ECLI:NL:RBNHO:2025:13587

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
5 november 2025
Publicatiedatum
21 november 2025
Zaaknummer
C/15/370363 / JU RK 25-1392
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verlenging van de ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing van een minderjarige in het belang van zijn ontwikkeling en stabiliteit

Op 5 november 2025 heeft de Rechtbank Noord-Holland uitspraak gedaan in een zaak betreffende de verlenging van de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing van een minderjarige, hierna te noemen [de minderjarige]. De rechtbank oordeelt dat het in het belang van [de minderjarige] is dat zijn verblijf in het gezinshuis wordt voortgezet. De gecertificeerde instelling, William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering, heeft op 3 oktober 2025 een verzoek ingediend tot verlenging van de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing, omdat [de minderjarige] nog steeds ernstig in zijn ontwikkeling wordt bedreigd. De vader van [de minderjarige] heeft in het verleden aangegeven dat hij wilde dat [de minderjarige] weer bij hem zou komen wonen, wat heeft geleid tot onduidelijkheid en spanning. De rechtbank heeft vastgesteld dat de vader niet in staat is om de nodige structuur en zorg te bieden die [de minderjarige] nodig heeft. De rechtbank heeft de zitting met gesloten deuren gehouden, waarbij de moeder en vertegenwoordigers van de GI aanwezig waren. De vader en de gezinshuisouders waren afwezig, maar correct opgeroepen. De rechtbank heeft de positieve ontwikkelingen in de situatie van [de minderjarige] in het gezinshuis erkend en heeft besloten de ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing te verlengen tot 18 mei 2026. De beslissing is uitvoerbaar bij voorraad verklaard, wat betekent dat deze direct geldt, ook als er hoger beroep wordt ingesteld.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Familie- en Jeugdrecht
Locatie Alkmaar
Zaaknummer: C/15/370363 / JU RK 25-1392
Datum uitspraak: 5 november 2025
Beschikking van de meervoudige kamer over een verlenging ondertoezichtstelling en verlenging machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
de gecertificeerde instelling William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering,
hierna te noemen: de GI,
gevestigd te Amsterdam,
over
[de minderjarige], geboren op [geboortedatum] in [plaats] ,
hierna te noemen: [de minderjarige] .
De rechtbank merkt als belanghebbenden aan:
[de vader],
hierna te noemen: de vader,
wonende in [plaats] , gemeente [gemeente] ,
[de gezinshuisouders],
hierna te noemen: de gezinshuisouders,
wonende in [plaats] , gemeente [gemeente] .
De rechtbank merkt als informant aan:
[de moeder],
hierna te noemen: de moeder,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres.

1.Het verloop van de procedure

1.1.
De rechtbank neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
- het verzoekschrift, met bijlagen, van de GI, ingekomen op 3 oktober 2025.
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 5 november 2025. Daarbij waren aanwezig:
- [vertegenwoordiger van de GI] en [vertegenwoordiger van de GI] , namens de GI;
- de moeder.
1.3.
De vader en de gezinshuisouders zijn, met bericht van afmelding, niet verschenen. De rechtbank stelt vast dat de vader en de gezinshuisouders wel juist zijn opgeroepen.

2.De feiten

2.1.
De vader is belast met het ouderlijk gezag over [de minderjarige] .
2.2.
[de minderjarige] verblijft sinds 20 mei 2021 in een perspectiefbiedend gezinshuis te [plaats] .
2.3.
Bij beschikking van 18 november 2013 is [de minderjarige] onder toezicht gesteld.
Deze maatregel is daarna steeds verlengd, voor het laatst bij beschikking van 26 november 2024 tot 18 november 2025.
2.4.
Bij beschikking van 20 mei 2021 is een (spoed)machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] in een accommodatie jeugdhulpaanbieder verleend voor de duur van vier
weken. Deze machtiging is daarna steeds verlengd, voor het laatst bij beschikking van 13 mei 2025 tot 18 november 2025.

