ECLI:NL:RBNHO:2023:11229

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
20 september 2023
Publicatiedatum
8 november 2023
Zaaknummer
10619125 WM
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8 WAHVArt. 9 WAHVArt. 14 WAHVArt. 5 WAHV
Verwijzingen
7 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep ongegrond verklaard tegen boete voor parkeren in parkeerverbodszone

Betrokkene is een boete opgelegd wegens het parkeren van een voertuig in een parkeerverbodszone. Betrokkene stelde beroep in tegen deze boete, stellende dat de aansprakelijkheid bij de huurder lag vanwege een voortgezette handeling na afloop van de huurperiode.

De kantonrechter behandelde de zaak op 13 september 2023, waarbij de gemachtigde van betrokkene niet verscheen. De officier van justitie handhaafde de boete en verwees naar een arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden dat de aansprakelijkheid bij de kentekenhouder legt op het moment van constatering van de overtreding.

De kantonrechter oordeelde dat de gedraging op 13 januari 2023 om 11:43 uur was vastgesteld, terwijl er op dat moment geen huurovereenkomst bestond. Hierdoor kon betrokkene zich niet beroepen op artikel 8 onder Pro b WAHV. De verklaring van de verbalisant vormde een voldoende grondslag voor de vaststelling van de overtreding, en betrokkene had geen specifieke feiten aangevoerd die twijfel konden zaaien.

De boete werd daarom terecht opgelegd en het beroep ongegrond verklaard. Tevens werd het verzoek om proceskostenvergoeding afgewezen. Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden binnen zes weken.

Uitkomst: Het beroep tegen de parkeerboete wordt ongegrond verklaard en de boete blijft in stand.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Handel, Kanton en Bewind
locatie Alkmaar
Zaaknummer : 10619125 \ WM VERZ 23-516
CJIB-nummer : [nummer]
Uitspraakdatum : 20 september 2023
Uitspraak op een beroep als bedoeld in artikel 9 van Pro de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (WAHV) en proces-verbaal van de zitting
in de zaak van
[betrokkene]
gemachtigde : Appjection B.V. (M. Lagas)

1.Het verloop van de procedure en het proces-verbaal van de zitting

1.1.
Aan betrokkene is een administratieve sanctie (hierna te noemen: boete) opgelegd. Betrokkene heeft daartegen beroep ingesteld bij de officier van justitie. De officier van justitie heeft het beroep ongegrond dan wel niet-ontvankelijk verklaard. Tegen die beslissing is door betrokkene beroep ingesteld bij de kantonrechter.
1.2.
De zaak is behandeld op de zitting van 13 september 2023. Op de zitting is de vertegenwoordiger van de officier van justitie verschenen. De gemachtigde van betrokkene is niet verschenen. De kantonrechter heeft na de zitting uitspraak gedaan.

