ECLI:NL:RBNHO:2023:2696

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
22 maart 2023
Publicatiedatum
24 maart 2023
Zaaknummer
C/15/336234 / HA ZA 23-72
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4:13 BWArt. 4:15 lid 1 BWArt. 843a RvArt. 69 lid 1 RvArt. 8 lid 4 WGBZ
Verwijzingen
5 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevoegdheidsincident inzake vaststelling wettelijke verdeling nalatenschap

Op 22 maart 2023 heeft de Rechtbank Noord-Holland een vonnis gewezen in een bevoegdheidsincident tussen eiseres en gedaagde, testamentair bewindvoerder van een nalatenschap. Eiseres vorderde onder meer inzage in documenten en betaling van een geldbedrag uit hoofde van de wettelijke verdeling van de nalatenschap van erflater.

De rechtbank stelde vast dat de vorderingen van eiseres betrekking hebben op de vaststelling van haar geldvordering op gedaagde als langstlevende echtgenote, gebaseerd op artikel 4:13 BW Pro en dat de kantonrechter exclusief bevoegd is om hierover te oordelen volgens artikel 4:15 lid 1 BW Pro. Tevens oordeelde de rechtbank dat de procedure onjuist is ingeleid via dagvaarding in plaats van verzoekschrift, waardoor de procedure moet worden voortgezet als verzoekschriftprocedure.

De rechtbank verklaarde zich daarom onbevoegd en verwees de zaak naar de kamer voor kantonzaken. Eiseres werd bevolen het inleidend processtuk te verbeteren en kreeg gelegenheid haar stellingen aan te passen. Tevens werd eiseres veroordeeld in de proceskosten van het incident. Het griffierecht wordt verlaagd en het teveel betaalde bedrag teruggestort.

De beslissing houdt iedere verdere beslissing aan, waarmee de procedure wordt voortgezet onder de juiste procesvorm en bevoegde rechter.

Uitkomst: De rechtbank verklaart zich onbevoegd en verwijst de zaak naar de kantonrechter; de procedure wordt voortgezet als verzoekschriftprocedure.

Uitspraak

RECHTBANK Noord-Holland

Civiel recht
Zittingsplaats Alkmaar
Zaaknummer: C/15/336234 / HA ZA 23-72
Vonnis van 22 maart 2023 (bij vervroeging)
in de zaak van
[eiseres],
te [woonplaats 1] ,
eisende partij in de hoofdzaak,
eisende partij in het incident ex artikel 843a Rv,
verwerende partij in het bevoegdheidsincident,
hierna te noemen: [eiseres] ,
advocaat: mr. M.V. Vermeij te Alkmaar,
tegen
[gedaagde]
mede in haar hoedanigheid van testamentair bewindvoerder in de
nalatenschap van wijlen [erflater],
te [woonplaats 2] ,
gedaagde partij in de hoofdzaak,
gedaagde partij in het incident ex artikel 843a Rv,
eisende partij in het bevoegdheidsincident,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
advocaat: mr. D. Knecht te Amsterdam.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 24 januari 2023 met producties tevens houdende een vordering in incident op grond van artikel 843a Rv;
- de rolbeslissing van 17 februari 2023;
- de incidentele conclusie houdende een exceptie van onbevoegdheid van [gedaagde] ;
- de conclusie van antwoord in het bevoegdheidsincident van de zijde van [eiseres] ;
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald in het bevoegdheidsincident.

2.De feiten

2.1.
Op [overlijdensdatum] 2010 overleed [erflater] (hierna: erflater).
2.2.
Erflater en [gedaagde] waren in algehele gemeenschap van goederen gehuwd, welk huwelijk door het overlijden van erflater is ontbonden.
2.3.
Uit het huwelijk zijn twee kinderen geboren, [eiseres] en [erfgenaam 1] .
2.4.
Bij testament van [datum] 2010 heeft erflater [gedaagde] en zijn beide dochters voor gelijke delen tot erfgenamen van zijn nalatenschap benoemd en daarop de wettelijke verdeling in de zin van artikel 4:13 BW Pro van toepassing verklaard. Op grond daarvan zijn alle goederen aan [gedaagde] toebedeeld en hebben de dochters een vordering op haar verkregen ter grootte van hun respectieve erfdelen in de nalatenschap van erflater.

