Op 5 november 2025 heeft de Rechtbank Noord-Holland uitspraak gedaan in een zaak betreffende de verlenging van de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing van een minderjarige, hierna te noemen [de minderjarige]. De rechtbank oordeelt dat het in het belang van [de minderjarige] is dat zijn verblijf in het gezinshuis wordt voortgezet. De gecertificeerde instelling, William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering, heeft op 3 oktober 2025 een verzoek ingediend tot verlenging van de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing, omdat [de minderjarige] nog steeds ernstig in zijn ontwikkeling wordt bedreigd. De vader van [de minderjarige] heeft in het verleden aangegeven dat hij wilde dat [de minderjarige] weer bij hem zou komen wonen, wat heeft geleid tot onduidelijkheid en spanning. De rechtbank heeft vastgesteld dat de vader niet in staat is om de nodige structuur en zorg te bieden die [de minderjarige] nodig heeft. De rechtbank heeft de zitting met gesloten deuren gehouden, waarbij de moeder en vertegenwoordigers van de GI aanwezig waren. De vader en de gezinshuisouders waren afwezig, maar correct opgeroepen. De rechtbank heeft de positieve ontwikkelingen in de situatie van [de minderjarige] in het gezinshuis erkend en heeft besloten de ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing te verlengen tot 18 mei 2026. De beslissing is uitvoerbaar bij voorraad verklaard, wat betekent dat deze direct geldt, ook als er hoger beroep wordt ingesteld.