Partijen zijn gescheiden en hebben gezamenlijk gezag over hun vier minderjarige kinderen. De zorgregeling is vastgelegd in een ouderschapsplan en bij beschikking van 3 oktober 2018. De kinderen zijn onder toezicht gesteld van de gezinsvoogd met verlenging tot april 2024. De vrouw verzoekt wijziging van de zorgregeling, met name dat zij in de zomervakantie in de oneven jaren de eerste keus krijgt voor de vakantieweken, zodat zij met haar samengestelde gezin op vakantie kan gaan. De man was het eens met de algemene aanpassing van de zorgregeling, maar verzet zich tegen de wijziging van de zomervakantie vanwege een geplande reis naar Italië.
De rechtbank stelt vast dat de vrouw haar belang bij de wijziging goed heeft onderbouwd en dat de man onvoldoende gemotiveerd heeft gereageerd op het verzoek. De eerdere instemming van de man met de regeling in 2019 en 2021 wordt erkend. De rechtbank acht het belang van de vrouw en de kinderen doorslaggevend en wijst het verzoek tot wijziging van de zomervakantie toe. Daarnaast wordt de doorhaling van een uitzondering voor een van de minderjarigen in het ouderschapsplan verwerkt.
De rechtbank benadrukt de zorgelijke situatie tussen partijen, het belang van de kinderen en de gezamenlijke verantwoordelijkheid van de ouders. Partijen worden aangemoedigd om samen met de gezinsvoogd hun communicatie te verbeteren om het welzijn van de kinderen te waarborgen. De beschikking is uitvoerbaar bij voorraad en kan binnen drie maanden in hoger beroep worden aangevochten.