3.Het geschil

In het incident ex artikel 843a Rv van [eiseres]
3.1.
vordert - samengevat – dat de rechtbank bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis:
A. [gedaagde] op straffe van een dwangsom veroordeelt tot overlegging van de navolgende stukken:
- Een kopie van de verklaring van erfrecht;
- Een verifieerbaar overzicht van alle bezittingen en schulden op de overlijdensdatum van erflater;
- Alle onderbouwende stukken van de bedragen zoals opgegeven in het overzicht onder 2;
- Een schriftelijke waardering van alle bezittingen op de overlijdensdatum van erflater;
- Een overzicht en afschriften van de polissen van alle beleggingsrekeningen, lijfrentepolissen en/of levensverzekering en/of eventuele uitgekeerde lijfrentes en levensverzekeringen en/of uitvaartverzekering, waaronder in ieder geval een afschrift van de in de dagvaarding genoemde levensverzekering;
[gedaagde] veroordeelt in de (na)kosten van het geding vermeerderd met de wettelijke rente indien deze na 14 dagen na datum van het vonnis niet zijn voldaan.
In de hoofdzaak
3.2.
[eiseres] vordert - samengevat - dat de rechtbank bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis:
[gedaagde] veroordeelt tot betaling aan [eiseres] van een bedrag van € 34.524,89 dan wel een in goede justitie vast te stellen bedrag, vermeerderd met de contractuele rente van 6% per jaar vanaf 27 oktober 2010 tot aan de dag der algehele voldoening;
[gedaagde] veroordeelt tot betaling aan [eiseres] van een bedrag van € 1.355,50 aan buitengerechtelijke incassokosten;
[gedaagde] veroordeelt in de (na)kosten van het geding vermeerderd met de wettelijke rente indien deze na 14 dagen na datum van het vonnis niet zijn voldaan.

4.Het geschil in het incident tot onbevoegdheid van de zijde van [gedaagde]

