ECLI:NL:RBNHO:2025:12885

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
6 november 2025
Publicatiedatum
6 november 2025
Zaaknummer
C/15/360878 / FA RK 25-179 en C/15/363266 / FA RK 25-1438
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Echtscheiding met nevenvoorzieningen, afwikkeling huwelijkse voorwaarden en verdeling eenvoudige gemeenschappen

In deze zaak heeft de Rechtbank Noord-Holland op 6 november 2025 uitspraak gedaan in een echtscheidingsprocedure tussen een vrouw en een man, waarbij de vrouw verzocht om de echtscheiding uit te spreken en nevenvoorzieningen te treffen. De rechtbank heeft de verzoeken van de vrouw tot vernietiging van de huwelijkse voorwaarden afgewezen, omdat zij onvoldoende bewijs heeft geleverd voor haar stelling dat zij bij de totstandkoming van de huwelijkse voorwaarden heeft gedwaald. De huwelijkse voorwaarden, die een uitsluiting van gemeenschap van goederen inhielden, zijn door de rechtbank in stand gehouden. De rechtbank heeft vastgesteld dat het huwelijk duurzaam is ontwricht en heeft de echtscheiding uitgesproken.

Daarnaast heeft de rechtbank een zorgregeling vastgesteld voor de minderjarige kinderen van partijen, waarbij de kinderen in principe de ene week bij de vrouw en de andere week bij de man verblijven, zodra de man geschikte woonruimte heeft gevonden. Tot dat moment verblijven de kinderen bij de vrouw met wekelijkse omgang met de man. De rechtbank heeft ook de onderhoudsbijdragen vastgesteld, waarbij de man verplicht is om een kinderbijdrage van € 657,- per kind per maand en een partnerbijdrage van € 319,- per maand aan de vrouw te betalen. De rechtbank heeft de vrouw het recht gegeven om in de echtelijke woning te blijven wonen voor een periode van zes maanden na de inschrijving van de beschikking tot echtscheiding.

Tot slot heeft de rechtbank de verdeling van de gezamenlijke goederen en schulden geregeld, waaronder de verkoop van de echtelijke woning en de verdeling van de opbrengst. De vrouw is verplicht om een bedrag van € 17.500,- aan de man te vergoeden in verband met een voorhuwelijkse vordering. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad verklaard, behoudens de echtscheiding.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Familie en Jeugd
locatie Alkmaar
zaaknummer / rekestnummer: C/15/360878 / FA RK 25-179 en
C/15/363266 / FA RK 25-1438
Beschikking d.d. 6 november 2025 betreffende de echtscheiding
in de zaak van:
[de vrouw] ,
wonende te [plaats] ,
hierna te noemen de vrouw,
advocaat mr. J.H.F. Overkleeft, gevestigd te Hoorn,
tegen
[de man] ,
wonende te [plaats] ,
hierna te noemen de man,
advocaat mr. C.P.M. Engels, gevestigd te Heerhugowaard.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het verzoekschrift, met bijlagen, van de vrouw ingekomen op 10 januari 2025;
- het gewijzigd verzoekschrift van de vrouw, ingekomen op 7 februari 2025;
- het verweerschrift tevens zelfstandig verzoek, met bijlagen, van de man, ingekomen op 11 maart 2025;
- het verweerschrift op het zelfstandig verzoek tevens gewijzigd verzoekschrift, met bijlagen, van de vrouw, ingekomen op 2 mei 2025;
- het bericht, met bijlagen, van de vrouw, ingekomen op 6 juni 2025;
- het bericht, met bijlagen, van de man, ingekomen op 29 augustus 2025;
- het gewijzigd verzoekschrift, met bijlagen, van de vrouw, ingekomen op
10 september 2025;
- het verweerschrift op het gewijzigd verzoekschrift, met bijlagen, van de man, ingekomen op 29 september 2025;
- het bericht, met bijlagen, van de man, ingekomen op 29 september 2025.
1.2.
De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgevonden op 9 oktober 2025 in aanwezigheid van partijen en hun advocaten.
1.3.
Na te noemen minderjarigen [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] zijn, gelet op hun leeftijd, in de gelegenheid gesteld om hun mening kenbaar te maken. Op 9 oktober 2025 hebben zij hun mening in een gesprek met de kinderrechter bekend gemaakt.

2.De beoordeling

2.1.
Partijen zijn met elkaar gehuwd op [huwelijksdatum] te [plaats] , thans gemeente [gemeente] , na het laten opstellen van huwelijkse voorwaarden.
2.2.
De minderjarige kinderen van partijen zijn:
- [de minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum] in de gemeente [gemeente] , en
- [de minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum] in de gemeente [gemeente] .
Daarnaast zijn partijen de ouders van de jongmeerderjarige [de jongmeerderjarige] , geboren op [geboortedatum] .
2.3.
Bij beschikking van deze rechtbank van 1 augustus 2025 is, bij wege van voorlopige voorzieningen, bepaald dat:
- de vrouw bij uitsluiting gerechtigd zal zijn tot het gebruik van de echtelijke woning en de zich daarin bevindende inboedelgoederen aan [adres] , met bevel dat de man die woning dient te verlaten en deze verder niet mag betreden;
- de man met ingang van 1 augustus 2025 een bijdrage in de kosten van de verzorging en opvoeding van [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] (hierna: kinderbijdrage) van € 750,- per kind per maand aan de vrouw dient te betalen.
2.4.
Scheiding
2.4.1.
Partijen verzoeken de echtscheiding tussen hen uit te spreken. Zij stellen dat het huwelijk duurzaam is ontwricht.
2.4.2.
Op grond van artikel 815, tweede lid, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv), voor zover hier van belang, dient een (inleidend) verzoekschrift tot echtscheiding een ouderschapsplan te bevatten ten aanzien van de minderjarige kinderen van partijen over wie zij al dan niet gezamenlijk het gezag uitoefenen. Nu het ouderschapsplan in de wet is geformuleerd als een processuele eis bij een verzoek tot echtscheiding heeft de rechtbank de bevoegdheid een echtgenoot in het verzoek tot echtscheiding niet-ontvankelijk te verklaren, tenzij er redenen zijn om aan te nemen dat het ouderschapsplan redelijkerwijs niet kan worden overgelegd (artikel 815, zesde lid, Rv).
2.4.3.
