Verzoekster, verdachte in een strafzaak, diende een wrakingsverzoek in tegen alle rechters van team Straf en tegen degenen die betrokken waren bij beslissingen over haar voorlopige hechtenis. De wrakingskamer oordeelt dat het verzoek kennelijk niet-ontvankelijk is omdat het verzoek niet gericht kan zijn tegen alle teamleden en bovendien te laat is ingediend, aangezien de laatste beslissing over voorlopige hechtenis op 18 september 2024 was en het verzoek pas op 1 oktober 2024 werd gedateerd en op 7 oktober 2024 ontvangen.
De wrakingskamer benadrukt dat wraking alleen mogelijk is tegen rechters die de zaak behandelen en dat het verzoek binnen een redelijke termijn na bekendwording van de feiten moet worden ingediend. De vertraging in dit geval is te groot, waardoor het verzoek niet ontvankelijk is verklaard. Daarnaast wordt opgemerkt dat het wrakingsverzoek feitelijk neerkomt op onvrede over de afwijzing van voorlopige hechtenis, wat geen grond voor wraking vormt.
De wrakingskamer gaat niet inhoudelijk in op het verzoek, maar merkt op dat zelfs bij inhoudelijke behandeling geen sprake zou zijn van vooringenomenheid of schijn van partijdigheid. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 16 oktober 2024 en tegen deze beslissing is geen rechtsmiddel mogelijk.