ECLI:NL:RBNHO:2025:13220

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
11 november 2025
Publicatiedatum
14 november 2025
Zaaknummer
23/7078
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Herziening en terugvordering van WIA-uitkering en toeslag wegens schending inlichtingenplicht

In deze uitspraak van de Rechtbank Noord-Holland, gedateerd 11 november 2025, wordt de zaak behandeld van een eiser die in beroep gaat tegen besluiten van het UWV met betrekking tot de herziening en terugvordering van zijn WIA-uitkering en toeslag. De rechtbank oordeelt dat het UWV terecht heeft vastgesteld dat eiser zijn inlichtingenplicht heeft geschonden. Eiser ontving een loongerelateerde WGA-uitkering en een toeslag, maar heeft niet gemeld dat hij inkomsten genereerde uit werkzaamheden, waaronder het sleutelen aan motoren. Het UWV heeft op basis van bankafschriften en een anonieme tip een onderzoek ingesteld, waaruit bleek dat eiser substantiële inkomsten had ontvangen, die hij niet had doorgegeven. De rechtbank concludeert dat het UWV terecht een bedrag van € 47.385,05 heeft teruggevorderd en een boete van € 40,00 heeft opgelegd. Eiser krijgt geen gelijk in zijn beroep, dat ongegrond wordt verklaard. De rechtbank overweegt dat de terugvordering en boete gerechtvaardigd zijn, ondanks de persoonlijke omstandigheden van eiser, en dat het UWV voldoende zorgvuldig heeft gehandeld in zijn onderzoek.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Zittingsplaats Haarlem
Bestuursrecht
zaaknummer: HAA 23/7078

uitspraak van de meervoudige kamer van 11 november 2025 in de zaak tussen

[eiser] , uit [plaats] , eiser

(gemachtigde: mr. O.H.G. Daane Bolier),
en
de Raad van Bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen(UWV), verweerder
(gemachtigde: P. Nicolaï).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de herziening en terugvordering van een te hoog uitgekeerd bedrag en toeslag op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) en een bestuurlijke boete wegens het niet-nakomen van de inlichtingenplicht. Eiser is het hier niet mee eens. Aan de hand van de beroepsgronden beoordeelt de rechtbank of het UWV terecht een bedrag van € 47.385,05 van eiser heeft teruggevorderd en een boete van € 40,00 aan eiser heeft opgelegd.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het Uwv terecht heeft geconcludeerd dat eiser de inlichtingenplicht heeft geschonden. Het Uwv heeft terecht een deel van de WIA-uitkering en toeslag herzien en teruggevorderd en de boete opgelegd. Eiser krijgt dus geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Op 27 januari 2023 heeft het UWV twee besluiten genomen. Met het ene besluit heeft het UWV de WIA-uitkering en toeslag over de periode 9 januari 2013 tot en met 31 mei 2022 herzien en een bedrag van € 47.385,05 van eiser teruggevorderd. Volgens het UWV heeft eiser in deze periode te veel WIA-uitkering en toeslag ontvangen, omdat hij toen inkomsten uit werkzaamheden heeft gehad. Met het andere besluit heeft het UWV aan eiser een boete van € 5.466,67 opgelegd. Volgens het UWV is eiser zijn inlichtingenplicht niet nagekomen, omdat hij niet heeft gemeld dat hij werkzaamheden heeft verricht en inkomsten heeft ontvangen.
3. Met het besluit van 20 oktober 2023 op het bezwaar van eiser (het bestreden besluit) is het UWV bij het besluit van 27 januari 2023 over de terugvordering gebleven. Met het oog op zijn aflossingscapaciteit is de boete van eiser verlaagd naar € 40,00.
4. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
5. Het UWV heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
6. De rechtbank heeft het beroep op 30 september 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van het UWV.

