ECLI:NL:RBNHO:2025:10350

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
9 september 2025
Publicatiedatum
9 september 2025
Zaaknummer
C/15/366963 / JU RK 25/909
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van een minderjarige en toetsing van het perspectiefbesluit

Op 9 september 2025 heeft de Rechtbank Noord-Holland in Haarlem uitspraak gedaan in een zaak betreffende de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van een minderjarige bij de vader. De rechtbank oordeelde dat de moeder, door haar diepgewortelde problematiek en instabiliteit, niet in staat is om de minderjarige te bieden wat hij nodig heeft. De machtiging tot uithuisplaatsing, die eerder was verleend, werd verlengd tot 21 januari 2026, in het kader van de lopende ondertoezichtstelling. De rechtbank onderschreef het perspectiefbesluit van de gecertificeerde instelling (GI), waarin werd gesteld dat de minderjarige niet bij de moeder kan opgroeien. De moeder had verweer gevoerd tegen dit perspectiefbesluit, maar de rechtbank oordeelde dat de zorgen over haar situatie en de onveiligheid in de thuissituatie onverminderd aanwezig zijn. De vader daarentegen biedt de minderjarige de stabiliteit en zorg die hij nodig heeft, en de ontwikkeling van de minderjarige is sinds de uithuisplaatsing bij de vader positief veranderd. De rechtbank benadrukte dat het perspectiefbesluit niet betekent dat de moeder geen rol meer heeft in het leven van de minderjarige, maar dat dit afhankelijk is van de verbetering van haar situatie in de toekomst.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Familie- en Jeugdrecht
Locatie Haarlem
Zaaknummer: C/15/366963 / JU RK 25/909
Datum uitspraak: 9 september 2025
Beschikking van de meervoudige kamer over een verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
de gecertificeerde instelling
De Jeugd- & Gezinsbeschermers,
gevestigd in Amsterdam,
hierna te noemen: de GI,
over
[de minderjarige],
geboren op [geboortedatum] in [plaats] ,
hierna te noemen: [de minderjarige] .
De rechtbank merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder],
hierna te noemen: de moeder,
wonende in [plaats] ,
advocaat: mr. B. Stelling, kantoorhoudende in Haarlem,
en
[de vader],
hierna te noemen: de vader,
wonende in [plaats] ,
advocaat: mr. S.J.M. Bakker, kantoorhoudende in Heerhugowaard,
hierna gezamenlijk te noemen: de ouders.

1.Het verloop van de procedure

1.1.
De rechtbank neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
  • het verzoekschrift met bijlagen van de GI, ontvangen op 1 juli 2025;
  • de doorverwijzing van de moeder naar Mentaal Beter, ontvangen op 29 augustus 2025.
1.2.
Op 2 september 2025 vond de mondelinge behandeling met gesloten deuren plaats. Daarbij waren aanwezig:
  • de moeder, bijgestaan door haar advocaat;
  • de vader, bijgestaan door zijn advocaat;
- de GI, vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger van de GI] .

2.De feiten

2.1.
De moeder is belast met het ouderlijk gezag over [de minderjarige] . De vader heeft [de minderjarige] erkend na de geboorte.
2.2.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft [de minderjarige] op 21 januari 2025 onder toezicht gesteld tot 21 januari 2026.
2.3.
De kinderrechter heeft op 25 februari 2025 een spoedmachtiging verleend om [de minderjarige] tot 11 maart 2025 uit huis te plaatsen bij de vader. Op 7 maart 2025 heeft de kinderrechter een machtiging verleend om [de minderjarige] uit huis te plaatsen bij de vader tot 11 september 2025.
2.4.
Op basis van de machtiging tot uithuisplaatsing woont [de minderjarige] sinds 25 februari 2025 bij de vader. Voor de uithuisplaatsing woonde [de minderjarige] bij de moeder.

