ECLI:NL:RBNHO:2025:10478

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
10 september 2025
Publicatiedatum
11 september 2025
Zaaknummer
11091243 \ CV EXPL 24-2801
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Bodemzaak
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7 Verordening (EG) nr. 261/2004Art. 1:349 lid 1 BWArt. 1:253k BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toewijzing compensatiepassagiers wegens vertraagde vlucht van vervoerder Royal Air Maroc

De passagiers hebben een vervoersovereenkomst met Royal Air Maroc gesloten voor een vlucht van Amsterdam naar Nador op 31 juli 2022, die met meer dan drie uur vertraging werd uitgevoerd. Zij vorderden compensatie op grond van Verordening (EG) nr. 261/2004. De vervoerder heeft tijdens de mondelinge behandeling zijn verweer tegen de hoofdsom ingetrokken, waardoor de kantonrechter de compensatie toewijst.

De procedure kende een verloop met diverse schriftelijke stukken en een mondelinge behandeling op 18 augustus 2025. De kantonrechter oordeelde dat de dagvaarding, ondanks formele tekortkomingen in de hoedanigheid van een van de passagiers als wettelijk vertegenwoordiger van een minderjarige, toelaatbaar was vanwege de duidelijkheid voor de vervoerder en de tendens tot deformalisering.

De vervoerder betwistte aanvankelijk de vordering en stelde dat de passagiers onjuist hadden gedagvaard en dat de vordering via zijn website had moeten worden ingediend. De kantonrechter verwierp deze bezwaren, onder meer omdat de vervoerder inhoudelijk verweer voerde en dit later introk. De vordering tot vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten werd afgewezen wegens onvoldoende onderbouwing.

De vervoerder wordt veroordeeld tot betaling van € 1.200,- plus wettelijke rente, proceskosten en nakosten. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

Uitkomst: De vervoerder Royal Air Maroc wordt veroordeeld tot betaling van € 1.200,- compensatie met rente en proceskosten wegens een vluchtvertraging van meer dan drie uur.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Handel, Kanton en Insolventie
locatie Haarlem
Zaaknr./rolnr.: 11091243 \ CV EXPL 24-2801
Uitspraakdatum: 10 september 2025
Vonnis van de kantonrechter in de zaak van:

1.[eiser 1]2. [eiser 2], handelende pro se en in hoedanigheid van wettelijk vertegenwoordiger van haar minderjarige kind [minderjarige]allen wonende te [plaats]

eisers
hierna gezamenlijk te noemen: de passagiers
gemachtigde: mr. E.C. Douma (De Groot Douma Vosmeijer & Frantzen Advocaten)
tegen
de rechtspersoon naar buitenlands recht
Royal Air Maroc
gevestigd te Schiphol
gedaagde
hierna te noemen: de vervoerder
gemachtigde: mr. T. Teke
De zaak in het kort
De passagiers hebben compensatie van de vervoerder gevorderd vanwege een vertraagde vlucht. De vervoerder heeft op de mondelinge behandeling zijn verweer tegen de hoofdsom ingetrokken. Daarom wordt deze toegewezen. Er is geen aanleiding om de passagiers te veroordelen in de proceskosten.

1.Het procesverloop

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding;
- de conclusie van antwoord;
- de conclusie van repliek;
- de conclusie van dupliek;
- het tussenvonnis van 4 juni 2025 waarin mondelinge behandeling is bepaald;
- het bericht, ontvangen 5 augustus 2025, met aanvullende productie van de passagiers;
- het bericht, ontvangen 6 augustus 2025, met aanvullende productie van de vervoerder;
- de mondelinge behandeling van 18 augustus 2025, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De feiten

2.1.
De passagiers hebben met de vervoerder een vervoersovereenkomst gesloten. Op grond daarvan moest de vervoerder hen op 31 juli 2022 vervoeren van Amsterdam-Schiphol Airport naar Nador, Marokko, met vlucht AT1681 (hierna: de vlucht).
2.2.
De vervoerder heeft de vlucht vertraagd uitgevoerd. De passagiers zijn met een vertraging van meer dan drie uur aangekomen op de eindbestemming.
2.3.
De passagiers hebben daarom compensatie van de vervoerder gevorderd.
2.4.
De vervoerder heeft niet uitbetaald.

