ECLI:NL:RBNHO:2023:3605

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
15 maart 2023
Publicatiedatum
18 april 2023
Zaaknummer
9788219 \ CV EXPL 22-1975
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Op tegenspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:94 BWArt. 6:83 BWVerordening (EG) nr. 261/2004Art. 5 Verordening (EG) nr. 261/2004Art. 7 Verordening (EG) nr. 261/2004
Verwijzingen
6 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling vervoerder tot betaling compensatie wegens geannuleerde vlucht

AirHelp vorderde namens twee passagiers compensatie van Royal Air Maroc wegens annulering van vlucht AT851 op 3 november 2020 van Amsterdam naar Casablanca. De vervoerder weigerde betaling en betwistte onder meer de rechtsgeldigheid van de cessie en het bestaan van een bevestigde boeking.

De kantonrechter oordeelde dat de Nederlandse rechter bevoegd is en dat aan de vereisten van een rechtsgeldige cessie is voldaan. De handtekeningen op de cessieovereenkomst kwamen overeen met die van de passagiers. Ook was de volmacht van AirHelp toereikend.

De vervoerder kon niet aantonen dat de passagiers geen bevestigde boeking hadden; AirHelp overlegde een e-ticket en toelichting. Het verweer dat de passagiers zelf de vlucht hadden geannuleerd, faalde wegens gebrek aan bewijs. De vordering tot compensatie op grond van Verordening (EG) nr. 261/2004 werd toegewezen, evenals de wettelijke rente vanaf 4 november 2020 en de proceskosten. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad.

Uitkomst: De vervoerder wordt veroordeeld tot betaling van €800 compensatie, wettelijke rente vanaf 4 november 2020 en proceskosten aan AirHelp.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

Handel, Kanton en Insolventie
locatie Haarlem
Zaaknr./rolnr.: 9788219 \ CV EXPL 22-1975 (RH)
Uitspraakdatum: 15 maart 2023
Vonnis van de kantonrechter in de zaak van:
de rechtspersoon naar buitenlands recht
AirHelp Germany GmbH
gevestigd te Berlijn (Duitsland)
eiser
hierna te noemen: AirHelp
gemachtigde: mr. D.E. Lof (Lof Legal Services)
tegen
de rechtspersoon naar buitenlands recht
Royal Air Maroc S.A.
gevestigd te Casablanca (Marokko)
gedaagde
hierna te noemen: de vervoerder
gemachtigde: mr. T. Teke (Warendorf Advocaten en Notarissen)

1.Het procesverloop

1.1.
AirHelp heeft bij dagvaarding van 21 maart 2022 een vordering tegen de vervoerder ingesteld. De vervoerder heeft schriftelijk geantwoord.
1.2.
AirHelp heeft hierop schriftelijk gereageerd, waarna de vervoerder een schriftelijke reactie heeft gegeven.

2.De feiten

2.1.
De vlucht van Amsterdam-Schiphol Airport naar Mohamed V. Airport, Casablanca (Marokko), met vluchtnummer AT851 (hierna: de vlucht), op 3 november 2020 is geannuleerd.
2.2.
AirHelp heeft namens [passagier 1] en [passagier 2] (hierna: de passagiers) compensatie van de vervoerder gevorderd in verband met voornoemde annulering.
2.3.
De vervoerder heeft geweigerd tot betaling over te gaan.

3.De vordering

3.1.
AirHelp vordert dat de vervoerder bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis veroordeeld zal worden tot betaling van:
- € 800,00, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf de datum van de vlucht tot aan de dag van betaling;
- de proceskosten, te vermeerderen met wettelijke rente.
3.2.
AirHelp heeft aan de vordering ten grondslag gelegd de Verordening (EG) nr. 261/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 11 februari 2004 tot vaststelling van gemeenschappelijke regels inzake compensatie en bijstand aan luchtreizigers bij instapweigering en annulering of langdurige vertraging van vluchten en tot intrekking van de verordening (EEG) nr. 295/91 (hierna: de Verordening) en de daarop betrekking hebbende rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: het Hof). AirHelp stelt dat de vervoerder vanwege de annulering van de vlucht gehouden is de compensatie te voldoen conform artikel 7 van Pro de Verordening tot een bedrag van € 400,00 per passagier.

