De werknemer trad in juli 2022 in dienst bij de werkgever als leerling zinkbewerker en werd in april 2024 op staande voet ontslagen. Na een opname in een verslavingskliniek werd hij in oktober 2024 opnieuw in dienst genomen met een proeftijdbeding. In april 2025 ontving de werknemer een whatsapp-bericht waarin de werkgever het dienstverband per direct beëindigde, waarna de werknemer niet meer op het werk verscheen.
De werknemer verzocht de kantonrechter om onder meer een verklaring voor recht dat het ontslag onrechtmatig was, toekenning van een billijke vergoeding, transitievergoeding, schadevergoeding en betaling van achterstallig loon. De werkgever stelde dat de verzoeken niet-ontvankelijk waren vanwege het verstrijken van de vervaltermijn van twee maanden na het ontslag.
De kantonrechter oordeelde dat het dienstverband op 16 april 2025 is geëindigd en dat het verzoekschrift pas op 24 juni 2025 is ingediend, na het verstrijken van de vervaltermijn. Er waren onvoldoende omstandigheden om deze termijn te passeren. De verzoeken om onrechtmatigheid en billijke vergoeding werden daarom afgewezen. Ook het verzoek tot schadevergoeding wegens schending van de zorgplicht werd afgewezen, omdat dit niet losstaat van het ontslag en de billijke vergoeding exclusief is.
Het verzoek tot betaling van achterstallig loon werd afgewezen omdat partijen hadden afgesproken dat alleen daadwerkelijk gewerkte uren werden betaald. Wel werd de werkgever veroordeeld tot betaling van € 694,76 bruto voor 44 niet-genoten vakantie-uren en € 1.181,57 bruto wegens onterechte inhoudingen op de eindafrekening van april 2024. De werkgever moet aangepaste eindafrekeningen verstrekken. Partijen dragen ieder hun eigen proceskosten.