ECLI:NL:RBNHO:2022:9532
Rechtbank Noord-Holland
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Navorderingsaanslag inkomstenbelasting 2014 en recht op inkomensafhankelijke combinatiekorting
Eiser maakte aanspraak op de inkomensafhankelijke combinatiekorting (iack) over het jaar 2014. Verweerder legde een navorderingsaanslag op omdat bij de aangifte over 2015 bleek dat eiser geen recht had op de iack. De kern van het geschil betrof de vraag of de kinderen van eiser als pleegkinderen in fiscale zin konden worden aangemerkt, waarbij vooral de onderhoudseis centraal stond.
De rechtbank oordeelde dat de kinderen niet voldeden aan de onderhoudseis omdat een substantieel deel van de kosten voor levensonderhoud werd gedekt door een pleegzorgvergoeding van de overheid. Dit maakte dat eiser geen recht had op de iack over 2014. Het beroep op het gelijkheidsbeginsel faalde omdat eiser onvoldoende aannemelijk maakte dat sprake was van ongelijke gevallen zonder objectieve rechtvaardiging.
Verder werd geoordeeld dat de navordering gebaseerd was op een nieuw feit dat verweerder niet bekend was bij het opleggen van de oorspronkelijke aanslag. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard. Vergoeding van immateriële schade wegens termijnoverschrijding werd afgewezen omdat reeds in een samenhangende zaak een vergoeding was toegekend. Proceskosten werden niet toegewezen om dezelfde reden.
Uitkomst: Het beroep van eiser tegen de navorderingsaanslag 2014 wordt ongegrond verklaard en de aanslag gehandhaafd.