3.Het verzoek

3.1.
De GI verzoekt de ondertoezichtstelling van [de minderjarige] te verlengen voor de duur van zes maanden. Ook verzoekt de GI de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] in een gezinsgerichte voorziening te verlenen (de rechtbank begrijpt: verlengen) voor de duur van zes maanden. De GI verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
3.2.
De GI brengt ter onderbouwing van haar verzoek naar voren dat [de minderjarige] nog steeds ernstig in zijn ontwikkeling wordt bedreigd. Er bestaat onduidelijkheid over de omgang tussen [de minderjarige] en de ouders en [de minderjarige] kampt met emotieregulatieproblematiek. Daarnaast heeft de vader tijdens de zitting vorig jaar aangegeven dat hij wilde dat [de minderjarige] weer bij hem zou komen wonen, omdat hij verminderd vertrouwen had in het gezinshuis. Hij gaf [de minderjarige] geen emotionele toestemming meer om op te groeien in het gezinshuis, wat negatieve invloed heeft gehad op het gedrag van [de minderjarige] , zowel op school als in het gezinshuis. Hij werd brutaal, vertoonde storend gedrag en liet zich niet aansturen door de leerkrachten. [de minderjarige] heeft zich sinds februari 2025 herpakt, waardoor het moeilijke gedrag op dit moment minder tot niet aan de orde is. Wel is duidelijk dat [de minderjarige] last heeft van de onduidelijkheid over zijn woonplek. Daarom heeft de GI op 15 september 2025 (opnieuw) een perspectiefbesluit genomen, waarin een eerder perspectiefbesluit van 22 januari 2022 wordt bevestigd. In het perspectiefbesluit staat dat [de minderjarige] niet bij de vader kan opgroeien en dat daarom niet meer wordt gewerkt aan een thuisplaatsing. Er wordt weinig tot geen groei gezien in de opvoedvaardigheden van de vader en het wordt niet verwacht dat dit binnen een redelijke termijn zal plaatsvinden. De vader is daardoor niet in staat om [de minderjarige] de nodige duidelijkheid en structuur te bieden en hem tegemoet te komen in zijn zorgbehoefte. Het is daarom van belang dat het verblijf van [de minderjarige] in het gezinshuis voortgezet wordt.
3.3.
Een verlenging van de ondertoezichtstelling is volgens de GI noodzakelijk om passende hulpverlening voort te zetten en de situatie te monitoren. De systeemtherapie van de vader en de gezinshuismoeder moet afgerond worden en er dient een psychomotorisch therapie-traject (hierna te noemen: PMT-traject) voor [de minderjarige] gestart en gemonitord te worden. Ook moeten afspraken gemaakt worden over de omgang tussen [de minderjarige] en de ouders en die moeten worden vastgelegd in een borgingsplan voordat kan worden overgegaan naar het vrijwillig kader
De verzochte machtiging tot uithuisplaatsing is ook noodzakelijk om de plaatsing van [de minderjarige] bij het gezinshuis te borgen.
3.4.
De GI geeft op de zitting aan dat zij bij haar verzoek blijft en licht het verzoek verder toe. Het gaat momenteel goed met [de minderjarige] . Bij het gezinshuis wordt [de minderjarige] gestimuleerd om zijn best te doen op school en krijgt hij passende hulpverlening en ondersteuning. Hij gaat naar speciaal onderwijs, maar hij wil liever naar regulier onderwijs. De gezinshuismoeder onderzoekt de mogelijkheden voor [de minderjarige] om regulier onderwijs te volgen. [de minderjarige] krijgt nu PMT, wat hem moet helpen met zijn externaliserende gedrag.
Uit de systeemtherapie is naar voren gekomen dat de vader voornamelijk moeite heeft met de hulpverlening en minder met de plaatsing in het gezinshuis zelf. Tijdens een evaluatiegesprek zijn nieuwe afspraken gemaakt en is een nieuwe hulpverlener betrokken geraakt bij het traject. De spanning bij de vader is daarna afgenomen. Desondanks moet er aandacht zijn voor de samenwerking tussen de vader en het gezinshuis. Indien nodig dient hulpverlening te worden ingezet om deze samenwerking te versterken en te stabiliseren.
Het is van belang dat het perspectiefbesluit bekrachtigd wordt, zodat de vader duidelijkheid krijgt en [de minderjarige] de nodige rust kan ervaren. Het lukt de vader namelijk onvoldoende om [de minderjarige] grenzen en kaders te bieden.
Het gezinshuis staat open voor het contact tussen de vader en [de minderjarige] , waardoor de vader een betrokken vader kan zijn.

