ECLI:NL:RBNHO:2025:12757

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
22 oktober 2025
Publicatiedatum
5 november 2025
Zaaknummer
C/15/365444
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Bodemzaak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 223 RvArt. 705 RvArt. 21 RvArt. 6:162 BWArt. 3:44 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing vordering tot opheffing conservatoir beslag wegens onvoldoende onderbouwing ondeugdelijkheid vordering

In deze civiele bodemzaak tussen Artilux NMF UAB en Nomenta Industries International B.V. staat een geschil centraal over een betalingsachterstand en de opeisbaarheid van een Deposit onder een Settlement Agreement. Artilux legde conservatoir beslag op bankrekeningen van Nomenta wegens een vordering van circa € 215.000. Nomenta vordert in een incident de opheffing van dit beslag, stellende dat de vordering niet opeisbaar is, het beslag disproportioneel en vexatoir is, en dat Artilux onrechtmatig heeft gehandeld.

De rechtbank beoordeelt eerst de internationale bevoegdheid en toepasselijkheid van Nederlands recht, waarna zij de ontvankelijkheid van Nomenta in haar vordering bevestigt. Vervolgens toetst de rechtbank de vordering tot opheffing van het beslag aan de maatstaven van artikel 705 Rv Pro, waarbij zij oordeelt dat Nomenta onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat de vordering ondeugdelijk is of dat het beslag onnodig of disproportioneel is.

De rechtbank weegt de belangen van partijen en concludeert dat het beslag niet onnodig of disproportioneel is, en dat er geen sprake is van vexatoir beslag. Ook het beroep op schending van artikel 21 Rv Pro wordt verworpen wegens onvoldoende bewijs. De vordering tot opheffing van het beslag wordt daarom afgewezen en Nomenta wordt veroordeeld in de proceskosten.

Uitkomst: De rechtbank wijst de vordering tot opheffing van het conservatoir beslag af en veroordeelt Nomenta in de proceskosten.

Uitspraak

RECHTBANK Noord-Holland

Civiel recht
Zittingsplaats Haarlem
Zaaknummer: C/15/365444 / HA ZA 25-300
Vonnis in incident van 22 oktober 2025
in de zaak van
ARTILUX NMF UAB,
gevestigd te Šiauliai (Litouwen),
eisende partij in de hoofdzaak,
verwerende partij in het incident,
hierna te noemen: Artilux,
advocaat: mr. L.M. Ravestijn,
tegen
NOMENTA INDUSTRIES INTERNATIONAL B.V.,
gevestigd te Haarlem,
gedaagde partij in de hoofdzaak,
eisende partij in het incident,
hierna te noemen: Nomenta,
advocaat: mr. J.G. Crozier.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
  • de dagvaarding van 7 april 2025;
  • het herstelexploot van 12 mei 2025;
  • de akte overlegging producties met producties 1 tot en met 6 van Artilux van 21 mei 2025;
  • de conclusie van antwoord, tevens houdende eis in reconventie, tevens houdende een incidentele vordering tot het treffen van een voorlopige voorziening ex. artikel 223 Wetboek Pro van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) van 30 juli 2025
  • de incidentele conclusie van antwoord met producties 7 en 8 van 13 augustus 2025,
  • de incidentele conclusie van antwoord met aanvulling en producties 6B en 6C van 27 augustus 2025.
1.2.
Ten slotte is een datum voor vonnis in het incident bepaald.