Door partijen is geen ouderschapsplan overeenkomstig artikel 815, tweede lid, Rv overgelegd. Nu partijen geen volledige overeenstemming hebben over de voorzieningen ten aanzien van de minderjarigen is het naar het oordeel van de rechtbank voor hen op dit moment redelijkerwijs niet mogelijk om een door beide partijen akkoord bevonden ouderschapsplan te overleggen. Partijen kunnen dan ook ontvangen worden in hun verzoek tot echtscheiding met nevenvoorzieningen.
2.4.4.
De rechtbank zal het verzoek van partijen tot echtscheiding als op de wet gegrond toewijzen.
2.5.
Verdeling van de zorg- en opvoedingstaken (hierna: zorgregeling)
2.5.1.
Partijen verzoeken de volgende zorgregeling vast te stellen:
- vanaf het moment dat de man geschikte woonruimte heeft betrokken, verblijven de minderjarigen de ene week bij de vrouw en de andere week bij de man;
- tot dat moment verblijven de minderjarigen bij de vrouw en hebben zij eenmaal per week omgang met de man;
- de vakanties en feestdagen worden in onderling overleg tussen partijen verdeeld.
2.5.2.
De rechtbank zal het verzoek van partijen met betrekking tot de zorgregeling toewijzen en overweegt hiertoe als volgt. De rechtbank stelt vast dat de man zijn intrek heeft genomen in de woning van zijn vader, die inmiddels in een verzorgingshuis woont. Zowel de minderjarigen als partijen hebben verklaard dat deze woning niet geschikt is voor de minderjarigen om te verblijven. De man en de minderjarigen hebben op dit moment wel contact met elkaar, maar dit contact vindt enkel plaats bij de vader van de man in het verzorgingshuis en via WhatsApp. De man heeft aangegeven dat hij op zoek is naar andere woonruimte. Als de man geschikte woonruimte heeft gevonden, zullen partijen nader overeenkomen hoe de omgang er precies uit komt te zien. De rechtbank vindt het belangrijk dat de minderjarigen hierbij worden betrokken door partijen. Tijdens het gesprek met de kinderrechter hebben de minderjarigen aangegeven dat zij vaker bij hun vader zouden willen verblijven als hij geschikte woonruimte heeft gevonden. Het liefst zouden zij dan tegelijkertijd bij dezelfde ouder willen zijn en [de minderjarige 2] wil bij het bepalen van haar verblijfplaats graag rekening houden met de reistijd naar haar school en werk. De rechtbank verwacht dat partijen te zijner tijd in onderling overleg en rekening houdend met de wensen van de minderjarigen tot een evenwichtige zorgregeling zullen komen.
2.6.
Woning
2.6.1.
De vrouw verzoekt het voortgezet gebruik van de echtelijke woning aan [adres] voor de duur van zes maanden.
2.6.2.
De man voert geen verweer tegen dit verzoek van de vrouw.
2.6.3.
De rechtbank zal het verzoek van de vrouw ten aanzien van het voortgezet gebruik van de echtelijke woning als onweersproken en op de wet gegrond toewijzen.
2.7.
Onderhoudsbijdragen
2.7.1.
De vrouw verzoekt te bepalen dat de man met ingang van de datum van indiening van het verzoekschrift een kinderbijdrage voor [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] van € 823,- per kind per maand en een bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud (hierna: partnerbijdrage) van € 6.400,- per maand aan haar dient te betalen, althans een zodanig bedrag en met ingang van een zodanige datum door de rechtbank in goede justitie te bepalen, telkens bij vooruitbetaling voor de eerste van de maand.
2.7.2.
De man verzoekt deze verzoeken van de vrouw af te wijzen.
2.7.3.
De rechtbank zal eerst het verzoek van de vrouw om een kinderbijdrage en daarna het verzoek van de vrouw om een partnerbijdrage beoordelen. De rechtbank zal de verzoeken beoordelen aan de hand van de aanbevelingen die zijn opgenomen in het rapport van de Expertgroep Alimentatie (Tremarapport). De hierna genoemde bedragen zijn steeds op hele euro’s afgerond. De rechtbank verwijst naar de aan deze beschikking gehechte berekeningen en overweegt met betrekking tot de daarin gehanteerde uitgangspunten als volgt.
2.7.4.
De rechtbank gaat uit van de volgende feiten. De man is eigenaar van de eenmanszaak [eenmanszaak] te [plaats] . De vrouw is sinds 7 juni 2019 in loondienst werkzaam bij [BV] B.V. voor 28 uur per week.
Kinderbijdrage
Ingangsdatum
2.7.5.
De vrouw verzoekt de ingangsdatum van de kinderbijdrage te bepalen op de datum van indiening van het verzoekschrift. De man verzet zich tegen het vaststellen van een kinderbijdrage met terugwerkende kracht aangezien hij sinds zijn vertrek uit de woning heeft bijgedragen aan de kosten van de minderjarigen.
2.7.6.
De rechtbank stelt vast dat in de voorlopige voorzieningenbeschikking van 1 augustus 2025, voor de duur van de echtscheidingsprocedure, een door de man aan de vrouw te betalen kinderbijdrage is vastgesteld. Partijen hebben nadien niet verzocht om een wijziging van deze beschikking omdat de kinderbijdrage vanwege gewijzigde omstandigheden hoger of lager zou moeten worden vastgesteld. De rechtbank ziet hierin aanleiding om de ingangsdatum van de kinderbijdrage te bepalen op de datum van de beschikking, te weten 6 november 2025.
Behoefte
2.7.7.
Bij de berekening van de kinderbijdrage wordt eerst gekeken naar de kosten van een kind. Dat wordt de ‘behoefte’ van het kind genoemd. De hoogte van de behoefte hangt af van de hoogte van het gezinsinkomen. Hoe meer ouders te besteden hebben, hoe meer zij uitgeven aan hun kinderen. Partijen zijn in maart 2024 feitelijk uit elkaar gegaan en in augustus 2024 heeft de man zich uitgeschreven van het adres van de echtelijke woning.
Het gebruikelijk inkomen van partijen voorafgaand aan dit uiteengaan is bepalend voor het berekenen van de behoefte van de minderjarigen.
2.7.8.
Tussen partijen is niet in geschil dat voor het inkomen van de vrouw moet worden uitgegaan van haar jaaropgave 2024. Blijkens deze jaaropgave heeft de vrouw in 2024 een bruto salaris ontvangen van € 21.564,-.
2.7.9.