3.Het geschil

3.1.
De passagiers vorderen dat de vervoerder, bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis, veroordeeld zal worden tot betaling van:
- € 1.200,00, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf de dag van het incident tot aan de dag der algehele voldoening;
- € 217,80 aan buitengerechtelijke incassokosten, te vermeerderen met wettelijke rente;
- de proceskosten en de nakosten.
3.2.
De passagiers baseren hun vordering op de Verordening (EG) nr. 261/2004 (hierna: de Verordening) en de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: het Hof). De passagiers stellen dat de vervoerder hen vanwege de vertraging van de vlucht moet compenseren met een bedrag van € 400,- per persoon. [1]
3.3.
De vervoerder voert verweer. Op zijn verweer wordt ingegaan bij de beoordeling van het geschil.

4.De beoordeling

4.1.
De kantonrechter stelt ambtshalve vast dat zij bevoegd is om van de vordering kennis te nemen.
4.2.
De kantonrechter moet ook ambtshalve beoordelen of de passagiers in hun verzoek kunnen worden ontvangen. Vast staat dat [minderjarige] op het moment van dagvaarden niet bekwaam was om zelfstandig in rechte op te treden. Hij was immers minderjarig. De passagiers hebben niet (op de juiste wijze) in de kop van de dagvaarding vermeld dat passagier sub 2 de dagvaarding heeft ingesteld voor zichzelf en in hoedanigheid van wettelijk vertegenwoordiger van [minderjarige]. Wel hebben zij een machtiging van de kantonrechter overgelegd. [2]
4.3.
In beginsel is het aan de passagiers om in de juiste wijze in de dagvaarding aan te geven in welke hoedanigheid zij optreden en is het overleggen van een dergelijke machtiging onvoldoende om aan te nemen dat passagier sub 2 de dagvaarding ook namens [minderjarige] heeft ingesteld. Uit de processtukken en de verklaringen van de vervoerder ter zitting blijkt echter dat het ook voor de vervoerder duidelijk was dat passagier sub 2 mede in die hoedanigheid optrad.
4.4.
Daarom en vanwege de deformaliseringstendens in de rechtspraak van de Hoge Raad, [3] oordeelt de kantonrechter dat het feit dat in de dagvaarding niet staat vermeld dat passagier sub 2 mede in hoedanigheid van wettelijk vertegenwoordiger van haar minderjarige kind optreedt, in dit geval niet tot niet-ontvankelijkheid leidt. De dagvaarding zal daarom als verbeterd worden gelezen, in die zin dat deze is ingediend door passagier sub 2 voor zichzelf én in hoedanigheid van wettelijk vertegenwoordiger van haar minderjarige kind. Dit is in de kop van dit vonnis verwerkt.
4.5.
De vervoerder heeft op de zitting verklaard dat door de griffier genoteerd kan worden dat de vlucht met een vertraging van meer dan drie uur is uitgevoerd en dat het eerder gevoerde verweer ter zake van het ontbreken van verzuim onjuist is. Daarmee heeft de vervoerder naar het oordeel van de kantonrechter te kennen gegeven zijn verweer tegen de gevorderde hoofdsom en wettelijke rente niet langer te handhaven. Daarom zullen de hoofdsom en de daarover gevorderde wettelijke rente worden toegewezen.
4.6.
De vervoerder heeft aangevoerd dat hij rauwelijks is gedagvaard, hetgeen, zo begrijpt de kantonrechter, naar zijn inzicht gevolgen dient te hebben voor de incassokosten en de proceskosten. De onderhavige procedure is onnodig aanhangig gemaakt omdat de passagiers een procedure hadden kunnen voorkomen door de vordering op de juiste wijze in te dienen (via een formulier op zijn website). De passagiers hebben hun vorderingen echter niet ingediend via deze website, aldus de vervoerder. De passagiers hebben daar tegenin gebracht dat zij de vervoerder per e-mail hebben aangemaand. Zij verwijzen hierbij naar schermafbeeldingen van e-mails. De vervoerder betwist dat deze e-mails hem hebben bereikt. Het e-mailadres dat de passagiers zouden hebben gebruikt, verzendt altijd een automatisch antwoord. Hij heeft echter geen automatisch antwoord op deze vermeende e-mails gevonden.
4.7.
Voor zover de vervoerder heeft aangevoerd dat de passagiers de vorderingen via zijn website hadden moeten indienen, oordeelt de kantonrechter dat het indienen van een buitengerechtelijk verzoek tot compensatie in beginsel vormvrij is. Voor zover de vervoerder heeft betwist dat hij de e-mails van de passagiers heeft ontvangen, overweegt de kantonrechter dat de vervoerder in de schriftelijke procedure inhoudelijk verweer tegen de vordering heeft gevoerd, welk verweer hij eerst bij gelegenheid van de mondelinge behandeling heeft laten varen. Er is daarom geen reden om te veronderstellen dat de vervoerder de passagiers buiten rechte tegemoet zou zijn gekomen. Daarom ziet de kantonrechter geen aanleiding om de passagiers te veroordelen in de proceskosten.
4.8.
De passagiers hebben een bedrag aan buitengerechtelijke incassokosten gevorderd. De vervoerder heeft deze vordering gemotiveerd betwist. De vordering heeft geen betrekking op één van de situaties waarin het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten van toepassing is. Daarom moet de kantonrechter de vraag of buitengerechtelijke incassokosten verschuldigd zijn, toetsen aan het rapport Voorwerk II. De passagiers hebben onvoldoende onderbouwd dat de verrichte werkzaamheden meer hebben omvat dan de verzending van een enkele (eventueel herhaalde) aanmaning, het enkel doen van een schikkingsvoorstel, het inwinnen van eenvoudige inlichtingen of het op gebruikelijke wijze samenstellen van het dossier. De vordering tot vergoeding van buitengerechtelijke kosten (en de daarover gevorderde rente) moet daarom worden afgewezen.
4.9.
De vervoerder zal in het ongelijk worden gesteld. Daarom zal hij worden veroordeeld in de kosten van de procedure. Ook de nakosten worden toegewezen, voor zover deze kosten daadwerkelijk door de passagiers worden gemaakt.