Beoordeling door de rechtbank

Totstandkoming van het bestreden besluit
7. Eiser heeft met het besluit van 12 december 2012 vanaf 9 januari 2013 een loongerelateerde WGA [1] -uitkering ontvangen. Eiser ontvangt vanaf 9 december 2014 een loonaanvullingsuitkering en een toeslag op deze uitkering.
8. Na een anonieme tip van 1 februari 2022, waarin is vermeld dat eiser een goedlopend garagebedrijf heeft voor motoren, is het UWV een rechtmatigheidsonderzoek gestart. De rapporteur van het UWV heeft informatie opgevraagd bij de sociale recherche van de gemeente [plaats] . Ook is de RDW geraadpleegd. Daarnaast zijn bankgegevens bij ABN AMRO bank gevorderd. Uit de bankafschriften blijkt onder meer dat eiser in de periode 15 januari 2013 tot en met 23 december 2019 € 182.575.00 op zijn eigen rekening heeft gestort. Ook blijkt dat hij in twee weken in het jaar 2015 heeft gewerkt bij Uitzendbureau Wijkom Service en Administratie. Uit de bankafschriften volgt verder dat hij in de periode 2013 tot en met 2019 aan € 84.098,17 aan inkomsten heeft genoten met de verkoop van motoronderdelen, reparatie en onderhoud en verkoop van motoren. In de periode 8 januari 2020 tot en met 8 maart 2022 betreft dit een bedrag van € 25.908,89.
9. Op 19 mei 2022 heeft een gesprek met eiser plaatsgevonden. In het gesprek zijn onder meer de onderzoeksbevindingen naar aanleiding van de bankafschriften aan eiser voorgehouden. Van het gesprek is een (niet ondertekend) verslag gemaakt. Op 25 mei 2022 heeft eiser een schriftelijke reactie op het gespreksverslag verstuurd.
10. Naar aanleiding van de onderzoeksbevindingen heeft het UWV besloten, zoals vermeld in het procesverloop. Aan de besluitvorming heeft het UWV ten grondslag gelegd dat eiser de inlichtingenplicht heeft geschonden. Eiser heeft niet doorgegeven dat hij inkomsten ontvangt uit het sleutelen aan motoren. Ook is niet gemeld dat hij werkzaamheden heeft verricht voor Wijkom.
11. In de beslissing op bezwaar is door het UWV vermeld dat geen sprake is van schending van het rechtszekerheidsbeginsel. Volgens het UWV is sprake van eigen toedoen van eiser. Het UWV vindt het niet aannemelijk dat eiser enkel privégoederen heeft verkocht. Voor deze stelling levert eiser geen bewijs. In het werkplan van 3 mei 2023 is inderdaad vermeld dat eiser LP’s uit eigen collectie ging verkopen. Volgens het UWV is niet duidelijk of hij ook heeft vermeld motoronderdelen te gaan verkopen. De informatieplicht gaat volgens het UWV verder dan een mededeling over de verkoop van privégoederen. Eiser heeft in 2016 te kennen gegeven dat hij zo nu en dan sleutelt aan motoren. Dat eiser ook regelmatig werk heeft verricht aan motoren van vrienden en familieleden is niet eerder gemeld. De stelling dat alleen sprake is van vriendendiensten is niet nader onderbouwd. Het bedrag van € 500,00 is gebaseerd op de verklaring van eiser. Hier mag eiser volgens het UWV aan worden gehouden.
Zorgvuldigheid van het onderzoek
12. Eiser stelt dat het UWV niet aannemelijk heeft gemaakt dat eiser vanaf 9 januari 2013 op geld waardeerbare werkzaamheden heeft verricht. Het onderzoek is volgens eiser onzorgvuldig, omdat de onderzoekshandelingen alleen hebben bestaan uit onderzoek naar de bankafschriften van eiser en een gesprek met hem. Gelet op de opmerking in de anonieme melding dat iedereen in [plaats] op de hoogte is van eisers werkzaamheden, is het volgens eiser opmerkelijk dat geen verklaringen van derden in het dossier zitten. Volgens eiser is het bovendien volstrekt onlogisch dat, als hij wel een goedlopend garagebedrijf zou hebben, hij dat via zijn bankrekening zou laten lopen.
12.1.