Tussen partijen is wel in geschil welk inkomen van de man tot uitgangspunt moet worden genomen. De vrouw is van mening dat moet worden uitgegaan van de
privé-onttrekkingen uit de onderneming van de man. De privé-onttrekkingen stonden volgens de vrouw daadwerkelijk ter beschikking aan partijen en waren daarmee bepalend voor de feitelijke welstand. Gemiddeld bedroegen de privé-onttrekkingen in de jaren 2022, 2023 en 2024 € 162.031,- per jaar. Daarnaast moet volgens de vrouw rekening worden gehouden met de huurinkomsten van de man uit zijn garageboxen en appartement. Blijkens de e-mail van de accountant van de man heeft de man zelf aangegeven dat deze inkomsten € 25.000,- netto per jaar bedragen. Met deze inkomensgegevens van de man dient volgens de vrouw te worden gerekend. De man betwist dat voor zijn inkomen kan worden uitgegaan van de
privé-onttrekkingen uit zijn onderneming. Met de privé-onttrekkingen is geïnvesteerd in de echtelijke woning en de aankoop van onroerend goed zodat deze onttrekkingen feitelijk niet geheel aan partijen ter beschikking hebben gestaan. Ook dient volgens de man geen rekening te worden gehouden met de huurinkomsten uit zijn garageboxen en appartement aangezien hij een pensioengat heeft en dit zijn pensioenopbouw is. Bovendien bedragen de huurinkomsten geen € 25.000,- netto per jaar aangezien hij ook onderhoudskosten heeft en belasting verschuldigd is. De man is van mening dat voor zijn inkomen moet worden uitgegaan van het gemiddelde bedrijfsresultaat van zijn onderneming in de jaren 2023 tot en met 2025, te weten € 39.445,- bruto per jaar.
2.7.10.
De rechtbank volgt de vrouw niet in haar stelling dat bij de berekening van de behoefte van de minderjarigen moet worden uitgegaan van de privéonttrekkingen uit de onderneming van de man. Tussen partijen is niet in geschil dat een groot deel van de privéonttrekkingen is geïnvesteerd in het aankleden en bewoonbaar maken van de casco opgeleverde echtelijke woning en de aankoop van onroerend goed door de man, zodat hiermee vermogensopbouw voor partijen dan wel de man heeft plaatsgevonden en partijen deze bedragen niet feitelijk tot hun beschikking hebben gehad. Gelet hierop is de rechtbank in tegenstelling tot de vrouw van oordeel dat de privé-onttrekkingen niet bepalend waren voor de welstand van de minderjarigen. De rechtbank zal daarom het bedrijfsresultaat van de onderneming van de man tot uitgangspunt nemen voor zijn inkomen. Omdat inkomensschommelingen inherent zijn aan het voeren van een eigen onderneming is het gebruikelijk om bij een ondernemer uit te gaan van het gemiddelde bedrijfsresultaat over een periode van drie jaar. Nu partijen in 2024 feitelijk uit elkaar zijn gegaan, zal de rechtbank uitgaan van het gemiddelde bedrijfsresultaat over de jaren 2022, 2023 en 2024. De vrouw heeft tijdens de zitting onbetwist gesteld dat het gemiddelde bedrijfsresultaat over deze jaren € 50.794,67 bedroeg zodat de rechtbank hiervan uitgaat. Daarnaast dient naar het oordeel van de rechtbank rekening te worden gehouden met de inkomsten van de man uit de verhuur van zijn garageboxen en appartement. Dit onroerend goed is wellicht door de man aangekocht als pensioenvoorziening, maar de man heeft niet aangetoond dat hij ook de huurinkomsten spaart of belegt voor zijn pensioen. De rechtbank gaat er dan ook vanuit dat deze inkomsten ter beschikking stonden aan het gezin. De man heeft de netto huurinkomsten naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende inzichtelijk gemaakt door slechts enkele huurovereenkomsten te verstrekken. Blijkens de door de vrouw overgelegde brief van de belastingadviseur van de man heeft de man tegenover deze adviseur verklaard dat hij € 25.000,- netto per jaar ontvangt uit de verhuur van zijn garageboxen. Daarnaast heeft de man tijdens de zitting aangegeven dat hij € 995,- per maand aan huur voor het appartement ontvangt. Dit in aanmerking nemende en gelet op het standpunt van de vrouw dat moet worden uitgegaan van € 25.000,- netto per jaar aan huurinkomsten, gaat de rechtbank er vanuit dat de man in ieder geval € 25.000,- netto per jaar aan huurinkomsten uit zijn garageboxen en appartement ontvangt.
2.7.11.
Aan de hand van voormelde inkomens van partijen en rekening houdend met de van toepassing zijnde heffingskortingen, berekent de rechtbank het netto besteedbaar gezinsinkomen van partijen in 2024 op € 7.230,- per maand.
2.7.12.
De rechtbank sluit bij het bepalen van de behoefte van de minderjarigen aan bij de tabellen die het Nederlands Instituut voor Budgetvoorlichting (Nibud) heeft ontwikkeld en die behoren bij het Tremarapport. Uitgangspunt van deze tabellen is dat ouders een bepaald percentage van hun gezinsinkomen aan hun kinderen besteden. De man heeft voor het eerst tijdens de zitting aangevoerd dat gerekend moet worden met de tabel voor drie kinderen in plaats van met de tabel twee kinderen, omdat [de jongmeerderjarige] ten tijde van de samenwoning van partijen nog minderjarig was. De rechtbank volgt de man onder verwijzing naar overweging 2.7.22 niet in dit standpunt. De man heeft gesteld dat [de jongmeerderjarige] in zijn eigen levensonderhoud kan voorzien omdat hij fulltime werkt en de rechtbank is niet gebleken dat dit ten tijde van het vertrek van de man uit de echtelijke woning anders was. Nu het gezinsinkomen niet besteed hoefde te worden aan [de jongmeerderjarige] , zal de rechtbank uitgaan van de tabel voor twee kinderen. Volgens deze tabel van 2024 gaven ouders met twee kinderen bij een netto besteedbaar gezinsinkomen van € 7.230,- per maand gemiddeld € 1.470,- per maand uit voor hun kinderen. Geïndexeerd naar 1 januari 2025 bedraagt de behoefte van de minderjarigen dan € 1.566,- per maand, oftewel € 783,- per kind per maand.
Draagkracht partijen
2.7.13.
