ECLI:NL:RBNHO:2024:1688
Rechtbank Noord-Holland
- Bodemzaak
- Rechtspraak.nl
Toepasselijkheid Verordening 261/2004 bij annulering vlucht vanuit derde land na Brexit
De rechtbank Noord-Holland behandelde een civiele zaak waarin passagiers compensatie vorderden op grond van Verordening (EG) nr. 261/2004 wegens annulering van een vlucht uitgevoerd door British Airways Plc, een in het Verenigd Koninkrijk gevestigde luchtvaartmaatschappij.
De kantonrechter onderzocht ambtshalve de toepasselijkheid van de Verordening, waarbij werd vastgesteld dat de vlucht van passagier 1 vanuit Lagos (een derde land) naar een EU-luchthaven niet onder de Verordening valt, omdat de luchtvaartmaatschappij niet als communautaire luchtvaartmaatschappij kan worden aangemerkt na het einde van het Brexit-overgangsjaar. Hierdoor werd de vordering van passagier 1 afgewezen.
Voor passagiers 2 en 3 werd vastgesteld dat zij reeds een bedrag van €1.299,18 hadden ontvangen, maar een deel daarvan (€82,98) nog niet was voldaan. Dit bedrag werd toegewezen met wettelijke rente. De vordering tot vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten werd afgewezen omdat onvoldoende onderbouwing was geleverd dat meer dan standaard incassowerkzaamheden waren verricht.
De proceskosten werden gecompenseerd, waarbij iedere partij haar eigen kosten draagt. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad verklaard.
Uitkomst: De vervoerder moet €82,89 plus wettelijke rente betalen aan passagiers 2 en 3; vordering passagier 1 wordt afgewezen.