2.De feiten van belang voor het incident

2.1.
Nomenta houdt zich bezig met de productie van en groothandel in design wooninrichting.
2.2.
Artilux is een fabrikant en ontwikkelaar van onder meer elektronica.
2.3.
Op 7 februari 2022 hebben partijen een overeenkomst gesloten met daarin afspraken over de samenwerking voor het inkopen/voorfinancieren, assembleren en doorleveren van elektronische producten (de Overeenkomst). Nomenta neemt op grond van de Overeenkomst via
purchase ordersproducten af van Artilux. Deze producten produceert Artilux met behulp van productonderdelen van onder meer Chinese leverancier(s) waar Nomenta al een samenwerking mee had.
2.4.
Partijen zijn op 4 oktober 2023 een aangepaste overeenkomst (Overeenkomst II) overeengekomen waarin meer zekerheden en bevoegdheden voor Artilux zijn opgenomen.
2.5.
Bij de uitvoering van Overeenkomst II is een betalingsachterstand van Nomenta ontstaan. Partijen verschillen van inzicht over de oorzaak en de hoogte hiervan.
2.6.
Op 27 juni 2024 hebben partijen een overeenkomst (Settlement Agreement) gesloten met afspraken over drie
purchase orders, met een totale waarde van € 1.224.307,51. De afspraken komen er onder meer op neer dat Nomenta aan Artilux een bedrag aan voorfinanciering is verschuldigd van € 292.284,03, door partijen het Deposit genoemd, welk bedrag op grond van artikel 2.5 van de Settlement Agreement niet direct opeisbaar is.
2.7.
In februari 2025 heeft Artilux een nieuwe vaststellingsovereenkomst aan Nomenta voorgelegd. Vervolgens hebben partijen gecorrespondeerd over de hoogte van de Deposit en zijn het daar niet over eens geworden. Volgens Artilux bedraagt het Deposit € 219.721,38, volgens Nomenta € 165.594,92.
2.8.
Artilux heeft op 25 maart 2025 conservatoir derdenbeslag gelegd op bankrekeningen van Nomenta. Het beslag heeft doel getroffen onder ABN Amro voor circa € 70.000,00. Het beslag onder de Rabobank trof twee bankrekeningen: een bankrekening met een aan de Rabobank verpand saldo van € 255.686,18 en een bankrekening met nagenoeg geen saldo. Dit beslag is gelegd uit hoofde van een beschikking van de voorzieningenrechter van de rechtbank Amsterdam, waarbij de vordering inclusief rente en kosten is begroot op € 215.000,00.

3.Het geschil in de hoofdzaak

3.1.
Artilux vordert in conventie dat de rechtbank bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, samengevat, Nomenta veroordeelt tot betaling van € 219.721,38, te vermeerderen met rente en kosten.
3.2.
Nomenta vordert in reconventie dat de rechtbank bij vonnis, samengevat:
I. verklaart voor recht dat Artilux toerekenbaar is tekortgeschoten in de nakoming van haar verplichtingen uit hoofde van de Overeenkomst, althans Overeenkomst II, althans de Settlement Agreement;
II. verklaart voor recht dat Artlilux onrechtmatig heeft gehandeld jegens Nomenta, onder meer door het misbruiken van haar machtspositie en afhankelijkheidsrelatie, en daardoor schadeplichtig is jegens Nomenta ex artikel 6:162 Burgerlijk Pro Wetboek (BW);
III. verklaart voor recht dat Artilux misbruik heeft gemaakt van de bijzondere omstandigheden waarin Nomenta verkeerde, als bedoeld in artikel 3:44 BW Pro, en dat Artilux om die reden schadeplichtig is jegens Nomenta;
IV. verklaart voor recht dat het door Artilux gelegde beslag onrechtmatig dan wel vexatoir is en dat Artilux daarom aansprakelijk is voor alle door Nomenta in dit verband geleden schade;
V. als de rechtbank de vorderingen van Artilux geheel of gedeeltelijk toewijst, verklaart voor recht dat Nomenta de door haar geleden schade (nader op te maken bij staat) mag verrekenen met het resterende bedrag van de Deposit;
VI. Artilux veroordeelt tot vergoeding van de door Nomenta geleden en nog te lijden schade als gevolg van de onder I tot en met IV bedoelde gedragingen, schade nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet;
met veroordeling van Artilux in de proceskosten zowel in conventie als in reconventie.

