Uitspraak
Rechtbank noord-holland
uitspraak van de enkelvoudige douanekamer van 26 maart 2024 in de zaak tussen
[eiser] , wonende te [woonplaats] , eiser,
de inspecteur van Douane, kantoor Schiphol, verweerder.
Procesverloop
Overwegingen
Antwoord: Istanbul , Turkije .
Antwoord: Deels gekocht bij een kennis juwelier in Islahlye Turkije , 9 gouden armbanden gekregen van mijn familie in Turkije .
Antwoord: Het ging heel snel van het pakken van mijn koffer tot ik door de douane meegenomen werd voor controle en ik wist echt niet dat ik het goud aan moest geven, en ik had het groene bord “Niets aan te geven” ook niet gezien.”
In geschil is of de utb terecht en voor het juiste bedrag aan eiser is uitgereikt, hetgeen eiser ontkent en verweerder bevestigt.
Subsidiair stelt eiser dat elf van de dertien armbanden terugkerende goederen zijn en dat ze daarom vrijgesteld zijn van invoerrechten en omzetbelasting. De utb kan daarom alleen standhouden voor twee gouden armbanden (met een totaal gewicht van 61,5 gram). Dit leidt tot vermindering van de utb tot € 561,90 (douanerecht € 59,77 en omzetbelasting € 502,13).
Verweerder betoogt dat eiser geen recht heeft op toepassing van de vrijstelling voor terugkerende goederen. De controlerend ambtenaar mocht om nader bewijs vragen omdat hij er, vanwege het ontbreken van gebruikssporen, redelijkerwijs aan kon twijfelen dat de armbanden Uniegoederen waren en dat deze met toepassing van de regeling terugkerende goederen konden worden toegelaten. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat de armbanden in Nederland zijn gekocht of dat er eerder invoerrechten zijn betaald
Verweerder bestrijdt het betoog van eiser dat hij, voordat hij door het groene kanaal is gegaan, is gevraagd naar een bepaalde plek te gaan en vervolgens is gecontroleerd. Daartoe heeft verweerder toegelicht dat de douane vluchtgegevens van alle vluchten krijgt en weet welke vluchten oorspronkelijk zijn vertrokken buiten de Unie en op welke bagageband de koffers van zo’n vlucht aankomen. Op basis van deze gegevens wordt gecontroleerd. Dit hoeft dan ook niet te worden omgeroepen. Verweerder benadrukt dat in het proces-verbaal staat dat eiser het groene kanaal heeft betreden. Verweerder gaat uit van de juistheid van de verklaring afgelegd tijdens het verhoor op 29 december 2020 . Wat eiser aanvoert over zijn mentale gesteldheid is geen reden is aan de juistheid te twijfelen.
Eiser heeft de bewijswaarde van dit proces-verbaal betwist en gesteld dat hij door stress en overspanning niet wist waarover hij verklaarde omdat hij ziek is, daarvoor medicijnen moest gebruiken en de medicatie in zijn ruimbagage zat waardoor hij deze twee dagen niet heeft kunnen nemen. Ten bewijze van zijn medische toestand heeft eiser een verklaring van [naam 4] , psychiater bij [organisatie] , overgelegd van 6 juni 2023, waarin deze verklaart dat eiser in zorg is bij [organisatie] vanaf 17 juni 2021, eiser de diagnose post traumatisch stress stoornis heeft en aan hem de volgende medicatie is voorgeschreven: Citalopram 40 mg en Dipiperon 80 mg.
Deze verklaring ondersteunt echter niet dat eiser op 29 december 2020 niet in staat was een verklaring af te leggen. In het proces-verbaal van 1 januari 2021 is niet opgenomen dat eiser een verwarde indruk maakte, ook niet onder “bijzondere omstandigheden”. De rechtbank zal daarom wel waarde hechten aan hetgeen in de processen-verbaal is opgenomen. Niet is gebleken dat de verbalisanten bij het verhoor onzorgvuldig zijn geweest.
Beslissing
- verklaart het beroep ongegrond;
- veroordeelt de Staat (de minister van Justitie en Veiligheid) tot vergoeding van immateriële schade voor een bedrag van € 1.000;
- veroordeelt de Staat (de minister van Justitie en Veiligheid) in de proceskosten van eiser voor een bedrag van € 218,75; en
- draagt de Staat (de minister van Justitie en Veiligheid) op het betaalde griffierecht van € 181 te vergoeden.