ECLI:NL:RBNHO:2022:12397

Rechtbank Noord-Holland

Datum uitspraak
6 september 2022
Publicatiedatum
24 februari 2023
Zaaknummer
C/15/330839 HA RK 22-130
Instantie
Rechtbank Noord-Holland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Wraking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:15 AwbArt. 8:16 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid wrakingsverzoek wegens te late indiening tegen voorzieningenrechter

Verzoeker diende op 5 augustus 2022 een wrakingsverzoek in tegen de voorzieningenrechter in een bestuursrechtelijke hoofdzaak betreffende een geschil met het college van burgemeester en wethouders van Haarlem. De voorzieningenrechter had op 28 juli 2022 de voorlopige voorziening afgewezen en de uitspraak daarvan op 5 augustus 2022 aan partijen toegezonden.

De wrakingskamer onderzocht of het wrakingsverzoek tijdig was ingediend. Hoewel verzoeker betwistte dat het verzoek te laat was ontvangen, oordeelde de kamer dat de gronden voor wraking al ruim voor de zitting van 28 juli 2022 bekend waren. Volgens de Algemene wet bestuursrecht moet een wrakingsverzoek zo spoedig mogelijk worden ingediend nadat de feiten of omstandigheden bekend zijn geworden.

Omdat verzoeker het wrakingsverzoek pas een week na de zitting indiende, werd het verzoek als te laat beschouwd en daarom niet-ontvankelijk verklaard. De wrakingskamer wees ook op het ontbreken van rechtsmiddelen tegen deze beslissing.

Uitkomst: Het wrakingsverzoek is niet-ontvankelijk verklaard wegens te late indiening.

Uitspraak

beslissing

RECHTBANK NOORD-HOLLAND

[jw.sys.1.zaaknr] / [jw.sys.1.rolnummer_rekestnr][datum_beslissing]
Wrakingskamer
zaaknummer / rekestnummer: C/15/330839/HA RK 22/130
Beslissing van 6 september 2022
Op het verzoek tot wraking ingediend door:
[verzoeker] ,
wonende te [woonplaats] ,
verzoeker.
Het verzoek is gericht tegen:
mr. L.M. de Vries,
hierna te noemen: de voorzieningenrechter.

1.Procesverloop

1.1
Verzoeker heeft op 4 augustus 2022, door de rechtbank per post ontvangen op
5 augustus 2022, schriftelijk de wraking verzocht van de voorzieningenrechter in de zaak met zaaknummer HAA 22/3250 (de hoofdzaak), welke zaak aanhangig was bij de afdeling Bestuursrecht van deze rechtbank. De hoofdzaak heeft betrekking op een geschil tussen verzoeker en het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Haarlem. De voorzieningenrechter heeft het namens verzoeker ingediende verzoek om een voorlopige voorziening te treffen op 28 juli 2022 op zitting behandeld. Verzoeker was hierbij niet aanwezig, wel aanwezig was zijn gemachtigde mr. K.J. de Vaan. De uitspraak in die voorlopige voorziening is op 5 augustus 2022 om 7:54 uur alvast per e-mailbericht aan partijen verzonden en diezelfde dag ook per (aangetekende) post. De voorzieningenrechter heeft het verzoek om een voorlopige voorziening afgewezen omdat er geen redelijke kans is dat het bezwaar van verzoeker slaagt.
1.2
Bij brief van 9 augustus 2022 heeft de griffier namens de voorzitter van de wrakingskamer aan verzoeker meegedeeld, dat de uitspraak in de hoofdzaak op 5 augustus 2022 om 7:54 uur per e-mail aan de partijen was toegezonden en het wrakingsverzoek per post pas daarna was ontvangen, zodat het aannemelijk is dat de wrakingskamer verzoeker in het verzoek niet-ontvankelijk zal moeten verklaren. De griffier heeft verzoeker daarom verzocht aan te geven of hij het wrakingsverzoek wil handhaven of niet. Verzoeker heeft bij brieven van 11 augustus 2022 (door de rechtbank ontvangen op 12 augustus 2022) en 23 augustus 2022 (door de rechtbank ontvangen op 24 augustus 2022) laten weten het wrakingsverzoek te handhaven en daarbij een nadere motivering gegeven.
1.3
De voorzieningenrechter heeft niet in de wraking berust. Op 25 augustus 2022 heeft de voorzieningenrechter schriftelijk gereageerd op het wrakingsverzoek.
1.4
Op 25 augustus 2022 (ontvangen op 26 augustus 2022) heeft verzoeker een nadere reactie gegeven en daarbij aanvullende stukken ingediend. De voorzieningenrechter heeft hierop bij e-mail van 29 augustus 2022 gereageerd.
1.5
Het wrakingsverzoek is vervolgens behandeld ter openbare zitting van de wrakingskamer van 30 augustus 2022. De wederpartij in de hoofdzaak, heeft laten weten niet te verschijnen. Verzoeker en de voorzieningenrechter zijn met voorafgaand bericht niet verschenen. De wrakingskamer heeft het onderzoek ter zitting vervolgens gesloten.