4.De vorderingen in het incident

4.1.
Nomenta vordert dat de rechtbank, bij wijze van voorlopige voorziening, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
primair
I. het beslag onder Nomenta geheel opheft, althans Artilux beveelt het beslag op te heffen binnen twee dagen na betekening van het vonnis en opgeheven te houden, onder verbeurte van een dwangsom van € 10.000,00 voor iedere dag dat zij niet aan het gevorderde voldoet, met een maximum van € 150.000;
subsidiair
II. het beslag onder Nomenta opheft tot een niveau dat in verhouding staat tot de daadwerkelijk opeisbare aanspraken van Artilux, zijnde € 100.000,00, althans € 165.829,63, althans een door de rechtbank in goede justitie te bepalen bedrag, althans Artilux in elk geval beveelt het beslag gelegd onder de ABN Amro op te heffen;
meer subsidiair
III. bepaalt dat als Artilux niet tijdig en/of volledig aan het gevorderde onder I of II heeft voldaan, het vonnis in de plaats treedt van de toestemming van Artilux om het beslag op te heffen;
in alle gevallen
IV. bepaalt dat het Artilux wordt verboden om (opnieuw) beslag te leggen onder Nomenta, onder verbeurte van een dwangsom van € 50.000,00 per dag voor elke dag dat er opnieuw beslag is gelegd tot de dag der opheffing daarvan;
V. Artilux gebiedt om, telkens wanneer zij zich ter zake van de door haar gepretendeerde vorderingen op Nomenta tot een voorzieningenrechter wendt met een verzoek tot beslaglegging ten aanzien van enig vermogensbestanddeel van Nomenta, de voorzieningenrechter in het desbetreffende verzoekschrift op de hoogte te stellen van dit vonnis, door een kopie daarvan bij het verzoekschrift over te leggen, onder verbeurte van een dwangsom van € 50.000,00 per keer dat het vonnis niet wordt overgelegd;
VI. Artilux te veroordelen in de kosten van het beslag, te vermeerderen met de wettelijke rente en nakosten.
4.2.
Nomenta legt aan haar vorderingen in de eerste plaats ten grondslag dat beslag is gelegd voor een evident ondeugdelijke vordering. De vordering is namelijk niet opeisbaar. Van bijzondere omstandigheden waarbij in een dergelijk geval toch beslag kan worden gelegd is niet gebleken. Mede in dat licht bezien, valt volgens Nomenta ook de belangenafweging in haar voordeel uit. De hoogte van het beslag (circa € 325.000,00) weegt zwaar op de liquiditeit van Nomenta en belemmert haar kernactiviteiten. Atrilux weigert het beslag onder de Rabobank op te heffen, hoewel de vordering voldoende gezekerd is met het beslag onder ABN AMRO. Het belang van Artilux is bovendien beperkt, omdat de vordering niet opeisbaar is en betaling ervan plaatsvindt via verrekening en/of compensatie via onderdelen geleverd aan Artilux, zoals afgesproken in de Settlement Agreement. Bovendien heeft Artilux een pandrecht op het intellectuele eigendom van Nomenta dat is uit te winnen in geval van faillissement. In het kader van de belangenafweging benadrukt Nomenta de houding van Artilux, waardoor de verhouding van partijen op scherp is komen te staan en partijen niet tot een regeling konden komen hoewel Nomenta steeds bereid was tot overleg.
In de tweede plaats betoogt Nomenta dat het beslag disproportioneel en onnodig belastend is. Het beslag raakt Nometa onnodig hard en zij wordt geconfronteerd met gevaar voor voortzetting van haar bedrijfsvoering wegens gebrek aan liquide middelen. Het beslag omvat aanzienlijk meer (€ 325.000,00) dan de begrote vordering (€ 215.000,00) en is reeds daarom disproportioneel. Een belangenafweging moet bovendien in het voordeel van Nomenta uitvallen. Er is geen sprake van verduistering en ook niet van het onvoldoende bieden van verhaal.
