerk niet tijdig is gemeld. Ook voert [gedaagde] aan dat [eiser] haar stellingen niet deugdelijk heeft onderbouwd en ten onrechte in de dagvaarding staat dat haar geen verweer bekend is, wat in strijd is met de waarheid.
3.5.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

4.De beoordeling

4.1.
Partijen zijn op grond van de wet verplicht om de voor de beslissing van belang zijnde feiten volledig en naar waarheid aan te voeren. [1] Als deze verplichting niet wordt nageleefd, kan de rechter daaruit de gevolgtrekking maken die zij geraden acht. Van belang hierbij is dat producties dienen ter ondersteuning van stellingen, maar niet ter vervanging daarvan. Indien een partij producties in het geding brengt, betekent dit dat de rechter met daaruit blijkende feiten of omstandigheden slechts rekening kan houden als uit de processtukken voldoende kenbaar is dat de betrokken partij de inhoud van die producties mede aan haar stellingen ten grondslag wil leggen en ook voldoende duidelijk blijkt welke specifieke feiten of omstandigheden dat dan zijn. [2] Het is dus aan degene die een beroep doet op producties om daar een toelichting bij te geven.
4.2.
De kantonrechter stelt vast dat [gedaagde] in reactie op e-mails van [eiser] de door haar gestelde gebreken gemotiveerd heeft weersproken. [eiser] stelt daarom ten onrechte in de dagvaarding dat haar geen verweer bekend is. Verder merkt de kantonrechter op dat de dagvaarding met een toelichting op de vordering van twee korte alinea’s summier is.
Ook ontbreekt daarin een toelichting op de bij de dagvaarding gevoegde producties.
Schilderwerk
4.3.
Zoals [gedaagde] terecht aanvoert is het aan [eiser] te stellen en onderbouwen dat en waarom sprake is van gebrekkig schilderwerk. [eiser] stelt alleen dat het schilderwerk aantoonbaar slecht is en dat [gedaagde] niet bereid is om tot een oplossing te komen. [eiser] laat echter na te onderbouwen waarom sprake is van slecht schilderwerk en waar dat uit blijkt. Hoewel het niet zozeer de taak van de kantonrechter is te grasduinen in de bijgevoegde producties, heeft de kantonrechter de e-mailcorrespondentie gelezen en als onderbouwing van haar stelling dat het schilderwerk slecht is een passage in de e-mail van 21 juli 2024 gevonden. Daarin laat [eiser] aan [gedaagde] weten dat haar schoonmaakster haar erop wees dat het schilderwerk van het kozijn afrafelt. Een onderbouwing dat het schilderwerk afrafelt is echter niet gegeven en blijkt evenmin uit de foto’s die [eiser] heeft overgelegd. Ook met de overgelegde niet verifieerbare parafenlijst, waarover [eiser] tijdens de zitting heeft aangevoerd dat daaruit blijkt dat haar buren ook vinden dat het schilderwerk slecht is, heeft [eiser] die onderbouwing niet gegeven.
4.4.
[eiser] gaat verder niet in op het verweer van [gedaagde] dat op grond van de algemene voorwaarden binnen zes maanden na oplevering moet worden geklaagd over zichtbare en niet ernstige gebreken en dat [eiser] daarom te laat heeft geklaagd.
Algenaanslag
4.5.
Over de algenaanslag op de muur heeft [eiser] aangevoerd dat de muur in korte tijd twee keer is schoongemaakt, de muur opnieuw een groene aanslag heeft en de oorzaak daarvan volgens de bouwinspecteur van Eigen Huis waarschijnlijk een lekkage en vochtprobleem is. [eiser] heeft echter de ernst van de algenaanslag op de muur en de oorzaak daarvan op geen enkele manier onderbouwd. Zo had zij bijvoorbeeld concrete informatie kunnen overleggen van de bouwinspecteur, te weten wat deze wanneer, waarover precies heeft geconstateerd en wat de gevolgen hiervan zijn. Vanwege de gemotiveerde betwisting dat sprake is van een gebrek, had een deugdelijke onderbouwing wel op de weg van [eiser] gelegen.
Conclusie
4.6.
[eiser] wil dat de gestelde gebreken worden opgelost en dat is begrijpelijk. Daarvoor is echter wel nodig dat komt vast te staan dat [gedaagde] slecht schilderwerk heeft opgeleverd en sprake is van een algenprobleem als gevolg van een gebrek aan de woning. Dit betekent dat [eiser] haar stellingen met feiten en omstandigheden moet onderbouwen en bij een gemotiveerde betwisting door [gedaagde] moet bewijzen. [eiser] heeft echter voor de gestelde gebreken geen begin van een indicatie gegeven. Dit leidt tot afwijzing van de vorderingen van [eiser] .
Proceskosten
4.7.
[eiser] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [gedaagde] worden begroot op:
- salaris gemachtigde
812,00
(2 punten × € 406,00)
- nakosten
67,50
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
879,50
4.8.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.

5.De beslissing

De kantonrechter
5.1.
wijst de vorderingen van [eiser] af,
5.2.
veroordeelt [eiser] in de proceskosten van € 879,50, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [eiser] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
5.3.
veroordeelt [eiser] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
5.4.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. D.D.M. Hazeu en in het openbaar uitgesproken op 29 oktober 2025.

Voetnoten

1.Artikel 21 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering.
2.Hoge Raad 10 maart 2017, ECLI:NL:HR:2017:404.