3.Het verzoek van de GI

3.1.
De GI heeft de rechtbank verzocht de machtiging uithuisplaatsing van [de minderjarige] bij de vader te verlengen voor de duur van de ondertoezichtstelling, te weten tot 21 januari 2026, en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. Ter onderbouwing van het verzoek heeft de GI in het verzoekschrift en ter zitting – samengevat en zakelijk weergegeven – het volgende naar voren gebracht.
3.2.
[de minderjarige] is in de thuissituatie bij de moeder langdurig blootgesteld aan intergenerationele problematiek, bestaande uit patronen van (emotionele) verwaarlozing, instabiele relaties en huiselijk geweld. Vermoedelijk is daardoor sprake van een onveilige hechtingsrelatie tussen [de minderjarige] en de moeder. Door de belaste voorgeschiedenis heeft [de minderjarige] een grote zorg- en opvoedbehoefte, waarbij hij veel aandacht vraagt en structuur, stabiliteit, veiligheid, geborgenheid en begeleiding van zijn opvoeders nodig heeft. De GI gunt de moeder een betekenisvolle rol in het leven van [de minderjarige] , maar ziet tegelijkertijd dat het haar niet lukt tegemoet te komen aan de verzwaarde behoeften van [de minderjarige] en hem anderszins te bieden wat hij nodig heeft. Al langere tijd is het leven van de moeder op verschillende leefgebieden instabiel. De zorgen over de psychische gezondheid en de persoonlijke problematiek van de moeder zijn ook nog onverminderd aanwezig. Daarbij blijft de GI zorgen houden over de verstoorde relatie tussen de moeder en haar (ex-)partner [(ex-)partner] . Zo heeft de GI recent (begin juli 2025) opnieuw een Veilig Thuis-melding ontvangen, waaruit blijkt dat de moeder de hulpdiensten heeft gebeld nadat zij door [(ex-)partner] was mishandeld en zichzelf had opgesloten op het toilet. Eerder oordeelde Veilig Thuis dat de relatie tussen de moeder en [(ex-)partner] gekenmerkt wordt door intiem terreur.
3.3.
Verder is van belang dat de moeder ambivalent is in het aangaan van de noodzakelijke hulpverlening en behandeling. Zo wilde zij in tweede instantie niet meer meewerken aan een gezinsopname en heeft zij hulp van de Blijf Groep niet aangenomen. Positief is dat de moeder recent op eigen initiatief is doorverwezen naar Mentaal Beter. Of zij deze behandeling zal aangaan en afronden, is nog onzeker. Als zij de behandeling aangaat, zou duidelijk kunnen worden welke onderliggende patronen er bij de moeder aanwezig zijn en hoe haar rol in het leven van [de minderjarige] vormgegeven moet worden. De verwachting is echter niet meer gerechtvaardigd dat de moeder (op korte termijn) wezenlijke stappen zal zetten in het verbeteren van de situatie voor [de minderjarige] . De vader is op dit moment daarentegen wel in staat [de minderjarige] te bieden wat hij nodig heeft en hij maakt daarbij gebruik van de opvoedondersteuning vanuit Kenter en de ondersteuning vanuit het netwerk. [de minderjarige] is sinds de uithuisplaatsing bij de vader beter te sturen in zijn gedrag, rustiger en komt weer toe aan zijn ontwikkelingstaken. Daar staat tegenover dat [de minderjarige] lijdt onder de situatie en behoefte heeft aan duidelijkheid over zijn perspectief. Bij deze stand van zaken is de GI van mening dat het woonperspectief van [de minderjarige] niet meer bij de moeder ligt en dat (in het kader van de ondertoezichtstelling) niet langer zal worden toegewerkt naar een terugplaatsing bij de moeder. Bij brief van 27 juni 2025 heeft de GI het perspectiefbesluit aan de moeder kenbaar gemaakt.
3.4.
Voor de komende periode is het noodzakelijk dat:
  • [de minderjarige] voor de lange termijn in een stabiele, veilige en voorspelbare opvoedomgeving verblijft;
  • de hulpverlening wordt voortgezet en geïntensiveerd, met expliciete voorwaarden en duidelijke kaders voor beide ouders;
  • de ontwikkeling van [de minderjarige] nauwgezet wordt gevolgd, met specifieke aandacht voor trauma, hechting, sociaal-emotionele ontwikkeling en gedragsregulatie;
  • de beschikbaarheid van een steunend en veilig netwerk voor de vader (verder) wordt onderzocht;
  • de GI (verder) onderzoekt welke rol de moeder kan gaan spelen in het leven van [de minderjarige] .