5.De beslissingDe kantonrechter:

5.1.
veroordeelt de vervoerder tot betaling aan de passagiers van € 1.200,00, te vermeerderen met de wettelijke rente over dat bedrag vanaf 31 juli 2022, tot aan de dag van voldoening van dit bedrag;
5.2.
veroordeelt de vervoerder tot betaling van de proceskosten die aan de kant van de passagiers tot en met vandaag worden begroot op de bedragen zoals deze hieronder zijn gespecificeerd:
dagvaarding € 135,97;
griffierecht € 218,00;
salaris gemachtigde € 405,00;
5.3.
veroordeelt de vervoerder tot betaling van € 67,50 aan nakosten, voor zover de passagiers daadwerkelijk nakosten zullen maken;
5.4.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;
5.5.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. S. Kleij, kantonrechter en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van bovengenoemde datum in aanwezigheid van de griffier.
De griffier De kantonrechter

Voetnoten

1.Artikel 7 van Pro de Verordening.
2.Zoals bedoeld in artikel 1:349 lid 1 in Pro verbinding met artikel 1:253k van het Burgerlijk Wetboek.
3.Zie HR 22 oktober 2004, ECLI:NL:HR:2004:AP1435 en HR 13 december 2013, ECLI:NL:HR:2013:1881.