Eiser heeft het gespreksverslag niet ondertekend, omdat hij het niet eens is met de weergave van zijn antwoorden in het gespreksverslag. De vragen heeft hij niet goed verstaan, aangezien hij ten tijde van het gesprek last had van een slecht gehoor. Eiser heeft ter onderbouwing van dit standpunt een verklaring van een KNO-arts van 6 september 2022 overgelegd. Eiser heeft in het gesprek alleen aangegeven dat hij door terugval van inkomsten € 500,00 tekort kwam. De stelling van het UWV dat hij gehouden kan worden aan een gegeven verklaring gaat mank, omdat hij deze verklaring niet heeft ondertekend. Eiser heeft na het gesprek een reactie per brief gegeven.
13. De rechtbank is niet gebleken dat het onderzoek van het UWV onvolledig of anderszins onzorgvuldig is geweest. Dat meer of ander onderzoek nodig zou zijn geweest heeft eiser niet met kracht van argumenten aannemelijk gemaakt. Overigens gaat eiser er aan voorbij dat het UWV ook navraag heeft gedaan bij de sociale recherche van de gemeente [plaats] alsmede onderzoek heeft verricht bij de RDW.
13.1.
De rechtbank ziet geen reden om het gesprekverslag van 19 mei 2022 uit te sluiten van het bewijs. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat de door hem afgelegde verklaring onder ontoelaatbare druk is afgelegd of onjuist is. Niet is gebleken dat eiser de vragen niet juist heeft verstaan, omdat – zoals door het UWV ook in de beslissing op bezwaar is vermeld – uit het gespreksverslag blijkt dat eiser antwoorden geeft die aansluiten op de gestelde vragen. In het gespreksverslag is over de inkomsten per maand als volgt verklaard
“Mijn hobby is behoorlijk uit de hand gelopen. Het sleutelen aan motoren is voor mij ook een sociaal gebeuren. Ik vermoed dat ik vanaf 2013 tot 2022 ongeveer € 500,00 per maand heb verdiend met verkoop van motor onderdelen. Ik zal thuis nog proberen om een overzicht van mijn verdiensten te maken.”Dit is een heldere en gedetailleerde verklaring die niet voor tweeërlei uitleg vatbaar is en de rechtbank ziet niet in waarom deze verklaring niet zou mogen worden gevolgd.
Schending inlichtingenplicht
14. Eiser stelt dat de bestreden beslissing in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel. Volgens vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (de Raad) [2] brengt dit beginsel met zich mee dat herziening of intrekking van een uitkering met terugwerkende kracht niet is toegestaan, tenzij betrokkene heeft begrepen of redelijkerwijs heeft kunnen begrijpen dat geen recht bestond op die uitkering. Dit was volgens eiser niet het geval, aangezien hij vanaf het begin bij het UWV kenbaar gemaakt dat hij zijn privégoederen aan het verkopen was. Ook is bij de arbeidsdeskundige kenbaar gemaakt dat hij hobbymatig aan motoren klust. Er is hem nooit duidelijk gemaakt dat dit gevolgen voor zijn uitkering zou hebben. Dat nu achteraf blijkt dat sprake is van twijfel, kon er niet zonder meer toe leiden dat aan eiser de gevolgen daarvan worden toegerekend. Daarnaast worden de opbrengsten van de verkoop van privégoederen op grond van vaste rechtspraak in het algemeen niet als inkomen aangemerkt, zodat daarvan geen mededeling behoeft te worden gedaan. Eiser heeft het zelfs wel gemeld. Het betreft incidentele opbrengsten van zaken die al lang aan eiser toebehoorden. Het door hem genoemde bedrag van € 500,00 betreft de verkoop van goederen. Ook is geen sprake van op geld waardeerbare werkzaamheden. Het betreft louter hobbymatig sleutelen aan motoren, zoals volgens eiser ook blijkt uit de door hem overgelegde verklaringen van vrienden en familie.
15. Dit betoog van eiser slaagt niet. Uit de bankafschriften over de periode 2013 tot 2019 komt een dusdanig feitencomplex naar voren dat het UWV naar het oordeel van de rechtbank aannemelijk heeft gemaakt dat eiser in de betreffende periode een substantieel bedrag aan inkomsten heeft ontvangen.