Bij de berekening van de kinderbijdrage moet vervolgens worden vastgesteld wat ieder van partijen kan betalen. Dat wordt de ‘draagkracht’ van partijen genoemd.
2.7.14.
Het bedrag aan draagkracht wordt volgens de richtlijn, zoals vermeld in het Tremarapport van 2025, vastgesteld aan de hand van de formule 70% [NBI – (NBI x 0,3 + 1.310)]. Hierbij wordt uitgegaan van een woonbudget van 30% van het NBI, een forfaitair bedrag van € 1.310 per maand voor de kosten van levensonderhoud en een draagkrachtpercentage van 70.
2.7.15.
Ten aanzien van de draagkracht van de vrouw overweegt de rechtbank als volgt.
2.7.16.
De rechtbank zal voor het salaris van de vrouw haar jaaropgave 2024 tot uitgangspunt te nemen. Door partijen is niet gesteld en de rechtbank is niet gebleken dat het inkomen van de vrouw nadien is gewijzigd.
2.7.17.
De man stelt dat van de vrouw gelet op haar leeftijd, de leeftijd van de kinderen en haar werkervaring mag worden verwacht dat zij net als hij fulltime gaat werken. De vrouw is weliswaar gediagnosticeerd met multiple sclerose, maar uit het bericht van de arts van de vrouw blijkt dat er goede medicatie beschikbaar is en dat de progressie van deze ziekte tegenwoordig goed kan worden geremd. Het huidige salaris van de vrouw omgerekend naar een 40-urige werkweek bedraagt € 33.462,- bruto per jaar en van dit salaris moet volgens de man worden uitgegaan. De vrouw stelt dat zij vanwege haar medische situatie niet in staat is om meer te werken. De vrouw is in december 2023 gediagnosticeerd met multiple sclerose en zij ondervindt hier ernstige vermoeidheidsklachten en lichamelijke klachten van.
2.7.18.
De rechtbank is van oordeel dat van de vrouw niet kan worden gevergd dat zij meer uren gaat werken. De vrouw heeft een arbeidscontract van substantiële omvang (28 uur per week) en runt op dit moment daarnaast een huishouden met drie kinderen. De vrouw is in december 2023 gediagnosticeerd met multiple sclerose, van welke aandoening zij blijkens haar uitgebreide toelichting ter zitting behoorlijke klachten ondervindt. De vrouw is op dit moment nog aan het re-integreren in haar werk. Dit in aanmerking nemende laat de belastbaarheid van de vrouw een uitbreiding van haar arbeidsduur niet toe. De rechtbank ziet dan ook geen aanleiding om van een hoger (fictief) loon van de vrouw uit te gaan.
2.7.19.
De vrouw heeft voor het eerst tijdens de zitting naar voren gebracht dat zij met ingang van mei 2026 met 10% zal worden gekort op haar huidige salaris vanwege de duur van haar ziekmelding. De rechtbank ziet in deze stelling van de vrouw geen aanleiding om van een lager salaris van de vrouw uit te gaan. Door de vrouw zijn geen stukken over deze korting op haar salaris in het geding gebracht. Bovendien heeft de vrouw tijdens de zitting aangegeven dat zij aan het re-integreren is in haar werk zodat op dit moment nog onduidelijk is of de vrouw weer volledig aan het werk kan.
2.7.20.
Uit de jaaropgave 2024 volgt een salaris van de vrouw van € 21.564,- bruto per jaar. Uitgaande van dit inkomen, de aanspraak van de vrouw op het kindgebonden budget en de van toepassing zijnde heffingskortingen, berekent de rechtbank het NBI van de vrouw in 2025 op € 2.563,- per maand.
2.7.21.
De vrouw is van mening dat bij de berekening van haar draagkracht rekening moet worden gehouden met de kosten die zij maakt voor [de jongmeerderjarige] . [de jongmeerderjarige] woont bij de vrouw en hij wil haar geen kostgeld betalen. De vrouw schat de kosten van [de jongmeerderjarige] op € 125,- per maand. De man betwist dat rekening moet worden gehouden met de door de vrouw genoemde kosten voor [de jongmeerderjarige] . [de jongmeerderjarige] werkt fulltime in het bedrijf van de man en hij kan in zijn eigen levensonderhoud voorzien.
2.7.22.
De rechtbank zal geen rekening houden met de door de vrouw genoemde kosten voor [de jongmeerderjarige] . De vrouw heeft tijdens de zitting onderschreven dat [de jongmeerderjarige] fulltime werkt en dat hij in zijn eigen levensonderhoud kan voorzien. Het zou gelet hierop alleszins redelijk zijn als [de jongmeerderjarige] een financiële vergoeding aan zijn moeder gaat betalen voor kost en inwoning.
2.7.23.
De rechtbank berekent de draagkracht van de vrouw aan de hand van voormelde draagkrachtformule op € 339,- per maand, oftewel € 170,- per kind per maand.
2.7.24.
Ten aanzien van de draagkracht van de man overweegt de rechtbank als volgt.
2.7.25.
Partijen zijn het erover eens dat bij de berekening van de draagkracht van de man het bedrijfsresultaat van zijn onderneming tot uitgangspunt moet worden genomen. Zoals eerder overwogen zijn inkomensschommelingen inherent aan het voeren van een eigen onderneming zodat het gebruikelijk is om bij een ondernemer uit te gaan van het gemiddelde bedrijfsresultaat over een periode van drie jaar. De man stelt primair dat moet worden uitgegaan van het gemiddelde bedrijfsresultaat over de jaren 2023, 2024 en 2025 en subsidiair van het gemiddelde bedrijfsresultaat over de jaren 2022, 2023 en 2024. De vrouw is van mening dat het gemiddelde bedrijfsresultaat over de jaren 2022, 2023 en 2024 tot uitgangspunt moet worden genomen.
2.7.26.
De rechtbank ziet aanleiding om het gemiddelde bedrijfsresultaat van de onderneming van de man over de jaren 2022, 2023 en 2024 tot uitgangspunt te nemen aangezien het jaar 2024 het meest recente volledige boekjaar is. De vrouw heeft tijdens de zitting onbetwist gesteld dat het gemiddelde bedrijfsresultaat over deze jaren € 50.794,67 bedroeg zodat de rechtbank hiervan uitgaat.
2.7.27.