4.Het verweer

4.1.
De vervoerder betwist de vordering. Op zijn verweer wordt – voor zover van belang – bij de beoordeling van het geschil ingegaan.

5.De beoordeling

5.1.
De kantonrechter stelt ambtshalve vast dat de Nederlandse rechter in deze zaak bevoegd is om van de vordering kennis te nemen.
5.2.
De vervoerder voert aan dat niet is voldaan aan de vereisten die de wet aan een rechtsgeldige cessie stelt. De kantonrechter overweegt als volgt. Een rechtsgeldige cessie dient onder verwijzing naar artikel 3:94 lid 1 Burgerlijk Pro Wetboek (hierna: BW) aan twee constitutieve vereisten te voldoen: een akte van cessie en een mededeling daarvan aan de debiteur. Aan het mededelingsvereiste is in ieder geval voldaan toen de cessie in deze procedure, zo niet bij dagvaarding dan wel bij repliek, ter kennis van de vervoerder is gebracht. Niet vereist is dat een cessie al voltooid is op het moment van de dagvaarding. Uit artikel 3:94 BW Pro volgt voorts dat een cessie niet tweezijdig hoeft te zijn. Zij hoeft niet te doen blijken van de verklaring van de cessionaris dat hij de levering aanvaardt. De vervoerder voert daarentegen aan dat een cessie weldegelijk tweezijdig dient te zijn en verwijst daarbij onder meer naar een vonnis van deze rechtbank van 16 juni 2021 (ECLI:NL:RBNHO:2021:5594). De kantonrechter gaat hieraan voorbij aangezien de wet, zoals hiervoor opgenomen, anders voorschrijft. Daarbij is de kantonrechter met AirHelp van oordeel dat de handtekeningen op de “Assignment Form” in voldoende mate overeenkomen met de handtekeningen van de passagiers op hun paspoorten, zodat ook aan dit verweer van de vervoerder voorbij wordt gegaan.
5.3.
Voor zover de vervoerder aanvoert dat de gemachtigde van AirHelp niet over een toereikende volmacht beschikt, houdt dit verweer in het onderhavige geval geen stand. Bij dagvaarding is immers een volmacht overgelegd.
5.4.
Tussen partijen is in geschil of de passagiers een bevestigde boeking hadden voor de vlucht in kwestie. De vervoerder betwist de door AirHelp gestelde vervoersovereenkomst en heeft daartoe onder meer aangevoerd dat er op naam van de passagiers geen tickets zijn uitgegeven.
5.5.
De kantonrechter overweegt dat uit artikel 3 lid 2 van Pro de Verordening volgt dat voor toepassing van de Verordening is vereist dat passagiers beschikken over een bevestigde boeking voor de vlucht in kwestie en zich behalve in geval van annulering als bedoeld in artikel 5 - (tijdig) bij de incheckbalie hebben gemeld. In het arrest van het Hof van 21 december 2021 (C-146/20, C-188/20, C-196/20 en C-270.20) is een ruimere definitie aan het begrip boeking toegekend. Als passagiers beschikken over een door de touroperator afgegeven ander bewijs in de zin van artikel 2 onder Pro g van de Verordening, dan staat dit andere bewijs ook gelijk aan een boeking. De bewijslast ter zake van het voornoemde rust op AirHelp. De kantonrechter is van oordeel dat AirHelp met het overleggen van een afschrift van de “E-TICKET” en zijn toelichting daarop gemotiveerd heeft gesteld dat de passagiers beschikten over een bevestigde boeking voor de vluchten van Amsterdam, via Casablanca, naar Oujda (Marokko). Dit verweer wordt dan ook eveneens verworpen.
5.6.