Uit de bankafschriften blijkt dat een totaalbedrag van € 110.007,06 door derden op eisers rekening is gestort. Gelet op de specifieke omschrijvingen op de bankafschriften, zoals ‘olie ververst’, ‘revisie remklauwen’, ‘motor onderhoud’, ‘motorblok Opel’ en ‘reparatie Ducati’, heeft het UWV naar het oordeel van de rechtbank kunnen concluderen dat sprake is geweest van op geld waardeerbare werkzaamheden. Naar het oordeel van de rechtbank is het totaalbedrag dusdanig hoog, dat het hier niet enkel kan gaan om reparaties voor familie en vrienden. Bovendien geldt dat eiser de reparaties voor familie en vrienden ook niet gemeld heeft bij het UWV, wat hij wel had moeten doen.
Eiser heeft in deze periode ook veelvuldig contante stortingen vanuit een geldautomaat op zijn rekening ontvangen, met een totaalbedrag van € 182.575,00. De verklaring van eiser in zijn brief aan het UWV dat deze stortingen bedragen van vrienden zijn voor wie hij (motor)onderdelen zocht en dat het gaat om de verkoop van motoronderdelen, acht de rechtbank gelet op de hoogte van het totale bedrag niet geloofwaardig. In de periode 8 januari 2020 tot en met 7 maart 2022 is daarnaast een bedrag van € 54.870,00 van een ABN AMRO rekening ontvangen, waarover door eiser is verklaard dat dit ook de verkoop van oude motoronderdelen betreft. De rechtbank acht het - met het UWV - niet aannemelijk dat eiser voor zo’n hoog bedrag aan goederen in bezit heeft gehad en heeft verkocht.
15.1.
Eisers standpunt dat hij de werkzaamheden wel heeft gemeld volgt de rechtbank niet. Eiser heeft bij de arbeidsdeskundige aangegeven hobbymatig te klussen aan motoren en heeft slechts melding gemaakt van de verkoop van goederen zoals de LP’s, Deze meldingen dekken de lading van de verrichte werkzaamheden en ontvangen inkomsten niet.
Gelet op de hoogte van de inkomsten en de tijd die eiser heeft verklaard te hebben besteed aan het sleutelen, kon het UWV concluderen dat geen sprake is van enkel hobbymatig sleutelen aan motoren, maar van op geld waardeerbare werkzaamheden en dat eiser hiervan ten onrechte geen melding heeft gemaakt. Ook bij de verkoop van goederen blijkt het te gaan om dusdanig hoge bedragen dat het eiser duidelijk had moeten zijn dat hij dit had moeten melden bij het UWV.
15.2.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft het UWV voldoende aannemelijk gemaakt dat eiser in deze periode werkzaamheden heeft verricht en inkomsten heeft ontvangen, zonder deze werkzaamheden te melden bij het UWV. Het UWV heeft daarom terecht geconcludeerd dat de inlichtingenplicht is geschonden.
Terugvordering
16. Eiser stelt dat het terugvorderingsbedrag onjuist is, door uit te gaan van € 500,00 aan inkomsten per maand over de gehele periode. Het UWV miskent dat ook sprake is van periodes waarin geen inkomsten waren.
17. Deze beroepsgrond slaagt niet. Wanneer een betrokkene heeft nagelaten opgave te doen van zijn werkzaamheden en van de gewerkte uren zelf geen registratie heeft bijgehouden, mag het UWV de omvang van de werkzaamheden schatten. Als de schatting in het nadeel van de betrokkene uitvalt, komt dit in het geval van een voldoende en zorgvuldig onderzoek voor de rekening van betrokkene.
17.1.
Eiser heeft in het gesprek van 19 mei 2022 vermeld te vermoeden dat hij in de periode 2013 tot 2022 ongeveer € 500,00 per maand heeft verdiend met de verkoop van motoronderdelen. Eiser heeft in datzelfde gesprek vermeld een overzicht van zijn verdiensten te zullen gaan maken. Een dergelijk overzicht is nooit overgelegd. Eiser heeft zijn inkomsten ook niet op een andere wijze inzichtelijk gemaakt. Naar het oordeel van de rechtbank kon het UWV dan ook aansluiten bij het bedrag dat door eiser zelf is genoemd en dat bedrag dan ook gebruiken als schatting van de omvang van de werkzaamheden.
Dringende redenen
