ECLI:NL:RBNHO:2023:1598
Rechtbank Noord-Holland
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Afwijzing Bbz-uitkering wegens niet-levensvatbare taxionderneming ondanks coronacrisis
Eiser, exploitant van een taxionderneming, vroeg een Bbz-uitkering aan voor januari tot en met maart 2022 vanwege verminderde werkzaamheden door coronamaatregelen. Verweerder weigerde de uitkering omdat het bedrijf niet levensvatbaar zou zijn, gebaseerd op een advies van het externe bureau Jupister.
De rechtbank oordeelde dat het college terecht mocht afgaan op het deskundigenadvies, waarin uitgebreid werd ingegaan op de financiële situatie van het bedrijf, de gevolgen van de coronapandemie voor de taxibranche en de toekomstverwachtingen. Jupister concludeerde dat het bedrijf van eiser geen onderscheidend vermogen heeft en dat de markt niet zal herstellen naar het niveau van voor de pandemie.
Eiser stelde dat het college rekening had moeten houden met een ander toetsingsmoment of latere cijfers, en dat het advies was gebaseerd op een verouderde bedrijfsstructuur. De rechtbank verwierp deze argumenten, bevestigde het vaste toetsingsmoment en vond geen concrete aanwijzingen voor onzorgvuldigheid of onjuistheid van het advies.
Ook het beroep op het gelijkheids- en vertrouwensbeginsel faalde wegens onvoldoende onderbouwing. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, waardoor de afwijzing van de Bbz-uitkering in stand blijft en eiser geen proceskostenvergoeding ontvangt.
Uitkomst: Het beroep is ongegrond verklaard en de afwijzing van de Bbz-uitkering blijft in stand.