Voor zover de vervoerder aanvoert dat het mogelijk is dat de passagiers zelf hebben gekozen voor annulering van de vlucht, zodat er geen vervoersovereenkomst tussen de vervoerder en de passagiers (meer) bestond op het moment dat de vlucht door de vervoerder werd geannuleerd, houdt ook dit verweer geen stand. De vervoerder heeft, tegenover de betwisting van de passagiers, niet nader onderbouwd dan wel stukken overgelegd waaruit zou volgen dat de passagiers de vlucht hebben geannuleerd. Dat de vervoerder de passagiers niet in verband kan brengen met de geannuleerde vlucht in kwestie doet hier niet aan af.
5.7.
Het verweer van de vervoerder dat geen recht op compensatie bestaat, nu geen sprake is van een vertraging van drie uur of meer houdt eveneens geen stand. Niet in geschil is dat de vlucht is geannuleerd. Voor zover de vervoerder zich op artikel 5 sub c onder Pro iii beroept is het aan de vervoerder om dit aan te tonen. Dit heeft de vervoerder nagelaten. De vordering tot betaling van compensatie wordt dan ook toegewezen.
5.8.
Ten aanzien van de gevorderde wettelijke rente wordt het volgende overwogen. AirHelp heeft de wettelijke rente gevorderd met ingang “vanaf de datum van de vlucht”. Het betreft hier echter geen vordering tot vergoeding van forfaitair berekende schade, zodat deze schade gelet op artikel 6:83 sub b BW Pro terstond opeisbaar is. Het verzuim treedt dus zonder ingebrekestelling in op het moment dat de schade geacht wordt te zijn geleden. De wettelijke rente wordt daarom toegewezen vanaf 4 november 2020, zijnde de datum waarop de vlucht op de eindbestemming te Oujda had moeten aankomen.
5.9.
De vervoerder voert aan dat de gevorderde wettelijke rente dient te worden afgewezen, nu hij voor de dagvaarding van 21 maart 2022 niet bekend zou zijn met een aanspraak van de passagiers of AirHelp op compensatie. Vast staat dat de vervoerder verweer heeft gevoerd tegen de hoofdvordering van AirHelp. De kantonrechter acht het aannemelijk dat de vervoerder, indien zou komen vast te staan dat de vervoerder ook buiten rechte bekend had kunnen zijn met de vordering van AirHelp, het verweer ten aanzien van de hoofdvordering ook buiten rechte zou hebben aangevoerd. Hieruit volgt dat de vervoerder zowel binnen als buiten de gerechtelijke procedure niet voornemens was de compensatie en de wettelijke rente te voldoen. Het verweer van de vervoerder ten aanzien van de wettelijke rente houdt dan ook geen stand. De gevorderde wettelijke rente over de hoofdsom wordt dan ook toegewezen. Hetzelfde geldt voor het verweer dat de vervoerder ten aanzien van de verschuldigdheid van de proceskosten heeft aangevoerd. De proceskosten komen dan ook eveneens voor rekening van de vervoerder, omdat hij ongelijk krijgt.
5.10.
De gevorderde rente over de proceskosten is toewijsbaar met ingang van de datum gelegen 14 dagen na betekening van dit vonnis.

6.De beslissing

De kantonrechter:
6.1.
veroordeelt de vervoerder tot betaling aan AirHelp van € 800,00, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 4 november 2020 tot aan de dag van voldoening van dit bedrag;
6.2.
veroordeelt de vervoerder tot betaling van de proceskosten die aan de kant van AirHelp tot en met vandaag worden begroot op de bedragen zoals deze hieronder zijn gespecificeerd:
dagvaarding € 125,03;
griffierecht € 322,00;
salaris gemachtigde € 264,00;
vermeerderd met de wettelijke rente over deze bedragen vanaf de datum gelegen 14 dagen na betekening van dit vonnis tot aan de dag van de algehele voldoening;
6.3.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. S.N. Schipper, kantonrechter, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van bovengenoemde datum in aanwezigheid van de griffier.
De griffier De kantonrechter