De man stelt dat het bedrijfsresultaat maar beperkt beschikbaar is voor de betaling van een kinderbijdrage aangezien daarvan ook reserves moeten worden aangelegd voor slechtere tijden. Onder verwijzing naar de uitspraak van het gerechtshof Den Haag van 11 augustus 2021 (ECLI:NL:GHDHA:2021:1532) is de man van mening dat hij een bedrag van € 15.000,- mag reserveren ten laste van het resultaat om mindere tijden te kunnen overbruggen. Dit is volgens de man ook hard nodig, omdat er zwaardere tijden aankomen. Er moeten twee vrachtwagens worden vervangen en vanaf 2030 moet de transportbranche elektrisch gaan rijden. De vrouw betwist dat de man een bedrag van € 15.000,- ten laste van het resultaat van zijn onderneming mag reserveren. Een dergelijke reservering gaat volgens de vrouw niet op voor de man aangezien hij over meer dan voldoende eigen vermogen beschikt om in de toekomst minderen periodes te kunnen overbruggen.
2.7.28.
De rechtbank zal geen rekening houden met de door de man gestelde reservering van € 15.000,- ten laste van het bedrijfsresultaat. De man heeft niet aangetoond dat hij deze reservering daadwerkelijk maakt en daarnaast heeft de onderneming blijkens de jaarrekening 2024 voldoende eigen vermogen om mogelijke financiële tegenvallers in de toekomst op te kunnen vangen.
2.7.29.
Naast voormeld bedrijfsresultaat zal de rechtbank ook rekening houden met de inkomsten die de man geniet uit de verhuur van zijn garageboxen en appartement. Onder verwijzing naar overweging 2.7.10 neemt de rechtbank in dit verband een inkomen in aanmerking van € 25.000,- netto per jaar.
2.7.30.
Uitgaande van voornoemde inkomsten en rekening houdend met de van toepassing zijnde heffingskortingen, berekent de rechtbank het NBI van de man in 2025 op € 5.475,- per maand.
2.7.31.
De vrouw heeft voor het eerst tijdens zitting aangevoerd dat bij de man geen rekening moet worden gehouden met het woonbudget. De man woont al bijna anderhalf jaar bij zijn vader in huis en heeft volgens de vrouw daarom geen woonlasten.
2.7.32.
De rechtbank stelt vast dat in de draagkrachtformule op forfaitaire wijze rekening wordt gehouden met de woonlast, te weten 30% van het NBI. Dit wordt het woonbudget genoemd. De rechtbank is niet gebleken dat de man op dit moment geen woonlasten heeft. De man woont niet bij zijn vader, maar in de woning van zijn vader die inmiddels in een verzorgingshuis woont. Bovendien heeft de man tijdens de zitting verklaard dat hij op zoek is naar andere woonruimte die geschikt is voor de minderjarigen. Gelet hierop houdt de rechtbank bij de berekening van de draagkracht van de man rekening met het woonbudget.
2.7.33.
De rechtbank berekent de draagkracht van de man aan de hand van voormelde draagkrachtformule op € 1.766,- per maand, oftewel € 883,- per kind per maand.
2.7.34.
De gezamenlijke draagkracht van partijen bedraagt € 1.053,- per kind per maand. Dit bedrag overschrijdt de behoefte van de minderjarigen en daarom is er aanleiding om een draagkrachtvergelijking te maken. Het eigen aandeel van de man in de kosten van de minderjarigen bedraagt € 657,- per kind per maand en het eigen aandeel van de vrouw in de kosten van de minderjarigen bedraagt € 126,- per kind per maand.
Zorgkorting
2.7.35.
Bij het bepalen van de door de man te betalen kinderbijdrage dient in beginsel rekening te worden gehouden met de zorgkorting, te weten de kosten die hij maakt in verband met de omgang tussen hem en de minderjarigen.
2.7.36.
De rechtbank zal bij de man geen zorgkorting in aanmerking nemen. Op dit moment hebben de man en de minderjarigen enkel contact met elkaar bij de vader van de man in het verzorgingshuis en via WhatsApp. Tijdens de zitting is de rechtbank duidelijk geworden dat dit voorlopig niet zal veranderen aangezien de man nog geen zicht heeft op een andere woning. Feitelijk draagt de man op dit moment dan ook geen zorg voor de minderjarigen. Zodra dit verandert kan er wel rekening gehouden gaan worden met een zorgkorting.
Conclusie
2.7.37.
Op grond van het voorgaande komt de rechtbank tot de conclusie dat de man met ingang van 6 november 2025 bij vooruitbetaling een kinderbijdrage van € 657,00 per kind per maand aan de vrouw dient te voldoen.
Partnerbijdrage
Ingangsdatum
2.7.38.
De vrouw verzoekt de ingangsdatum van de partnerbijdrage te bepalen op de datum van indiening van het verzoekschrift. De man verzet zich hiertegen en stelt dat de partnerbijdrage niet eerder kan ingaan dan de datum van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking.
2.7.39.
De rechtbank zal de ingangsdatum van de partnerbijdrage bepalen op de dag van inschrijving van de beschikking tot echtscheiding in de registers van de burgerlijke stand, nu dit uit de wet voortvloeit.
(Aanvullende) behoefte vrouw
2.7.40.
De rechtbank verwijst voor de stelling van de man dat de vrouw haar arbeidsduur kan uitbreiden en niet behoeftig is naar hetgeen zij hierover heeft overwogen onder 2.7.18. Gelet hierop zal de rechtbank overgaan tot het berekenen van de aanvullende behoefte van de vrouw.
2.7.41.
Tussen partijen is niet in geschil dat de behoefte van de vrouw moet worden berekend aan de hand van de hofnorm. Bij deze vuistregel wordt uitgegaan van het netto besteedbaar gezinsinkomen van partijen voor het uiteengaan, te verminderen met de kosten van de kinderen. De huwelijksgerelateerde behoefte wordt dan gesteld op 60% van dit gezinsinkomen.
2.7.42.
Onder verwijzing naar overweging 2.7.11 gaat de rechtbank uit van een netto besteedbaar gezinsinkomen van partijen in 2024 op € 7.230,- per maand. Op dit inkomen dienen de kosten van de minderjarigen in 2024 van € 1.470,- per maand in mindering te worden gebracht nu dit bedrag niet ter beschikking stond aan partijen. Het inkomen waarop de behoefte gebaseerd dient te worden bedraagt dan € 5.760,- per maand. Aan de hand van de hofnorm bedraagt de behoefte van de vrouw dan in 2024 € 3.456,- netto per maand, geïndexeerd naar 1 januari 2025 € 3.681,- netto per maand.