18. Eiser stelt dat sprake is van dringende redenen om van terugvordering af te zien. Eiser heeft vanaf het begin af aan melding gemaakt van de verkoop van privégoederen en hobbymatig klussen. Het UWV heeft daar onvoldoende op doorgevraagd. Eiser heeft niet of in verminderde mate verwijtbaar gehandeld. Ook is sprake van persoonlijke omstandigheden die maken dat van terugvordering moet worden afgezien. Het gaat om ernstige gezondheidsklachten die als gevolg van de terugvordering verergeren. Eiser heeft een verklaring van 27 augustus 2025 van een medisch maatschappelijk werker overgelegd, waarin staat vermeld dat de hele situatie rondom het WIA-traject en de hoge terugvordering die boven zijn hoofd hangt enorm stressvol is en niet helpend is voor zijn herstel. Dit dient als een zwaarwegende individuele omstandigheid bij de belangenafweging over de terugvordering te worden meegenomen. Ter zitting is door de gemachtigde van eiser hier nog aan toegevoegd dat eiser sinds 1 december 2024 een bedrag van € 300,00 per maand aflost, waardoor ook sprake is van een financiële noodsituatie, omdat eiser bij vrienden moet lenen om rond te komen.
19. De rechtbank is van oordeel dat het UWV in de situatie van eiser, zowel bij de oorzaak als bij de gevolgen van de intrekking en terugvordering, alle relevante feiten en omstandigheden bij de beoordeling van de dringende reden voldoende heeft meegewogen.
In wat door eiser is aangevoerd ziet de rechtbank geen aanknopingspunten voor de conclusie dat sprake is van dringende redenen om van terugvordering af te zien. Ook het standpunt dat UWV zelf een aandeel heeft in de terugvordering slaagt niet. Eiser heeft nagelaten melding te doen van de op geld waardeerbare werkzaamheden en inkomsten. In het toekenningsbesluit van de WIA-uitkering van 12 december 2012 en het toekenningsbesluit van de toeslag op de WIA-uitkering van 24 oktober 2012 staat vermeld dat hij wijzigingen moet doorgeven aan het UWV. Het had eiser duidelijk moeten zijn dat hij zelf de wijzigingen door moest geven. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het UWV dan ook geen aandeel in het ontstaan of het oplopen van de terugvordering. Dat een terugvordering veel stress oplevert en daardoor het herstel van zijn gezondheidsklachten vertraagt, zoals de medisch maatschappelijk werker heeft vermeld, is op zichzelf onvoldoende om te kunnen spreken van ontoelaatbare of onevenredige gevolgen. De stelling ter zitting dat sprake is van een financiële noodsituatie is niet nader onderbouwd. De rechtbank is daarom van oordeel dat het UWV geen aanleiding heeft hoeven zien op grond van een dringende reden geheel of gedeeltelijk van intrekking of terugvordering af te zien.
De boete
20. Omdat eiser zijn inlichtingenplicht niet is nagekomen, was het UWV op grond van artikel 91, eerste lid, van de Wet WIA verplicht om aan eiser een boete op te leggen. Het UWV is uitgegaan van normale verwijtbaarheid en is daarom uitgegaan van een boete ter hoogte van 50% van het benadelingsbedrag (€ 5.466,67). Rekening houdend met het gebrek aan aflossingscapaciteit van eiser heeft het UWV in de beslissing op bezwaar de boete verlaagd naar het minimumbedrag van € 40,00.
21. Eiser heeft de hoogte van de boete niet bestreden. De rechtbank ziet geen aanknopingspunten voor de conclusie dat dit bedrag niet juist zou zijn. Het UWV heeft dan ook terecht een boete van € 40,00 aan eiser opgelegd.

Conclusie en gevolgen

22. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. I.M. Ludwig, voorzitter, en mr. M. Jurgens en mr. H.H. Riemeijer, leden, in aanwezigheid van mr. M.E. Kleijn, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 11 november 2025.
griffier
voorzitter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Werkhervatting Gedeeltelijk Arbeidsgeschikten.
2.Uitspraak van de Raad van 24 september 2008, ECLI:NL:CRVB:2008:BF2376.