4.De standpunten

De gezinshuismoeder
4.1.
De gezinshuismoeder heeft in een bericht aan de rechtbank naar voren gebracht dat het goed gaat met [de minderjarige] . Hij voelt zich prettig en veilig in het gezinshuis en hij geeft aan dat hij tevreden is met hoe de situatie nu is.
Het contact tussen [de minderjarige] en de ouders verloopt redelijk positief en [de minderjarige] doet het goed op school.
De moeder
4.2.
De moeder ziet dat het goed gaat met [de minderjarige] in het gezinshuis. Hij gaat naar school en neemt deel aan sportactiviteiten. De moeder heeft vertrouwen in de gezinshuismoeder, omdat zij [de minderjarige] beschermt, handelt in zijn belang en goed aansluit bij zijn behoeften. Dit geeft de moeder rust.
De moeder hoopt dat [de minderjarige] niet meer bij de vader gaat wonen, omdat zij het van belang vindt dat [de minderjarige] structuur en regelmaat krijgt, wat volgens haar in de opvoedsituatie bij de vader onvoldoende wordt geboden aan [de minderjarige] . Bovendien is hij alleen bij de vader, terwijl er in het gezinshuis nog twee andere kinderen verblijven. Een gezinssetting is passender voor [de minderjarige] .
De moeder vindt het belangrijk dat er aandacht is voor de seksuele ontwikkeling van [de minderjarige] en dat hem zo veel mogelijk duidelijkheid geboden wordt.
De vader
4.3.
Het standpunt van de vader is niet ondubbelzinnig duidelijk geworden. Uit het verzoekschrift van de GI blijkt dat de vader tegen de GI heeft gezegd “dat het prima was”. De GI betwijfelde of de vader dit voldoende heeft kunnen overdenken en was van plan het verzoek nogmaals met de vader te bespreken voorafgaand aan de zitting. De rechtbank heeft niet kunnen vaststellen of dat nadere gesprek heeft plaatsgevonden. De vader heeft in zijn afmelding voor de zitting geen standpunt over het verzoek vermeld, maar wel laten weten dat alles rondom de uithuisplaatsing van zijn zoon te veel stress en spanning geeft.