2.7.43.
Op deze behoefte dienen de eigen inkomsten van de vrouw in mindering te worden gebracht.
2.7.44.
Onder verwijzing naar overwegingen 2.7.16 tot en met 2.7.19 gaat de rechtbank uit van een bruto jaarinkomen van de vrouw van € 21.564,-. Na aftrek van dit inkomen en rekening houdend met de van toepassing zijnde heffingskorting resteert een aanvullende behoefte van de vrouw aan een partnerbijdrage van € 1.955,- netto per maand, oftewel € 3.724,- bruto per maand.
Draagkracht man
2.7.45.
De rechtbank moet vervolgens beoordelen of de man over voldoende draagkracht beschikt om bij te dragen in de aanvullende behoefte van de vrouw.
2.7.46.
Daarvoor maakt de rechtbank evenals bij de kinderbijdrage (zie overweging 2.7.14) gebruik van de methode die de Expertgroep Alimentatie van de Rechtspraak heeft ontwikkeld. In tegenstelling tot de kinderbijdrage geldt bij de partnerbijdrage dat van de draagkrachtruimte 60% beschikbaar is voor partnerbijdrage. De berekening ziet er in dat geval – gebruikmakend van de formule die geldt voor 2025 – als volgt uit:
60% [NBI – (NBI x 0,3 + 1.310)].
2.7.47.
Voor de berekening van de draagkracht van de man hanteert de rechtbank het inkomen van de man zoals genoemd onder overwegingen 2.7.25 tot en met 2.7.29. Uitgaande van deze inkomsten en de van toepassing zijnde heffingskortingen, berekent de rechtbank het NBI van de man op € 5.475,- per maand. Op grond van voormelde draagkrachtformule bedraagt de draagkracht van de man dan € 1.514,- per maand. Hierbij heeft de rechtbank onder verwijzing naar overweging 2.7.32 rekening gehouden met het woonbudget. Na aftrek van de bijdrage van de man in de behoefte van de minderjarigen van € 1.314,- per maand, resteert een beschikbare draagkracht voor het betalen van een partnerbijdrage van € 200,- netto per maand, dan wel € 319,- bruto per maand.
Conclusie
2.7.48.
Op grond van het voorgaande komt de rechtbank tot de conclusie dat de man met ingang van de datum van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand een partnerbijdrage van € 319,00 bruto per maand aan de vrouw moet betalen.
2.8.
Afwikkeling huwelijkse voorwaarden en verdeling eenvoudige gemeenschappen
2.8.1.
Partijen zijn op [datum] huwelijkse voorwaarden overeengekomen. Deze huwelijkse voorwaarden houden in een uitsluiting van elke gemeenschap van goederen zonder verrekenbeding.
2.8.2.
In de akte huwelijkse voorwaarden is, voor zover thans van belang, het volgende opgenomen:
(…)
Algehele uitsluiting
Artikel 1
De echtgenoten zijn met uitsluiting van elke gemeenschap van goederen gehuwd.
Aansprakelijkheid schulden
Artikel 2
Voor de schulden van ieder van de echtgenoten is aansprakelijk degene die de desbetreffende schuld heeft doen ontstaan. Voor schulden aangegaan ten behoeve van de gewone gang van de huishouding is ieder van de echtgenoten voor het geheel aansprakelijk.
(…)
Vergoedingen
Artikel 4
De echtgenoten zijn, voor zover zij niet ander overeenkomen, verplicht aan elkaar te vergoeden hetgeen aan het vermogen van de ene echtgenoot is onttrokken ten bate van de andere echtgenoot, naar de waarde op de dag van de onttrekking.
(…)
Pensioen
Artikel 12
Indien het huwelijk van de echtgenoten door echtscheiding wordt ontbonden dan wel indien tussen de echtgenoten de scheiding van tafel en bed wordt uitgesproken, zal geen pensioenverevening conform de Wet verevening pensioenrechten bij scheiding plaatsvinden, hetgeen onverlet laat ieders recht op nabestaandenpensioen.
Slotverklaringen
(…)
- De man heeft een vordering op de vrouw van een bedrag groot zeventien duizend vijfhonderd euro (€ 17.500,-), zoals deze vordering nader is omschreven in artikel 18 van het tussen de man en de vrouw op zesentwintig november tweeduizend twee bij akte verleden op die dag voor mij, notaris, gesloten samenlevingscontract.
(…)
2.8.3.
De vrouw stelt primair dat de huwelijkse voorwaarden op grond van artikel 6:228, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) moeten worden vernietigd, omdat zij bij de totstandkoming daarvan heeft gedwaald. Volgens de vrouw is zij door de notaris onvoldoende voorgelicht over de inhoud en de gevolgen van de huwelijkse voorwaarden en met name over de koude uitsluiting. De huwelijkse voorwaarden en koude uitsluiting zijn alleen bedoeld geweest om de risico’s die uit het ondernemerschap van de man voortvloeiden te beperken. De vrouw heeft niet overzien wat de vermogensrechtelijke consequenties van de huwelijkse voorwaarden waren en was zich er bij het aangaan niet van bewust dat dit zou betekenen dat zij bij echtscheiding met lege handen zou staan. Ook de inhoud van de brief van de notaris van [datum] zegt niets over de financiële en vermogensrechtelijke positie van partijen aan het einde van het huwelijk. De brief zegt enkel iets over de vermogensrechtelijke positie van partijen tijdens het huwelijk.
