Uitspraak
RECHTBANK NOORD-HOLLAND
1.De vordering
€ 1.455.862,44.
2.Het verloop van de procedure
16 maart 2018. Dit betrof een zogeheten regiezitting. Het onderzoek is toen geschorst voor onbepaalde tijd. Vervolgens is het onderzoek op de terechtzitting op 16 augustus 2022 opnieuw aangevangen. Veroordeelde was niet verschenen. Op die terechtzitting was wel aanwezig de uitdrukkelijk gemachtigde raadsman, mr. P. Beijen, advocaat te Amsterdam. Ter gelegenheid van die zitting heeft de officier van justitie de ontnemingsvordering naar boven bijgesteld tot een bedrag van € 1.455.862,44. Op deze zitting heeft de rechtbank de behandeling ter terechtzitting aangehouden voor onbepaalde tijd en beslist dat de zaak zal worden verwezen naar de rechter-commissaris voor het horen van de getuige [getuige 1] en heeft de rechtbank bepaald dat twee schriftelijke rondes worden gehouden.
3.Het standpunt van de officier van justitie
16 augustus 2022. De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het berekenen van het wederrechtelijk verkregen voordeel over de periode voorafgaand aan de wetswijziging van artikel 36e Sr op 1 juli 2011 niet in strijd is met het wettelijk systeem en dat veroordeelde door het afgeven door de rechter-commissaris van een machtiging strafrechtelijk financieel onderzoek (SFO), welk onderzoek vervolgens heeft plaatsgevonden, niet in enig belang is geschaad. Ook zonder de wetswijziging was het in deze zaak immers mogelijk het wederrechtelijk verkregen voordeel voor andere feiten en over een langere periode te berekenen.
4.Het standpunt van veroordeelde en zijn raadsman
15 december 2015. De bewezenverklaring heeft betrekking op een feit dat wordt bedreigd met een geldboete van de vijfde categorie.
1 juli 2011, brengt artikel 1, eerste lid, Sr mee dat artikel 36e Sr (oud) van toepassing is op de vordering van de officier van justitie. De rechtbank verwijst in dit verband op het arrest van de Hoge Raad van 29 november 2016 (kenmerk: ECLI:NL:HR:2016:2714).
15 december 2015 een totaalbedrag van € 371.717,- aan contante stortingen op de verschillende bankrekeningen van veroordeelde, [getuige 1] en [bedrijf 1] zijn verricht [14] . De verdediging heeft zich voor enkele bedragen gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank en heeft zich daarnaast op het standpunt gesteld dat bedragen gestort op rekeningen van [getuige 1] en stortingen van vóór 11 juli 2011 niet als wederrechtelijk voordeel aangemerkt kunnen worden.
6.Vaststelling van het wederrechtelijk verkregen voordeel
€ 1.435.862,44.
7.Toepasselijke wettelijke bepaling
8.Beslissing
€ 1.435.862,44(éénmiljoen vierhonderdvijfendertigduizend achthonderdtweeënzestig euro en vierenveertig cent).
€ 1.435.862,44 (éénmiljoen vierhonderdvijfendertigduizend achthonderdtweeënzestig euro en vierenveertig cent) ter ontneming van door hem wederrechtelijk verkregen voordeel.