5.De beoordeling

De ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing
5.1.
De rechtbank is van oordeel dat aan de voorwaarden voor een verlenging van de ondertoezichtstelling is voldaan. [1] De rechtbank is ook van oordeel dat een machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] nog noodzakelijk is in het belang van zijn verzorging en opvoeding. [2] De rechtbank legt hieronder uit waarom.
5.2.
Omdat de vader een tijd lang niet meer achter het verblijf van [de minderjarige] in het gezinshuis stond maar wilde dat hij weer bij de vader thuis kwam wonen, ontstond bij [de minderjarige] onduidelijkheid over zijn woonperspectief en spanning tussen de vader, de hulpverlening en het gezinshuis. [de minderjarige] kreeg last van de situatie, voelde zich boos en vertoonde lastig en externaliserend gedrag. Het afgelopen jaar is gewerkt aan het contact- en vertrouwensherstel tussen de vader en het gezinshuis, waardoor het nu weer een stuk beter gaat. Ook is er systeemtherapie ingezet om de samenwerking tussen de vader, de hulpverleners en het gezinshuis te versterken. Tijdens de systeemtherapie is naar voren gekomen dat de vader met name moeite had met de hulpverlening. Er zijn nieuwe afspraken gemaakt tussen de GI, de hulpverleners en de vader. Gebleken is dat de vader inmiddels minder spanning ervaart en niet meer negatief tegenover het verblijf van [de minderjarige] in het gezinshuis staat. Ook met betrekking tot de omgang met ouders zijn er veel positieve stappen gezet. [de minderjarige] geniet er enorm van dat hij zijn ouders kan zien en heeft het in de weekenden bij zijn ouders ook erg naar zijn zin, geeft hij zelf aan. Met [de minderjarige] zelf, en met zijn schoolgang, gaat het ook goed. Hij gaat naar speciaal onderwijs, maar heeft de wens om naar het reguliere onderwijs te gaan. Hiervoor moet hij nog wel beter leren omgaan met emoties. De GI heeft hem daarvoor aangemeld voor een PMT-traject.
Al met al zijn er veel positieve ontwikkelingen en lijkt de situatie nu rustig en stabiel. Om deze situatie te bestendigen, te monitoren hoe het zal gaan nu er duidelijkheid is over het opgroeiperspectief van [de minderjarige] (zie hierna), en om afspraken te kunnen maken waardoor de hulpverlening kan worden afgeschaald naar het vrijwillige kader, is toewijzing van het verzoek van de GI noodzakelijk en de rechtbank zal dan ook daartoe beslissen.
5.3.
In het kader van de ondertoezichtstelling moet in ieder geval passende hulpverlening voortgezet en gemonitord worden. Daarnaast moet er aandacht blijven voor het contact van [de minderjarige] met de beide ouders, waarbij van belang is dat het contact structureel en veilig plaatsvindt. Bovendien dient onderzocht te worden of [de minderjarige] naar het reguliere onderwijs kan overstappen.
Mocht de GI in de komende periode constateren dat een volgende verlenging van de ondertoezichtstelling niet noodzakelijk is, dan dient zij ter toetsing voor te leggen aan de Raad. In dat geval dient de GI de komende tijd ook – in samenspraak met de ouders – een borgingsplan met duidelijke afspraken op te stellen.
Het perspectiefbesluit
5.4.
De beslissing van de GI dat het opgroeiperspectief van een kind niet meer bij de ouders maar elders ligt, wordt het perspectiefbesluit genoemd. Een perspectiefbesluit kan aan het rechterlijk oordeel worden onderworpen voor zover dat noodzakelijk is voor de beoordeling van beslissingen, maatregelen en verzoeken die (mede) voortvloeien uit of samenhangen met dat perspectiefbesluit. [3]
De rechtbank ziet aanleiding om - in het kader van het verzoek tot verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] - het perspectiefbesluit van de GI van [de minderjarige] te toetsen en neemt hierbij het volgende in overweging.
5.5.