Ten derde acht Nomenta het beslag vexatoir (onrechtmatig). Artilux gebruikt het beslag oneigenlijk, namelijk als drukmiddel om Nomenta een niet-opeisbare vordering te laten betalen, is evident gelegd uitsluitend om Nomenta te schaden en het is lichtvaardig en rucksichtlos gelegd op veel meer vermogensbestanddelen dan de hoofdvordering rechtvaardigt.
Ten vierde betoogt Nomenta dat Artilux in haar beslagrekest het feitencomplex en het verweer van Nomenta heeft weggelaten, wat leidt tot een schending van de waarheidsplicht van artikel 21 Rv Pro. Ook dat is reden voor opheffing van het beslag, aldus Nomenta.
4.3.
Artilux voert verweer en concludeert tot niet-ontvankelijkheid van Nomenta althans tot afwijzing van de vorderingen in incident met veroordeling van Nomenta in de kosten van het incident.
Primair voert Artilux aan dat opheffing van het beslag voorbijgaat aan de reikwijdte en ratio van artikel 223 Rv Pro, zodat Nomenta niet-ontvankelijk moet worden verklaard in haar vordering. Met de beslissing op deze vordering zou de rechtbank volgens Artilux een constitutief oordeel geven, terwijl artikel 223 Rv Pro uitsluitend betrekking heeft op het geven van een voorlopige voorziening voor de duur van het geding. De beslissing zou niet voorlopig van aard zijn, omdat opheffing voor de duur van het geding Artilux in een andere materiële rechtstoestand zou brengen. Ingeval van opheffing van de beslagen is bovendien aannemelijk dat een nadere beslaglegging of een herleving van beslagen niet of minder succesvol zal zijn. Daarbij wordt de facto een beoordeling in de hoofdzaak gevraagd. Dat is prematuur en in strijd met het procesrecht (de procedurele vereisten van hoor en wederhoor in de hoofdzaak), omdat Artilux nog geen conclusie van antwoord in reconventie heeft genomen.
Subsidiair voert Artilux aan dat de rechtbank de vorderingen moet afwijzen, omdat niet summierlijk blijkt van de ondeugdelijkheid van de vorderingen en een belangenafweging in het voordeel van Artilux moet uitvallen. Het is volgens Artilux aan Nomenta om aannemelijk te maken dat de vordering ondeugdelijk of onnodig is en de incidentele vordering moet marginaal en terughoudend getoetst worden. Ook in dit verband merkt Artilux op dat zij nog voor antwoord in reconventie moet dienen in de hoofdzaak. Volgens Artilux is de vordering niet ondeugdelijk en wel opeisbaar, omdat Nomenta in verzuim is en de overeenkomst (de Settlement Agreement) is ontbonden. Artilux betwist verder dat zij Nomenta in de onderhandelingen oneigenlijk onder druk heeft gezet. Ook betwist Artilux dat Nomenta bereid is voldoende zekerheid te stellen; er is geen bankgarantie gesteld ter vervangende zekerheid.
Het beslag is volgens Artilux ook niet disproportioneel, omdat in materiële zin slechts € 76.150,27 (het bedrag op rekening bij ABN Amro) is getroffen omdat de Rabobank zich op haar pandrecht heeft beroepen. Artilux betwist verder de gestelde zwaarwegende belangen die Nomenta heeft bij opheffing. Nomenta heeft namelijk vijf maanden laten verstrijken en geen opheffings-kortgeding aangespannen, terwijl Artilux belang heeft bij de verhaalsmogelijkheid.
Artilux betwist tot slot dat sprake is van schending van artikel 21 Rv Pro en, als dat het geval zou zijn, betwist Artilux dat dit – gelet op de belangen over en weer – zou moeten leiden tot opheffing van het beslag.