2.Overwegingen

2.1.
De gedraging waarvoor de boete is opgelegd, luidt – kort omschreven – als volgt: een voertuig parkeren waar dat niet mag (bord E1, parkeerverbod(szone)).
2.2.
Betrokkene is het niet eens met de opgelegde boete. De gemachtigde van betrokkene voert namens betrokkene aan dat - voor zover de boete na het einde van de huur is opgelegd - sprake is van een voortgezette handeling en niet de verhuurder maar de huurder aansprakelijk is. Daarbij verwijst de gemachtigde naar de uitspraak van de rechtbank Amsterdam met nummer ECLI:NL:RBAMS:2021:7628. Voor zover de boete ten tijde van de huur is opgelegd, doet de gemachtigde een beroep op artikel 8 onder Pro b WAHV.
2.3.
De vertegenwoordiger van de officier van justitie heeft op de zitting meegedeeld de beslissing en het standpunt te handhaven en heeft de kantonrechter verzocht om het beroep ongegrond te verklaren, omdat ten tijde van de vaststelling van de gedraging geen sprake was van een huurovereenkomst en de verhuurder zich niet op artikel 8 WAHV Pro kan beroepen. Daarbij heeft zij verwezen naar de uitspraak van gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 13 december 2022. [1] De vertegenwoordiger van de officier van justitie heeft verder gesteld dat op basis van de stukken niet kan worden vastgesteld dat er sprake was van een huurovereenkomst.
2.4.
Het verweer dat sprake is van een voortgezette handeling faalt. De door de gemachtigde genoemde uitspraak van de rechtbank Amsterdam is achterhaald door het door de zittingsvertegenwoordiger genoemde arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. Hierin heeft het hof overwogen dat uit vaste jurisprudentie volgt dat voor de vraag wanneer de gedraging is verricht, bepalend is het tijdstip waarop door de verbalisant of op automatische wijze wordt vastgesteld dat de gedraging is verricht. Dit geldt ook voor situaties waarin een voertuig niet is verplaatst tussen het moment dat het voertuig ter plaatse is neergezet en het moment dat de verbalisant de gedraging heeft vastgesteld. In deze zaak is de gedraging op 13 januari 2023 om 11:43 uur vastgesteld. Op dat moment was er geen sprake van een huurovereenkomst. Het voertuig was immers verhuurd tot 13 januari 2023 om 02:56 uur en de volgende huur ging die dag pas in om 15:30 uur. Anders dan de gemachtigde betoogt is daarom niet de (laatste) huurder aansprakelijk voor voldoening van de boete, maar betrokkene als kentekenhouder. [2] Aan betrokkene komt dus geen beroep toe op artikel 8 onder Pro b WAHV.
2.5.
De kantonrechter is van oordeel dat uit de stukken die zich in het dossier bevinden – met name uit de verklaring van de verbalisant – voldoende blijkt dat de gedraging waarvoor de boete is opgelegd, is verricht. In WAHV-zaken biedt de verklaring van een verbalisant op ambtseed of belofte voldoende grondslag voor de vaststelling van het plegen van de gedraging door betrokkene. Dit is alleen anders indien betrokkene ten aanzien van deze gedraging voldoende specifieke feiten en omstandigheden aanvoert die aanleiding geven voor twijfel aan de juistheid van één of meer onderdelen van voornoemde verklaring van de verbalisant. Dat laatste is in dit geval niet gebeurd. De boete is dus terecht opgelegd. De kantonrechter ziet in hetgeen betrokkene heeft aangevoerd ook geen reden om de boete te matigen. Het beroep wordt daarom ongegrond verklaard.
2.5.
De kantonrechter ziet geen aanleiding om proceskosten toe te kennen, omdat het beroep ongegrond wordt verklaard.
De uitspraak
De kantonrechter:
‒ verklaart het beroep ongegrond;
‒ wijst het verzoek om vergoeding van de proceskosten af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. I.H. Lips, kantonrechter, bijgestaan door de griffier, en in het openbaar uitgesproken.
De griffier De kantonrechter
Tegen deze uitspraak kan op grond van artikel 14 WAHV Pro hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, binnen 6 weken na de hieronder vermelde dag van toezending. Hoger beroep is in beginsel alleen mogelijk als de boete in de uitspraak is bepaald op een bedrag van meer dan € 110,00. Het beroepschrift moet worden verzonden aan de afdeling Kanton van de rechtbank Noord-Holland, Postbus 251, 1800 BG Alkmaar. De wet gaat uit van een geheel schriftelijke procedure in hoger beroep, tenzij door u bij het beroepschrift uitdrukkelijk om een mondelinge behandeling van de zaak is verzocht.
Het instellen van hoger beroep per e-mail is niet mogelijk.
Datum toezending:

Voetnoten

1.Te vinden op www.rechtspraak.nl met zoekterm ECLI:NL:GHARL:2022:11123, rechtsoverweging 13.
2.Artikel 5 WAHV Pro.