Uitspraak
RECHTBANK Noord-Holland
1.De procedure
- de mondelinge behandeling van 4 april 2022
2.De feiten
“ongeveer zestig centiare”.
3.Het geschil
4.De beoordeling
- kosten dagvaarding € 121,40
- griffierecht € 309,00
- salaris advocaat € 956,00
Rechtbank Noord-Holland
De rechtbank Noord-Holland behandelde een geschil tussen eiser en gedaagde over de eigendom van een stuk grond, de binnenplaats achter het café van gedaagde. Eiser is eigenaar van het perceel met het winkelpand, terwijl gedaagde eigenaar is van het naastgelegen perceel met café. Eiser vordert dat wordt verklaard dat gedaagde geen eigendomsrecht heeft op de binnenplaats en dat gedaagde deze ontruimt.
Gedaagde stelt primair dat hij eigenaar is van de binnenplaats op grond van levering, subsidiair op grond van verkrijgende verjaring en meer subsidiair op grond van bevrijdende verjaring. De rechtbank onderzoekt eerst of de levering door de keten van eigenaars correct is geweest en concludeert dat de binnenplaats in 1979 nog niet tot het perceel behoorde, zodat levering niet heeft plaatsgevonden.
Vervolgens beoordeelt de rechtbank het beroep op verkrijgende verjaring en constateert dat gedaagde zich in 2013 bewust was van het illegale gebruik, waardoor geen sprake is van bezit te goeder trouw. Ook het beroep op bevrijdende verjaring faalt omdat niet is voldaan aan de eis van ondubbelzinnige eigendomspretentie gedurende 20 jaar. De verklaringen van pachters tonen juist bewustzijn van illegaal gebruik.
De rechtbank verklaart daarom voor recht dat gedaagde geen eigendom heeft verkregen op de binnenplaats en veroordeelt hem tot ontruiming binnen drie maanden, met dwangsommen bij niet-naleving. De vorderingen van gedaagde in reconventie worden afgewezen en hij wordt veroordeeld in de proceskosten.
Uitkomst: Gedaagde heeft geen eigendom verkregen op de binnenplaats; hij wordt veroordeeld tot ontruiming binnen drie maanden.