4.De standpunten van de ouders

De moeder
4.1.
De moeder heeft ter zitting geen verweer gevoerd tegen het verzoek tot verlenging van de uithuisplaatsing van [de minderjarige] bij de vader. Door en namens de moeder is wel verweer gevoerd tegen het perspectiefbesluit van de GI van 27 juni 2025.
4.2.
Daartoe heeft de moeder in de kern gesteld dat het perspectiefbesluit prematuur is genomen. De moeder is steeds degene geweest die zich tot de hulpverlening heeft gewend om de situatie voor [de minderjarige] te verbeteren. Nog los van de uithuisplaatsing en de beperkte omgang met [de minderjarige] , heeft de moeder de afgelopen periode veel te verduren gehad, wat haar niet in de koude kleren is gaan zitten. Zij heeft zich onlangs echter herpakt en positieve stappen vooruitgezet, in het belang van [de minderjarige] . De moeder ziet in dat zij ondersteuning nodig heeft bij wat zij (in het verleden) heeft meegemaakt en heeft zich daarom gewend tot Mentaal Beter. Ook vanuit Kenter wordt op korte termijn op initiatief van de moeder ingezet op hulpverlening gericht op traumasensitief opvoeden. Hiernaast heeft de moeder ook op persoonlijk vlak positieve stappen gemaakt. Zo heeft zij recent de relatie met [(ex-)partner] verbroken, onderhoudt ze een constructieve samenwerkingsrelatie met zowel de vader als de GI en zijn de zorgen over haar middelengebruik afgenomen. Uit dit alles blijkt dat de moeder zich op alle fronten inzet voor het verbeteren van de situatie voor [de minderjarige] . Gelet op het ingrijpende en definitieve karakter van het perspectiefbesluit, in het licht bezien van de positieve ontwikkelingen van de moeder de afgelopen periode, moet zij de mogelijkheid worden geboden de positieve ontwikkelingen voort te zetten en te laten zien dat het perspectief van [de minderjarige] bij haar ligt.
De vader
4.3.
Door en namens de vader is ter zitting geen verweer gevoerd tegen het verzoek van de GI om uithuisplaatsing en het perspectiefbesluit. De vader onderschrijft de zorgen over de moeder en de ambivalentie in het aanvaarden van hulpverlening door de moeder. Toch vindt de vader het positief dat de moeder zelf recent hulpverlening heeft gezocht. De vader gunt [de minderjarige] zijn moeder en zal er alles aan doen om dat contact tussen hen te behouden. Desgevraagd heeft de advocaat van de vader aangegeven op korte termijn bij de rechtbank een verzoek tot het (mede) verkrijgen van het gezag over [de minderjarige] en tot bepaling van zijn hoofdverblijfplaats bij de vader in te dienen.

