Overwegingen
1. Eiser heeft, als ondernemer, gedurende het jaar 2018 [werkzaamheden 1] ( [werkzaamheden 1] ) en [werkzaamheden 2] ( [werkzaamheden 2] ) verricht.
2. Daarnaast was eiser gedurende het jaar 2018 als [functie 1] in dienstbetrekking bij [stichting] en [instelling 1] (hierna: [instelling 1] ). De inkomsten uit deze dienstbetrekkingen bedroegen respectievelijk € 28.109 en € 6.894.
3. In de aangifte IB/PVV over het jaar 2018 heeft eiser een bedrag van € 32.735 als belastbare winst uit onderneming aangegeven. In dit bedrag zijn de voordelen behaald met de [werkzaamheden 1] en de [werkzaamheden 2] en de genoten lonen uit de dienstbetrekkingen met [stichting] en [instelling 1] begrepen. Tevens is een bedrag van € 12.905 aan kosten in aftrek gebracht, waaronder een bedrag van € 5.147 aan ‘huisvestingskosten’.
4. Verweerder heeft op 27 juli 2022 vragen aan eiser gesteld over de ingediende aangifte. In navolging hiervan hebben partijen met elkaar gecorrespondeerd waarbij eiser stukken heeft overgelegd.
5. Verweerder heeft eiser bij brief van 2 november 2022 medegedeeld dat hij van de aangifte zal afwijken.
6. Verweerder heeft met dagtekening 24 november 2022 de aanslag IB/PVV 2018 aan eiser opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 40.592, bestaande uit (onder meer) een belastbare winst uit onderneming van € 7.119. Verweerder heeft de genoten lonen van [stichting] en [instelling 1] aangemerkt als loon uit dienstbetrekking en de aftrek van kosten beperkt tot een bedrag van € 7.717.
7. Op 30 december 2022 heeft eiser (pro forma) bezwaar gemaakt tegen de aanslag. In het bezwaarschrift is vermeld dat een nadere motivering wordt nagestuurd.
8. Op 1 maart 2023 heeft verweerder eiser per e-mailbericht verzocht het bezwaarschrift binnen twee weken nader te motiveren. Eiser heeft hier niet op gereageerd.
9. Met dagtekening 21 maart 2023 heeft verweerder de voorgenomen uitspraak op bezwaar naar eiser gestuurd. Verweerder heeft eiser daarbij nogmaals in de gelegenheid gesteld om zijn bezwaarschrift nader te motiveren en heeft hiervoor een termijn van twee weken gegeven. Ook heeft hij eiser verzocht om binnen (diezelfde) twee weken aan te geven of hij gehoord wenst te worden. Eiser heeft hier niet op gereageerd.
10. Met dagtekening 13 april 2023 heeft verweerder uitspraak op bezwaar gedaan.
11. Op 13 april 2023 om 17:01 uur heeft eiser per e-mailbericht een nadere motivatie (van zijn bezwaar) aan verweerder gestuurd. Als bijlage bij het e-mailbericht zijn bewijsstukken van huurkosten gevoegd.
12. Verweerder heeft hier op 17 april 2023 op gereageerd en aangegeven de motivering niet meer mee te kunnen nemen bij de beoordeling van het bezwaar, omdat al uitspraak op bezwaar is gedaan op 13 april 2023. Verweerder heeft eiser verzocht aan te geven of hij wenst dat de nadere motivering wordt doorgezonden naar de rechtbank als beroepschrift gericht tegen de uitspraak op bezwaar of dat de nadere motivering in behandeling zal worden genomen als verzoek om ambtshalve vermindering (door verweerder).
13. Op 16 mei 2023 heeft eiser verweerder per e-mail bericht dat de uitspraak op bezwaar op 24 april 2023 is ontvangen en dat hij hiertegen zelf beroep zal instellen.
14. In geschil is het antwoord op de vraag of het uit dienstbetrekking bij [instelling 1] genoten loon (€ 6.864) voor de inkomstenbelasting behoort tot de winst uit onderneming. Eiser beantwoordt deze vraag bevestigend. Verweerder beantwoordt deze vraag ontkennend.
15. Op de zitting heeft eiser de in het beroepschrift aangevoerde gronden ten aanzien van de inkomsten van [stichting] ingetrokken.
16. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat, naar aanleiding van in de beroepsfase overgelegde betalingsbewijzen, (alsnog) een bedrag van € 3.900 aan huurkosten ten laste van de winst mag worden gebracht. Op de zitting heeft eiser aangegeven hiermee akkoord te gaan, en voor het meerdere zijn gronden in te trekken. Het beroep is reeds daarom gegrond. Partijen houdt nog wel verdeeld of recht bestaat op een proceskostenvergoeding in beroep.