5.De beoordeling in het incident

Internationale bevoegdheid en toepasselijk recht
5.1.
Aangezien Artilux in het buitenland gevestigd is en een rechtspersoon is naar buitenlands recht draagt de vordering een internationaal karakter. Allereerst moet de rechtbank daarom nagaan of de Nederlandse rechter bevoegd is van de vordering kennis te nemen en welk recht op de vordering van toepassing is.
5.2.
De Nederlandse rechter is op grond van artikel 4 van Pro de in deze zaak toepasselijke Verordening (EU) nr. 1215/2012 (Brussel I bis-Verordening) bevoegd om van het onderhavige geschil kennis te nemen omdat de gedaagde in de hoofdzaak, Nomenta, woonplaats heeft in Nederland.
5.3.
Op de onderhavige vorderingen is het Nederlands recht van toepassing, nu de door Artilux gelegde beslagen in Nederland en naar Nederlands recht zijn gelegd.
Nomenta is ontvankelijk
5.4.
Het meest verstrekkende verweer van Artilux betreft de ontvankelijkheid van Nomenta in haar provisionele vordering. Dit verweer slaagt niet. Een vordering tot opheffing van beslag kan ook als voorlopige voorziening in het kader van artikel 223 Rv Pro worden gevorderd. Dat toewijzing van de vordering de materiële positie van Artilux mogelijk aantast en de gevraagde voorziening sterk verweven is met de beoordeling in de hoofdzaak, zijn omstandigheden die bij de inhoudelijke beoordeling kunnen worden betrokken. Dit leidt echter niet tot niet-ontvankelijkheid.
5.5.
Nomenta heeft verder voldoende processueel belang bij de incidentele vordering. De gevraagde voorlopige voorziening hangt samen met de hoofdvordering en is gericht op een voorziening die voor de duur van de aanhangige bodemprocedure kan worden gegeven. Aan de eisen voor het instellen van een voorlopige voorziening op grond van artikel 223 Rv Pro is daarom voldaan.
Inhoudelijke beoordeling
5.6.
Voor de beoordeling van de toewijsbaarheid van de vordering tot opheffing van het beslag moet worden aangesloten bij de in artikel 705 Rv Pro neergelegde maatstaven. De opheffing van een conservatoir beslag kan onder meer worden bevolen, als summierlijk blijkt van de ondeugdelijkheid van het door de beslaglegger ingeroepen recht of van het onnodige van het beslag, of als voor de geldvordering voldoende zekerheid is gesteld.
Het ligt in de eerste plaats op de weg van degene die de opheffing van het beslag vordert om aannemelijk te maken dat de door de beslaglegger gepretendeerde vordering ondeugdelijk of onnodig is (HR 14 juni 1996, ECLI:NL:HR:1996:ZC2105). Er zal evenwel beslist moeten worden aan de hand van wat door beide partijen naar voren is gebracht en summierlijk met bewijsmateriaal is onderbouwd. Die beoordeling kan niet geschieden los van de in een zodanig geval vereiste afweging van de wederzijdse belangen, waarbij moet worden beoordeeld of het belang van de beslaglegger bij handhaving van het beslag op grond van de door deze naar voren gebrachte omstandigheden zwaarder moet wegen dan het belang van de beslagene bij opheffing van het beslag. De Hoge Raad heeft hieraan toegevoegd dat een conservatoir beslag naar zijn aard ertoe strekt om te waarborgen dat, zo een vooralsnog niet vaststaande vordering in de bodemprocedure wordt toegewezen, verhaal mogelijk zal zijn, terwijl de beslaglegger bij afwijzing van de vordering zal kunnen worden aangesproken voor de door het beslag ontstane schade.
5.7.
De rechtbank is van oordeel dat met inachtneming en na afweging van de wederzijdse belangen geen sprake is van een summierlijk ondeugdelijke vordering. De rechtbank motiveert dit als volgt.
5.8.
De vordering van Nomenta steunt voornamelijk op haar stelling dat de vordering waarvoor beslag is gelegd op grond van artikel 2.5 van de Settlement Agreement niet opeisbaar is. Artilux neemt echter gemotiveerd het standpunt in dat de vordering wel opeisbaar is, omdat de Settlement Agreement is ontbonden wegens verzuim van Nomenta. Uit de overgelegde correspondentie komt naar voren dat Nomenta erkent een bedrag verschuldigd te zijn aan Artilux maar dat partijen over de hoogte van het bedrag twisten. Verder blijkt uit de correspondentie dat getracht is tot een schikkingsovereenkomst te komen, maar dat bij gebreke van overeenstemming Artilux sommeert tot betaling van een bedrag € 219.721,38 (bij e-mail van 3 maart 2025). Vervolgens staat in een e-mail van de advocaat van Artilux van 12 maart 2025 het standpunt van Artilux weergegeven als volgt:
‘(…) all they do is time consuming activities with no results. They have received all related invoices, statements, payments. They are basically postponing everything as much they can’. Onder deze omstandigheden kan niet zonder meer gezegd worden dat Artilux geen opeisbare vordering heeft en dat sprake is van een summierlijk ondeugdelijke vordering. De beoordeling of de vordering al dan niet opeisbaar is vindt verder plaats in de hoofdzaak.
5.9.
Ook is geen sprake van een disproportioneel of onnodig beslag. Artilux heeft gemotiveerd weersproken dat het beslag disproportioneel is. Materieel gezien heeft het beslag kennelijk een bedrag van € 76.150,27 getroffen, zodat geen sprake is van een wanverhouding tussen de beslagen gelden en de begrote vordering. Ook merkt Artilux terecht op dat bij een kritieke liquiditeitssituatie het voor de hand lag dat Nomenta eerder actie zou hebben ondernomen om weer te kunnen beschikken over de gelden en dat Nomenta ook geen bankgarantie heeft willen stellen ter opheffing van het beslag. De stelling van Nomenta dat het beslag rust op een aanzienlijk deel van haar liquide middelen is ook verder niet geconcretiseerd, zodat dit gestelde belang niet ten gunste van Nomenta kan worden meegewogen. Een eventuele verhaalsmogelijkheid bij faillissement acht de rechtbank niet relevant, omdat van een faillissement geen sprake is. Artilux heeft ook belang bij de door het beslag gecreëerde verhaalsmogelijkheid buiten een mogelijk faillissement om. Nomenta wijst verder in dit verband op de partij- en proceshouding van Artilux. Uit de overlegde stukken blijkt echter niet evident dat het aan Artilux te wijten is dat geen overeenstemming over de te betalen gelden is bereikt. Beide partijen hebben tot op zekere hoogte opengestaan voor overleg. Tegenover het belang van Nomenta staat dus onverminderd het belang van Artilux voor het behouden van verhaalszekerheid.
5.10.
Een beslag kan als onnodig worden aangemerkt als de beslagdebiteur voldoende verhaal biedt en niet valt te vrezen dat dit verhaal illusoir zal worden gemaakt door verduistering. Nomenta stelt enkel dat daar sprake van is, maar onderbouwt deze stelling niet, terwijl Artilux dit wel weerspreekt. De rechtbank gaat hier daarom aan voorbij.
5.11.
De rechtbank volgt Nomenta ook niet in haar betoog dat het beslag vexatoir van aard is. De vraag of het leggen van een conservatoir beslag als misbruik van recht en daarom als onrechtmatig moet worden aangemerkt, moet in beginsel worden beantwoord aan de hand van de concrete omstandigheden ten tijde van de beslaglegging, waaronder de hoogte van de te verhalen vordering, de waarde van de beslagen goederen en de eventueel onevenredig zware wijze waarop de schuldenaar door het beslag op (een van) die goederen in zijn belangen wordt getroffen. Deze omstandigheden brengen in onderhavig geval niet mee dat het beslag als onrechtmatig moet worden aangemerkt. Alhoewel het beslag vanzelfsprekend een negatieve invloed heeft op de bedrijfsvoering van Nomenta, blijkt zonder nadere onderbouwing niet dat Artilux enkel en alleen beslag heeft laten leggen als drukmiddel en om Nomenta te schaden, zoals zij stelt. Daarvoor is een nadere onderbouwing nodig, en die ontbreekt. Dit geldt eveneens voor de stelling van Nomenta dat Artilux lichtvaardig en rucksichtslos heeft gehandeld.
5.12.
Wat betreft het beroep op artikel 21 Rv Pro overweegt de rechtbank dat de dagvaarding gelet op het gehele feitencomplex summier is, maar dat is onvoldoende om ten grondslag te leggen aan de opheffing van het beslag voor een vordering die niet summierlijk ondeugdelijk is gebleken. Vooralsnog is in elk geval niet gebleken van een flagrante schending van artikel 21 Rv Pro die opheffing van het beslag op die grond zou rechtvaardigen.
5.13.
Nomenta wordt in het ongelijk gesteld partij en wordt daarom in de proceskosten veroordeeld. De kosten aan de zijde van Artilux worden begroot op het salaris van de advocaat van € 614,00.

6.De beslissing

De rechtbank
in het incident
6.1.
wijst de vorderingen van Nomenta af,
6.2.
veroordeelt Nomenta in de proceskosten van € 614,00,
in de hoofdzaak
6.3.
bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van 19 november 2025 voor conclusie van antwoord in reconventie.
Dit vonnis is gewezen door mr. P.M. Wamsteker en in het openbaar uitgesproken op 22 oktober 2025.