Subsidiair stelt de vrouw met een beroep op artikel 6:248, tweede lid, BW dat de op grond van de overeenkomst van huwelijkse voorwaarden tussen partijen geldende koude uitsluiting niet toepasselijk is, omdat dit in de gegeven omstandigheden in deze zaak naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. Daartoe stelt de vrouw dat de huwelijkse voorwaarden enkel met het oog op mogelijke toekomstige schuldeisers van de onderneming van de man zijn aangegaan. Echter in hun interne verhouding hebben partijen volgens de vrouw geleefd als ware zij in gemeenschap van goederen gehuwd en hebben zij zich niet aan de huwelijkse voorwaarden gehouden. Partijen hadden een gezamenlijke bankrekening en de kosten van de huishouding en de aflossing van de hypotheek werden betaald vanuit hun beider inkomen. Partijen beslisten ook samen over de aanschaf van goederen en investeringen aan de woning en hielden er geen gescheiden boekhouding op na, met uitzondering van die van de onderneming van de man. Verder voert de vrouw aan dat partijen bij aanvang van het huwelijk gelijk aan elkaar waren, maar dat de onderlinge verhoudingen gaandeweg het huwelijk zijn gewijzigd door een ongelijke taakverdeling binnen het huwelijk, waardoor partijen niet in gelijke mate vermogen hebben kunnen opbouwen. De man verdiende het inkomen en de vrouw zorgde voor het huishouden en de kinderen. De vrouw heeft ook jarenlang, deels onbetaald en deel laagbetaald, meegewerkt in de onderneming van de man waardoor het vermogen van de man is toegekomen en dat van de vrouw niet. Tot slot merkt de vrouw op dat zij tijdens het huwelijk een zeer beperkt ouderdomspensioen heeft opgebouwd en dat in de huwelijkse voorwaarden pensioenverevening is uitgesloten. De man heeft de vrouw laten weten dat zijn pensioenvoorziening bestaat uit zijn investeringen in de garageboxen en het appartement. Ook dit geeft volgens de vrouw een zeer onredelijke uitkomst van de overeengekomen huwelijkse voorwaarden.
2.8.4.
De man betwist dat sprake is van dwaling aan de zijde van de vrouw. Onder verwijzing naar de huwelijkse voorwaarden en de brief van de notaris van [datum] stelt de man dat het voor beide partijen duidelijk was dat zij zouden huwen bij koude uitsluiting en wat de gevolgen daarvan zouden zijn. Partijen hebben afgesproken om hun privévermogens gescheiden te houden en vermogensgroei niet met elkaar te delen. Volgens de man is dit altijd de bedoeling van partijen geweest. De man acht de overeengekomen koude uitsluiting evenmin naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar. Partijen hebben zich volgens de man tijdens het huwelijk niet gedragen in afwijking van de huwelijkse voorwaarden. Zij hebben zich zowel voor als tijdens het huwelijk zakelijk opgesteld. De man overlegde niet met de vrouw over zakelijke aankopen en besliste hier zelf over.
2.8.5.
De rechtbank is van oordeel dat de vrouw, tegenover de gemotiveerde betwisting door de man, onvoldoende heeft gesteld en onderbouwd dat sprake is van dwaling op grond waarvan de door partijen gesloten huwelijkse voorwaarden moeten worden vernietigd. De tekst van de huwelijkse voorwaarden is duidelijk en partijen hebben die voorwaarden ten overstaan van een notaris ondertekend. De notaris heeft partijen in de brief van [datum] nog een toelichting gegeven op de huwelijkse voorwaarden en heeft er expliciet op gewezen dat partijen hun privé vermogens gescheiden houden zodat de vrouw niet met haar privé vermogen kan worden aangesproken voor de schulden van het bedrijf van de man
ende winsten in het bedrijf van de man, nadat de man daaruit zijn aandeel in de kosten van de huishouding had voldaan, aan de man alleen toekomen. Hieruit volgt dat de vrouw bekend moet zijn geweest met de inhoud van de huwelijkse voorwaarden en de betekenis hiervan voor partijen. Verder slaat de rechtbank acht op de afspraken tussen partijen voorafgaand aan het huwelijk in hun samenlevingscontract van [datum] , waarmee zij hun vermogens ook gescheiden hebben willen houden. Eén van deze afspraken houdt een vordering in van de man op de vrouw van € 17.500,- omdat de man vanuit eigen middelen had geïnvesteerd in de gezamenlijke woning van partijen. Deze vordering is overgenomen in de huwelijkse voorwaarden en wordt thans ook door de vrouw erkend. Reeds voor hun huwelijk hadden partijen er dus al voor gekozen om hun vermogens gescheiden te houden zodat de afspraken hieromtrent in de huwelijkse voorwaarden niet nieuw waren voor de vrouw. Gelet op voornoemde omstandigheden kan het beroep van de vrouw op dwaling niet slagen.
2.8.6.
Evenmin ziet de rechtbank reden om de huwelijkse voorwaarden buiten toepassing te laten op grond van de redelijkheid en billijkheid. De rechtbank is niet gebleken dat partijen
gedurende hun huwelijk hebben geleefd alsof zij in gemeenschap van goederen waren gehuwd. Partijen hadden slechts één gezamenlijke bankrekening waarvan de huishoudelijke kosten werden voldaan. De man bepaalde zelf het bedrag dat hij vanuit zijn onderneming overmaakte op deze rekening en hij investeerde zonder medeweten en instemming van de vrouw met privé vermogen in onroerend goed. De vrouw had blijkens haar verklaring ter zitting tijdens het huwelijk geen zicht op de inkomensstroom van de man en zijn investeringen in onroerend goed. De vrouw mocht er naar het oordeel van de rechtbank onder deze omstandigheden niet op vertrouwen dat het vermogen van partijen gemeenschappelijk was. Verder stelt de rechtbank op grond van de verklaringen van partijen ter zitting vast dat zij bewust hebben gekozen voor een meer klassieke rolverdeling na de geboorte van hun kinderen. De vrouw vond haar werk niet leuk en heeft er zelf voor gekozen haar baan op te zeggen en meer voor de kinderen te gaan zorgen. Zij is wel weer gaan werken en de man heeft dit niet in de weg gestaan. De vrouw heeft erkend dat zij ook meer had kunnen werken, waarbij de kinderen naar een vorm van kinderopvang hadden kunnen gaan. Tijdens het huwelijk heeft de vrouw in geringe mate en op eigen initiatief werkzaamheden in de onderneming van de man verricht, maar dit acht de rechtbank onvoldoende om te stellen dat het vermogen van de man is toegenomen door haar inspanningen. Dat het vermogen van de man aan het einde van het huwelijk groter is dan dat van de vrouw brengt onder deze omstandigheden niet met zich mee dat ongewijzigde instandhouding van de huwelijkse voorwaarden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is.
2.8.7.
Het voorgaande leidt ertoe dat de rechtbank de verzoeken van de vrouw tot vernietiging dan wel buiten toepassing laten van de huwelijkse voorwaarden alsmede (in het verlengde hiervan) haar verzoeken tot verdeling van de algehele gemeenschap van goederen dan wel verrekening zal afwijzen.
Verdeling eenvoudige gemeenschappen
2.8.8.
