ECLI:NL:RBNHO:2022:1345
Rechtbank Noord-Holland
- Eerste aanleg - meervoudig
- Rechtspraak.nl
Beoordeling rechtmatigheid invorderingsrente bij aanslag inkomstenbelasting 2016
Eiser heeft bezwaar gemaakt tegen de invorderingsrente van € 531 die verweerder in rekening bracht vanwege late betaling van de aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (ib/pvv) over 2016.
De aanslag was op 28 september 2018 opgelegd met een uiterste betaaldatum van 9 november 2018. Eiser kreeg uitstel van betaling tot uitspraak op bezwaar, maar betaalde pas op 30 juli 2020. Verweerder handhaafde de invorderingsrente na bezwaar. De rechtbank overweegt dat de Invorderingswet een uitputtende regeling bevat en dat het tijdsverloop tussen de uiterste betaaldatum en de daadwerkelijke betaling leidt tot verschuldigdheid van invorderingsrente.
De rechtbank wijst de bezwaren van eiser af dat de rente onredelijk hoog is, dat de mededeling onvoldoende duidelijk was, en dat de rente pas na uitspraak op bezwaar verschuldigd zou zijn. De berekening van de rente is conform de wettelijke bepalingen, waarbij rekening is gehouden met de coronamaatregelen. Het beroep wordt ongegrond verklaard.
Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en bevestigt dat de invorderingsrente terecht is berekend en in rekening gebracht.