Uitspraak
RECHTBANK NOORD-HOLLAND
1.Tenlastelegging
2.Voorvragen
3.Bewijs
- het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van bevindingen d.d. 3 april 2022;
4.Kwalificatie van de feiten
5.Strafbaarheid van de feiten
chilling effectuitgaat, hetgeen voorkomen moet worden.
Uit het dossier en het verhandelde ter zitting blijkt dat verdachte en haar mededemonstranten verschillende malen zijn gevorderd Zara en de Albert Heijn te verlaten. Daarbij zijn zij gewezen op de mogelijkheid om elders te demonstreren en is ook gewezen op de consequentie dat, indien zij geen gevolg zouden geven aan de vordering, zij zich schuldig zouden maken aan lokaalvredebreuk. Verdachte heeft ter zitting erkend dat zij bij Zara voor de etalage mocht protesteren en dat de bedrijfsleider van de Albert Heijn heeft gewezen op de mogelijkheid om de demonstratie buiten de winkel en het parkeerterrein voort te zetten. Bij Zara zijn verdachte en haar mededemonstranten in eerste instantie ook door de politie naar buiten begeleid en voor de etalage gaan staan. Na korte tijd zijn drie van hen, waaronder verdachte, echter weer terug naar binnen gegaan om zodoende een statement te maken. Verdachte heeft ter zitting toegelicht dat de boodschap van het protest beter overkomt als die binnen in de winkel wordt uitgedragen. Bij Albert Heijn hebben verdachte en haar mededemonstranten geweigerd gevolg te geven aan de vorderingen die door en namens de winkel zijn gedaan. In totaal duurde de demonstratie bij Albert Heijn circa 45 minuten. De demonstratie bij Zara duurde – inclusief de tijd die de demonstranten buiten voor de etalage hebben gestaan – circa 1 uur en 20 minuten.
Vaststaat dat verdachte door de beëindiging van de betogingen werd gehinderd in uitoefening van deze rechten. De politierechter stelt echter vast dat in de onderhavige situaties ook inbreuk werd gemaakt op de rechten van anderen, namelijk de rechten van Zara en Albert Heijn. Verdachte en haar mededemonstranten waren immers gevorderd de winkels te verlaten en verbleven daar dus tegen de wil van de winkeleigenaren. Door de opstelling en handelwijze van verdachte en haar mededemonstranten, konden die inbreuken slechts worden beëindigd door hun aanhouding en overbrenging naar het politiebureau. De politierechter acht in beide zaken dit ingrijpen in zoverre dan ook noodzakelijk en gerechtvaardigd. Namens de verdediging is dit ook niet bestreden.
Tegen deze achtergrond bezien is de politierechter met de verdediging van oordeel dat onvoldoende feiten en/of omstandigheden zijn gebleken die rechtvaardigen om verdachte voor (langer dan) de volle zes uur vast te houden op het politiebureau voor onderzoek en vervolgens ook nog tot strafvervolging over te gaan. De politierechter betrekt bij dit oordeel het vreedzame karakter van de protesten, alsmede de korte duur daarvan en het feit dat deze kleinschalig waren en nauwelijks met hinder, laat staan met het veroorzaken van schade of het plegen van (andere) strafbare feiten gepaard zijn gegaan.
Naar het oordeel van de politierechter vormt in de onderhavige situaties het optreden van politie, gevolgd door het instellen van strafvervolging, een ongerechtvaardigde en disproportionele inbreuk op het recht van demonstratievrijheid, en gaat hiervan het hiervoor genoemde “
chilling effect” uit. Dat de officier van justitie ter zitting toepassing van artikel 9a Strafrecht (sr) heeft gevorderd, maakt dit niet anders.