ECLI:NL:RBNHO:2022:6791
Rechtbank Noord-Holland
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Toestemming kantonrechter vereist voor erkenning kind door moeder onder curatele
De rechtbank Noord-Holland behandelde een zaak over de geldigheid van de erkenning van een minderjarig kind, waarbij de moeder onder curatele stond wegens lichamelijke of geestelijke toestand. De erkenning was verricht met toestemming van de moeder, maar deze toestemming werd betwist omdat zij onder curatele stond en daardoor handelingsonbekwaam was.
De rechtbank overwoog dat de moeder als onder curatele gestelde niet zelfstandig toestemming kon geven voor de erkenning, omdat het een hoogstpersoonlijke rechtshandeling betreft waarvoor de curator geen toestemming kan geven. De wet vereist dat een persoon onder curatele voor erkenning toestemming van de kantonrechter moet hebben. Hoewel deze bepaling strikt genomen niet op de moeder als toestemmende partij van toepassing is, paste de rechtbank deze analoog toe.
De kantonrechter had achteraf toestemming verleend aan de curator van de moeder om de toestemming te geven. Daarnaast hadden alle belanghebbenden zich niet op nietigheid beroepen en was de erkenning in het belang van het kind. Daarom werd de erkenning door de moeder bekrachtigd en werden de verzoeken tot nietigverklaring en doorhaling afgewezen.
Het subsidiaire verzoek om vervangende toestemming werd daardoor niet behandeld. De uitspraak bevestigt dat toestemming van de kantonrechter vereist is voor erkenning door een onder curatele gestelde moeder, en dat achteraf verleende toestemming de erkenning kan bekrachtigen.
Uitkomst: De erkenning van het minderjarige kind door de vader met toestemming van de moeder onder curatele is bekrachtigd en het verzoek tot nietigverklaring en doorhaling is afgewezen.