Partijen zijn in artikel 1 van de huwelijkse voorwaarden overeengekomen dat er door het huwelijk geen gemeenschap van goederen zal ontstaan. Wel zijn zij op een andere manier samen eigenaar/rechthebbende geworden van een aantal goederen. Dat worden ‘eenvoudige gemeenschappen’ genoemd. Partijen hebben gevraagd de verdeling van deze gemeenschappen vast te stellen of de wijze van verdeling hiervan te gelasten. In dit verband overweegt de rechtbank als volgt.
2.8.9.
Partijen zijn het erover eens dat zij de volgende goederen gemeenschappelijk hebben en dat zij gezamenlijk schuldenaar zijn van de volgende schuld:
- de echtelijke woning aan [adres] ;
- de hypothecaire geldlening bij Argenta met nummer [nummer] ;
- twee garageboxen aan [adres] ;
- het saldo op de gezamenlijke bankrekening bij de ABN AMRO Bank met nummer [nummer] ;
- de inboedel.
2.8.10.
Tussen partijen is niet in geschil dat de echtelijke woning moet worden verkocht
als de huwelijkse voorwaarden in stand blijven en dat in dit verband ‘het spoorboekje’ moet worden gevolgd. Gelet hierop zal de rechtbank de volgende wijze van verdeling van de woning gelasten:
- De woning moet te koop worden gezet.
- Als het partijen niet lukt om binnen twee weken na de beschikkingsdatum gezamenlijk een makelaar aan te wijzen, dan dient de vrouw binnen één week nadien drie makelaars aan de man voor te stellen waaruit de man binnen één week een makelaar dient te kiezen.
- Binnen één week nadien dienen partijen deze makelaar een opdracht tot verkoop van de woning te verstrekken.
- Partijen zijn gehouden de adviezen van de makelaar op te volgen voor wat betreft de vraag- en laatprijs, alsmede alle verdere adviezen van de makelaar, voor zover zij daar samen niet uitkomen.
- De verkoopopbrengst dient na aftrek van de verkoopkosten ter aflossing van de hypothecaire geldlening te worden aangewend. Een eventuele overwaarde dienen partijen bij helfte te delen en een eventuele restschuld dienen partijen bij helfte te dragen.
2.8.11.
Voorts zijn partijen het erover eens dat:
- zij ieder een garagebox aan [adres] toebedeeld krijgen zonder nadere verrekening over en weer;
- de vrouw de door haar onder productie 10 genoemde inboedelgoederen toebedeeld krijgt zonder nadere verrekening met de man en dat daarmee de inboedel is verdeeld;
- de vrouw de gezamenlijke bankrekening van partijen bij de ABN AMRO Bank zal voortzetten zonder nadere verrekening van het saldo met de man en dat de man zal meewerken aan de wijziging van de tenaamstelling van deze rekening.
Nu partijen overeenstemming hebben op deze punten is er op grond van artikel 3:185 BW geen taak meer weggelegd voor de rechter. De rechtbank zal hierover dan ook geen beslissing opnemen in het dictum. Vanzelfsprekend geldt dat partijen onderling gehouden zijn de gemaakte afspraken na te komen.
Vergoedingsvorderingen
2.8.12.
Tussen partijen is niet in geschil dat de man gelet op de slotverklaringen in de huwelijkse voorwaarden een voorhuwelijkse vordering heeft op de vrouw van € 17.500,-. Dit bedrag dient de vrouw dan ook aan de man te vergoeden. Indien mogelijk mag deze vordering verrekend worden met het aandeel van de vrouw in de overwaarde van de echtelijke woning.
2.8.13.
De man heeft zijn vergoedingsvorderingen ten aanzien van de echtelijke woning ter zitting ingetrokken. Op deze verzoeken hoeft de rechtbank dan ook niet meer te beslissen.

3.De beslissing

De rechtbank:
3.1.
spreekt de echtscheiding uit tussen partijen, gehuwd te [plaats] , thans gemeente [gemeente] , op [huwelijksdatum] ;
3.2.
stelt de volgende verdeling van de zorg- en opvoedingstaken ten aanzien van de minderjarigen [de minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum] in de gemeente [gemeente] , en [de minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum] in de gemeente [gemeente] , vast:
- vanaf het moment dat de man geschikte woonruimte heeft betrokken, verblijven de minderjarigen de ene week bij de vrouw en de andere week bij de man;
- tot dat moment verblijven de minderjarigen bij de vrouw en hebben zij eenmaal per week omgang met de man;
- de vakanties en feestdagen worden in onderling overleg tussen partijen verdeeld.
3.3.
bepaalt dat de vrouw tegenover de man het recht heeft om in de echtelijke woning aan [adres] te blijven wonen en de tot de inboedel daarvan behorende zaken te blijven gebruiken tot zes maanden na de inschrijving van de beschikking tot echtscheiding in de registers van de burgerlijke stand, als zij de woning ten tijde van die inschrijving bewoont;
3.4.
bepaalt dat de man met ingang van 6 november 2025 bij vooruitbetaling een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van voornoemde minderjarigen van € 657,- per kind per maand aan de vrouw dient te betalen;
3.5.
bepaalt dat de man met ingang van de datum van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand bij vooruitbetaling een bijdrage in de kosten van levensonderhoud van de vrouw van € 319,- per maand aan de vrouw dient te betalen;
3.6.
gelast de wijze van verdeling van de echtelijke woning aan [adres] conform hetgeen is overwogen onder 2.8.10;
3.7.
bepaalt dat de vrouw een bedrag van € 17.500,- aan de man dient te vergoeden in verband met een voorhuwelijkse vordering van de man op de vrouw en dat de vrouw deze vergoeding indien mogelijk mag verrekenen met haar aandeel in de overwaarde van de echtelijke woning;
3.8.
verklaart deze beslissing, behoudens de echtscheiding, uitvoerbaar bij voorraad;
3.9.
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mr. S.I.A.C. Angenent-Bakker, rechter, tevens kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier mr. S.C. Horio op 6 november 2025.
Tegen deze beschikking kan - voor zover er definitief is beslist - door tussenkomst van een advocaat hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof te Amsterdam. De verzoekende partij en verschenen belanghebbenden dienen het hoger beroep binnen de termijn van drie maanden na de dag van de uitspraak in te stellen. Andere belanghebbenden dienen het beroep in te stellen binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of nadat deze hun op andere wijze bekend is geworden en overeenkomstig artikel 820 lid 2 Rv openlijk bekend is gemaakt.