De zaak betreft een geschil over een naheffingsaanslag BPM van 19 september 2018 en een daarop volgende boetebeschikking. Eiser heeft verzocht om ambtshalve vermindering van de aanslag en om teruggaaf van betaalde BPM, welke verzoeken door verweerder zijn afgewezen. Eiser stelde beroep in tegen deze beslissingen.
De rechtbank oordeelt dat het beroep tegen de beslissing van 24 september 2021 (ambtshalve vermindering) niet-ontvankelijk is omdat deze beslissing niet vatbaar is voor bezwaar of beroep volgens de Algemene wet inzake rijksbelastingen. Het beroep tegen de afwijzing van het teruggaveverzoek van 13 oktober 2021 wordt ongegrond verklaard omdat eiser niet binnen de wettelijke termijn van dertien weken na het feitelijk niet langer ter beschikking staan van het motorrijtuig het verzoek heeft ingediend.
Daarnaast wijst de rechtbank het verzoek om schadevergoeding af omdat de naheffingsaanslag rechtens onaantastbaar is en het teruggaveverzoek ongegrond is. Een verzoek om immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn wordt eveneens afgewezen vanwege het ontbreken van bijzondere omstandigheden en het feit dat eiser en zijn gemachtigde wisten dat de verzoeken niet konden slagen.