[de minderjarige] woont al sinds mei 2021 in het gezinshuis. De moeder weet en accepteert dat [de minderjarige] niet bij haar kan opgroeien. De vader vindt dat [de minderjarige] wel bij hem kan opgroeien en zou dat ook het liefste willen. De rechtbank is met de GI van oordeel dat het voor [de minderjarige] en de vader belangrijk is dat zij duidelijkheid krijgen over de vraag of dit inderdaad nog tot de mogelijkheden behoort. Dit omdat door eerdere onduidelijkheid hierover de relatie tussen de vader en gezinshuismoeder onder druk is komen te staan en [de minderjarige] een periode moeilijk gedrag op school en in het gezinshuis heeft laten zien.
5.6.
De GI heeft in het perspectiefbesluit gemotiveerd waarom zij vindt dat [de minderjarige] bij het gezinshuis, en niet bij de vader, moet opgroeien. De rechtbank maakt daaruit op dat [de minderjarige] , mede door zijn belaste verleden, een verzwaarde opvoedvraag heeft. Hij is bovengemiddeld gebaat bij rust, duidelijkheid en structuur. Uit de stukken en de bespreking tijdens de zitting is gebleken dat het de vader lukt om [de minderjarige] basale verzorging te bieden. Ook wordt gezien dat de vader alles zou willen doen voor [de minderjarige] en dit ook laat merken. Het lukt de vader echter niet om passend aan te sluiten bij de opvoedvraag en de behoeften van [de minderjarige] . Er wordt weinig tot geen groei gezien in de opvoedvaardigheden van de vader en het is niet de verwachting dat deze groei binnen een redelijke termijn alsnog zal plaatsvinden. De vader is niet in staat om [de minderjarige] de nodige structuur te bieden en om hem te stimuleren in zijn ontwikkeling. De gezinshuismoeder is daarentegen wel in staat om goed aan te sluiten bij de verzwaarde opvoedvraag en zorgbehoeften van [de minderjarige] . De gezinshuismoeder slaagt erin om [de minderjarige] een veilige opvoedsituatie te bieden met structuur en regelmaat, en om hem te stimuleren en te motiveren om nieuwe vaardigheden aan te leren. Bij het gezinshuis heeft [de minderjarige] positieve stappen gezet in zijn ontwikkeling. De rechtbank constateert dat [de minderjarige] in het gezinshuis tot zijn recht en tot bloei komt, in staat wordt gesteld om zijn capaciteiten te benutten en rust kan ervaren.
5.7.
De rechtbank is daarom van oordeel dat het in het belang van [de minderjarige] is dat zijn verblijf bij het gezinshuis de komende jaren wordt voorgezet en onderschrijft het perspectiefbesluit van de GI. Dat betekent dat [de minderjarige] in elk geval tot zijn meerderjarigheid zal verblijven in het huidige gezinshuis en dat er niet zal worden toegewerkt naar een terugplaatsing van [de minderjarige] bij de vader.
5.8.
Ten overvloede overweegt de rechtbank dat de onderschrijving van het perspectiefbesluit geen invloed heeft op de omgang tussen [de minderjarige] en zijn ouders. Duidelijk is dat [de minderjarige] en zijn ouders veel van elkaar houden en dat het contact tussen hen al geruime tijd goed verloopt. Volgens de GI geniet [de minderjarige] er enorm van dat hij zijn ouders kan zien en heeft hij het in de weekenden waarin hij bij zijn ouders is ook erg naar zijn zin. Het is daarom in het belang van [de minderjarige] dat hij voldoende tijd met zijn vader en met zijn moeder kan blijven doorbrengen, vanuit zijn stabiele basis in het gezinshuis.
Gezagsregister en uitvoerbaarheid bij voorraad
5.9.
De beslissing tot verlenging van de ondertoezichtstelling wordt van rechtswege aangetekend in het gezagsregister. [4]
5.10.
De rechtbank verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.

6.De beslissing

De rechtbank:
6.1.
verlengt de ondertoezichtstelling van
[de minderjarige], geboren op [geboortedatum] in [plaats] , tot 18 mei 2026;
6.2.
verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van voornoemde minderjarige in een gezinsgerichte voorziening tot 18 mei 2026;
6.3.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 5 november 2025 door mr. W.P. van der Haak, voorzitter, mr. H.E.L. Grooten en mr. M.M. Cuypers, kinderrechters, in aanwezigheid van mr. E.J. Thomas als griffier, en op schrift gesteld op 20 november 2025.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Amsterdam. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Voetnoten

1.Artikel 1:260 BW.
2.Artikel 1:265c, tweede lid, BW.
3.Hoge Raad 1 september 2023, ECLI:NL:HR:2023:1148.
4.Artikel 2 Besluit gezagsregisters.