5.De beoordeling door de rechtbank

5.1.
De GI heeft op 27 juni 2025 aan de moeder het besluit kenbaar gemaakt waar het opgroeiperspectief van [de minderjarige] moet komen te liggen; het perspectiefbesluit. De GI heeft in dit besluit aangegeven dat [de minderjarige] niet bij de moeder kan opgroeien en dat er niet meer wordt toegewerkt naar een thuisplaatsing bij haar.
5.2.
Uit het arrest van de Hoge Raad van 1 september 2023 (ECLI:NL:HR:2023:1148) volgt dat de wet niet voorziet in een zelfstandige rechtsingang waarin een perspectiefbesluit als zodanig aan de rechter ter beoordeling kan worden voorgelegd. In dit arrest heeft de Hoge Raad echter ook overwogen dat de rechter een perspectiefbesluit wel zal moeten beoordelen indien dit noodzakelijk is in verband met beslissingen, maatregelen en verzoeken die (mede) voortvloeien uit of samenhangen met het standpunt van de GI over het opgroeiperspectief van de minderjarige. Dit is in dit geval aan de orde bij de beoordeling van het verzoek tot verlenging van de machtiging uithuisplaatsing van [de minderjarige] . Hierna zal dan ook worden overgegaan tot het beoordelen van verzoek tot verlenging van de machtiging uithuisplaatsing en het perspectiefbesluit in het licht bezien van de door de GI verzochte verlenging.
5.3.
Uit de stukken en wat op de zitting aan de orde is geweest, blijkt dat [de minderjarige] een bovengemiddelde zorg- en opvoedbehoefte heeft, voortkomend uit de forse onveiligheid die [de minderjarige] in de thuissituatie bij de moeder heeft gekend. Al op jonge leeftijd is [de minderjarige] namelijk blootgesteld aan een opvoedomgeving bij de moeder die gekenmerkt wordt door patronen van intergenerationele problematiek, bestaande uit huiselijk geweld, verwaarlozing en een gebrek aan (een) beschikbare, stabiele en betrouwbare opvoeder(s), ingegeven door de aanwezigheid van persoonlijke problematiek. Duidelijk is geworden dat de forse zorgen over de thuissituatie bij de moeder en haar persoonlijke problematiek nog onverminderd aanwezig zijn. Het incident van 11 juli 2025, waarbij de moeder na een geweldsuitbarsting van haar ex-partner [(ex-)partner] zichzelf heeft opgesloten op het toilet en de politie heeft ingeschakeld, wijst op de aanhoudende onveiligheid in de thuissituatie van de moeder, in de eerste plaats voor [de minderjarige] , maar ook in zeer grote mate voor de moeder zelf. Dat de moeder doodsbang is voor [(ex-)partner] , zoals zij ter zitting zichtbaar geëmotioneerd naar voren heeft gebracht, is voor de rechtbank dan ook volkomen invoelbaar. Naast de hiervoor genoemde zorgen bestaat de onveiligheid in de thuisomgeving bij de moeder uit de persoonlijke (psychische) problematiek van de moeder, waaraan [de minderjarige] blijvend wordt blootgesteld. De op de voorgrond liggende diepgewortelde patronen en problematiek van de moeder staan in de weg aan de goede uitoefening van haar moederrol en maken dat zij [de minderjarige] niet kan bieden wat hij nodig heeft. Het is positief dat de moeder openstaat voor het verbeteren en stabiliseren van haar situatie en zich op eigen initiatief heeft aangemeld bij Mentaal Beter. Er wordt echter een patroon gezien waarbij de moeder wisselend is (ook nog zeer recent) in het accepteren en aangaan van de noodzakelijke hulpverlening voor haarzelf, ter verbetering van haar situatie. Gelet op de langdurige instabiliteit in de thuisomgeving bij de moeder, de aard van de problematiek waarmee de moeder kampt en het hulpverleningsverleden, is het niet aannemelijk dat de moeder binnen een voor [de minderjarige] aanvaardbare termijn in staat zal zijn tot een duurzame verbetering van de situatie te komen en de verzorging en opvoeding van [de minderjarige] weer zelfstandig op zich te nemen.
5.4.
De vader kan [de minderjarige] nu, althans binnen een voor [de minderjarige] aanvaardbare termijn, wel bieden wat hij nodig heeft en sluit voldoende aan bij zijn behoeften. Sinds de uithuisplaatsing bij de vader laat [de minderjarige] namelijk een stijgende lijn in zijn ontwikkeling zien, mede vanwege de inzet van de hulpverlening vanuit Kenter en de stabiliteit en veiligheid die hem in de thuisomgeving bij de vader worden geboden. Alle betrokkenen (waaronder de moeder) zijn het erover eens dat het gedrag van [de minderjarige] positief is veranderd: [de minderjarige] is rustiger, luistert beter en is ook beter aan te sturen door de volwassenen in zijn leven. Inmiddels volgt [de minderjarige] weer (bijna) volledig onderwijs op school. Aan de andere kant lijdt [de minderjarige] onder de aanhoudende onduidelijkheid die hij ervaart over de situatie met zijn ouders. Zo toont [de minderjarige] tekenen van verlatingsangst, vraagt hij voortdurend naar duidelijkheid over waar hij mag zijn en raakt hij van slag als hem die duidelijkheid niet wordt geboden of de situatie onverwacht (op het laatste moment) verandert. Het is daarom in het belang van [de minderjarige] noodzakelijk dat hij nu duidelijkheid krijgt over waar hij woont en dat vervolgens wordt bekeken wat een passende omgangsregeling tussen [de minderjarige] en de moeder is.
5.5.
Bij deze stand van zaken is aan de wettelijke vereisten [1] voor de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing voldaan. Het verzoek tot verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [de minderjarige] voor de duur van de lopende ondertoezichtstelling, te weten tot 21 januari 2026, wordt dan ook toegewezen en deze beslissing wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard. Daarnaast wordt het perspectiefbesluit van 27 juni 2025 onderschreven. Het perspectiefbesluit is in het licht van al het voorgaande – anders dan is betoogd door de moeder – in het belang van [de minderjarige] , voldoende onderbouwd en bovendien niet prematuur. De GI heeft dan ook op goede gronden dit perspectiefbesluit kunnen nemen.
5.6.
De zorgen van de moeder, gelegen in het feit dat zij wil dat er een mogelijkheid tot terugkeer bij haar is als haar situatie wezenlijk is verbeterd, zijn begrijpelijk. Het onderschrijven van het perspectiefbesluit betekent niet dat de moeder geen rol meer heeft in het leven van [de minderjarige] ; dat zal afhangen van de mate en aard van de verbetering van de situatie van de moeder in de toekomst. Voor de komende periode is voor [de minderjarige] van belang dat hij weet dat hij bij de vader mag opgroeien en daarin duidelijkheid en rust ervaart. Dit doet niet af aan de band die hij met de moeder heeft en de liefde die de moeder voor [de minderjarige] voelt. De rechtbank heeft er alle vertrouwen in dat de vader zich zal blijven inzetten voor het contact tussen [de minderjarige] en de moeder.
5.7.
De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.

6.De beslissing

De rechtbank:
6.1.
verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van
[de minderjarige]bij de vader, met ingang van 11 september 2025 tot 21 januari 2026 (de einddatum van de lopende ondertoezichtstelling);
6.2.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beschikking is gegeven door mr. S. Ok (voorzitter), mr. J.C.M. Swinkels en mr. M.M. Cuypers, kinderrechters, en in het openbaar uitgesproken op 9 september 2025, in aanwezigheid van mr. I.N. Inge als griffier.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Amsterdam. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Voetnoten

1.Artikel 1:265b, eerste lid, en artikel 1:265c, tweede lid, van het Burgerlijk Wetboek.