17. Voor het overige verwijst de rechtbank naar de gedingstukken.
Beoordeling van het geschil
Vooraf
18. Tussen partijen is niet in geschil dat eiser winst uit onderneming geniet met de [werkzaamheden 1] en de [werkzaamheden 2] en dat deze werkzaamheden tezamen één onderneming (hierna: de onderneming) vormen.
19. Eiser betoogt dat het loon genoten uit de dienstbetrekking bij [instelling 1] (€ 6.864) door de absorptietheorie behoort tot de winst uit onderneming. De werkzaamheden voor [instelling 1] en de onderneming betreffen soortgelijke activiteiten en de daarvoor benodigde vaardigheden zijn vergelijkbaar. Eiser is [functie 2] en voor alle verrichte werkzaamheden speelt dit een belangrijke rol. Ook nemen de werkzaamheden voor [instelling 1] een ondergeschikte plaats in, aldus eiser.
20. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat het genoten loon niet opgaat in de winst uit onderneming van eiser.
21. Volgens vaste jurisprudentie kan loon uit dienstbetrekking (zoals in de onderhavige situatie ontvangen van [instelling 1] ) winst uit onderneming vormen, indien sprake is van een situatie waarin (i) er een nauwe samenhang bestaat tussen de werkzaamheden verricht in dienstbetrekking en de werkzaamheden verricht als ondernemer en (ii) de werkzaamheden in dienstbetrekking in het geheel van de ondernemersactiviteiten een ondergeschikte plaats innemen.
22. Naar het oordeel van de rechtbank zijn beide voorwaarden niet vervuld. Eiser heeft onvoldoende feiten en omstandigheden gesteld die de conclusie rechtvaardigen dat de inkomsten uit het dienstverband bij [instelling 1] als winst uit onderneming kunnen worden aangemerkt. Eiser heeft wat betreft de inhoud van zijn werkzaamheden slechts verklaard dat hij voor alle werkzaamheden (als ondernemer en werknemer) is gevraagd omdat hij [functie 2] is. Dit is onvoldoende om een nauwe samenhang aan te nemen. De bij deze stelling overgelegde verklaring van een andere [instelling 2] ( [instelling 2] ) kan de rechtbank bovendien niet plaatsen. Hetgeen eiser heeft aangevoerd ten aanzien van de ondergeschiktheid, dat het inkomen van [instelling 1] 11,7 % bedraagt van het totale genoten inkomen in het jaar 2018, is bovendien onvoldoende om te kunnen concluderen dat sprake is van ondergeschiktheid.
23. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat de inkomsten uit de dienstbetrekking bij [instelling 1] geen winst uit onderneming vormen.
24. Nu alsnog een bedrag van € 3.900 aan huurkosten ten laste van de winst mag worden gebracht (zie 16), zal de rechtbank het beroep gegrond verklaren en de winst uit onderneming als volgt vaststellen:
Omzet € 23.276
Kosten (€ 7.717 + € 3.900) € 11.617 -/-
Winst voor ondernemersaftrek € 11.659
Zelfstandigenaftrek € 7.280 -/-
Winst voor MKB-winstvrijstelling € 4.379
MKB-winstvrijstelling (14% van de winst) € 614 -/-
Belastbare winst uit onderneming € 3.765
25. Voorgaande betekent dat de aanslag dient te worden verminderd tot een berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 37.238 (= € 40.592 -/- (€ 7.119 -/- € 3.765)).
26. De in rekening gebrachte belastingrente wordt verminderd overeenkomstig de vermindering van de aanslag.
27. Eiser heeft verzocht om een proceskostenvergoeding. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat geen recht bestaat op een proceskostenvergoeding gezien de nalatigheid van eiser met betrekking tot het overleggen van bewijsstukken.
28. Eiser heeft na uitdrukkelijke verzoeken van verweerder in de fase van de aanslagregeling en in de bezwaarfase geen bewijsstukken voor de huurkosten overgelegd. Pas nadat verweerder uitspraak op bezwaar had gedaan, heeft eiser de betreffende bewijsstukken alsnog gestuurd naar verweerder. Op basis van deze bewijsstukken kon in de beroepsfase alsnog worden vastgesteld dat eiser in aanmerking kwam voor de aftrek. De noodzaak tot het instellen van het beroep vloeide dus uitsluitend voort uit de handelswijze van eiser (zie HR 12 mei 2006, ECLI:NL:HR:2006:AX0985). Eiser heeft geen afdoende verklaring kunnen geven waarom hij de bewijsstukken niet op een eerder moment had kunnen inbrengen. Voor een veroordeling in de kosten op de voet van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht vindt de rechtbank daarom geen aanleiding.