4.1.
vordert dat de rechtbank zich onbevoegd verklaart zowel ten aanzien van de door [eiseres] ingestelde vorderingen in de hoofdzaak als ten aanzien van de door haar op grond van artikel 843a Rv ingestelde vorderingen in het incident.
4.2.
De rechtbank stelt met [gedaagde] vast dat de vorderingen van [eiseres] in de hoofdzaak en in het incident ex 843a Rv (tezamen) gericht zijn op vaststelling van de hoogte van de vordering van [eiseres] op [gedaagde] als langstlevende echtgenote uit hoofde van de in het testament van erflater opgenomen wettelijke verdeling (4:13 BW). Uit de door [eiseres] in de hoofdzaak betrokken stellingen volgt dat de hoogte van de vordering tussen partijen – kort gezegd – onderwerp van geschil is en dat het [eiseres] aan voldoende informatie ontbreekt om deze zelfstandig vast te kunnen stellen. Het vorenstaande laat geen andere conclusie toe dan dat de vorderingen in de hoofdzaak gegrond zijn op art. 4:15 lid 1 BW Pro, aangezien het hier om de vaststelling van de in art. 4:13 lid 3 BW Pro bedoelde geldvordering van [eiseres] op [gedaagde] gaat.
4.3.
Voor zover de erfgenamen over de vaststelling van de omvang van de in artikel 4:13 lid 3 BW Pro bedoelde geldvordering niet tot overeenstemming kunnen komen, wordt deze op verzoek van de meest gerede partij door de kantonrechter vastgesteld (artikel 4:15 lid 1 BW Pro). Aldus is – uitsluitend – de kantonrechter bevoegd om van de vorderingen in de hoofdzaak kennis te nemen. Dat geldt ook voor de incidentele vordering ex art. 843a Rv omdat deze door [eiseres] tegelijk met die in de hoofdzaak en in directe samenhang daarmee is ingesteld. De kantonrechter is daarom ook bevoegd om te oordelen over die incidentele vordering. De rechtbank zal zich derhalve onbevoegd verklaren om van de vorderingen in de hoofdzaak en in het incident ex art. 843a Rv kennis te nemen en de zaak verwijzen naar de kantonrechter in deze rechtbank.
4.4.
Uit art. 4:15 lid 1 BW Pro volgt dat een vordering op grond van dit artikel ingeleid dient te worden door een verzoekschrift. Artikel 69 lid 1 Rv Pro bepaalt dat, indien een procedure met een dagvaarding in plaats van met een verzoekschrift is ingeleid, de rechter, zo nodig, de aanlegger beveelt binnen een door de rechter te bepalen termijn op kosten van de aanlegger het stuk waarmee de procedure is ingeleid, te verbeteren of aan te vullen. Gelet op het voorgaande had de vordering van [eiseres] in de hoofdzaak bij verzoekschrift aanhangig gemaakt moeten worden. Wat betreft de vordering in het incident ex art. 843a Rv geldt dat deze vordering naar het oordeel van de rechtbank eveneens met een verzoekschrift had moeten worden ingeleid. De Hoge Raad heeft in het arrest van 26 oktober 2018 (ECLI:NL:HR:2018:1985) immers overwogen dat, gelet op de rechtsontwikkeling en de opvattingen in de literatuur, moet worden aangenomen dat inzage, afschrift of uittreksel ex art. 843a Rv ook kan worden verzocht bij verzoekschrift. Een verzoek op de voet van art. 843a Rv kan worden gedaan als zelfstandig verzoek en naast een ander verzoek. Gelet op genoemd arrest en hetgeen hiervoor is overwogen, had het incident ex art. 843a Rv door [eiseres] eveneens bij verzoekschrift moeten worden ingeleid.
4.5.
[eiseres] heeft derhalve een verkeerd inleidend processtuk gebruikt en de procedure zal, gelet op het bepaalde in art. 69 Rv Pro, moeten worden voortgezet als verzoekschriftprocedure. De rechtbank zal [eiseres] de gelegenheid geven het inleidend processtuk te verbeteren, bevelen dat de procedure wordt voortgezet volgens de regels die gelden voor de verzoekschriftprocedure en partijen de gelegenheid geven hun stellingen aan de dan toepasselijke procedureregels aan te passen ex art. 69 lid 4 Rv Pro.
4.6.
Omdat [eiseres] in het incident tot onbevoegdheid als de in het ongelijk gestelde partij moet worden beschouwd, wordt [eiseres] veroordeeld in de proceskosten, aan de zijde van [gedaagde] tot op heden begroot op € 598,00 aan salaris advocaat.
4.7.
Het vorenstaande leidt tot de navolgende beslissing.

5.De beslissing

De rechtbank
In de hoofdzaak en in het incident
5.1.
verklaart zich onbevoegd om van de vorderingen van [eiseres] kennis te nemen en verwijst de zaak in de stand waarin deze zich nu bevindt naar de kamer voor kantonzaken van deze rechtbank, locatie Alkmaar,
5.2.
beveelt dat [eiseres] op haar kosten overgaat tot verbetering van het inleidende processtuk en dat de procedure in de stand waarin deze zich bevindt zal worden voortgezet volgens de regels die gelden voor de verzoekschriftprocedure,
5.3.
stelt [eiseres] in de gelegenheid haar stellingen zo nodig aan te passen met het oog op de voor de verzoekschriftprocedure toepasselijke procesregels,
5.4.
veroordeelt [eiseres] in de kosten van het incident tot onbevoegdheid, aan de zijde van [gedaagde] tot op heden begroot op € 598,00,
5.5.
wijst partijen erop dat zij in het vervolg van de procedure niet meer vertegenwoordigd hoeven te worden door een advocaat, maar ook persoonlijk of bij gemachtigde kunnen verschijnen,
5.6.
wijst partijen erop dat het in deze procedure geheven griffierecht ingevolge art. 8 lid 4 WGBZ Pro zal worden verlaagd en dat het teveel betaalde griffierecht door de griffier zal worden teruggestort,
5.7.
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mr. A.C. Haverkate en in het openbaar uitgesproken op
22 maart 2023.