2.De ontvankelijkheid van verzoeker in het wrakingsverzoek

Is het verzoek tot wraking ingediend nadat uitspraak is gedaan?
2.1
Verzoeker bestrijdt dat zijn wrakingsverzoek later door de rechtbank is ontvangen dan de voorzieningenrechter uitspraak heeft gedaan op zijn verzoek om een voorlopige voorziening. Ten eerste stelt hij dat hij het ontvangstbewijs van het wrakingsverzoek van de rechtbank per e-mail op 5 augustus 2022 om 9:26 uur naar zijn advocaat heeft gestuurd en dat de rechtbank deze specifieke dag om 8:30 uur open ging.
Ten tweede stelt verzoeker dat zijn advocaat de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening pas 8 augustus 2022 per post heeft ontvangen. Verzoeker verwijst daarbij naar een ontvangstbevestiging van zijn advocaat. Verzoeker geeft aan dat hij zelf op 9 augustus 2022 door zijn advocaat op de hoogte is gesteld van de uitspraak. Verder is er nooit een e-mail ontvangen door het advocatenkantoor van verzoeker.
2.2
Op grond van artikel 8:15 van Pro de Algemene wet bestuursrecht kan op verzoek van een partij de rechter die een zaak behandelt, worden gewraakt op grond van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Uit die bepaling volgt dat een verzoek tot wraking moet worden gedaan voordat uitspraak is gedaan in de hoofdzaak. Nadat uitspraak is gedaan is de zaak immers niet langer bij de rechter of rechters in behandeling. Wraking is dan niet meer mogelijk.
2.3
De wrakingskamer is van oordeel dat niet is komen vast te staan dat het
wrakingsverzoek van verzoeker is gedaan nadat er op grond van de in de op de Algemene
wet bestuursrecht voorgeschreven wijze uitspraak in de hoofdzaak is gedaan. Het
wrakingverzoek van verzoeker is niet om die reden niet-ontvankelijk.
Is het verzoek tardief?
2.4
De wrakingskamer ziet zich vervolgens gesteld voor de vraag of het wrakingsverzoek op grond van artikel 8:16, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht tijdig is gedaan. Op grond van dat artikel dient het wrakingsverzoek gedaan te worden zodra de feiten of omstandigheden aan de verzoeker bekend zijn geworden. Een wrakingsverzoek dient in een zo vroeg mogelijk stadium te worden ingediend, op straffe van niet-ontvankelijkheid.
2.5
De wrakingskamer maakt uit de brieven van verzoeker op dat hij stelt dat de voorzieningenrechter in de hoofdzaak niet onpartijdig en onafhankelijk is vanwege eerdere uitspraken die zij heeft gedaan én vanwege de brief van de rechtbank in de hoofdzaak van
6 juli 2022 waarin de rechtbank een nadere onderbouwing van het spoedeisend belang verlangt én vanwege de gang van zaken vóór de zitting van 28 juli 2022. Voor zover deze gronden al kunnen leiden tot een toewijzing van het wrakingsverzoek, is de wrakingskamer van oordeel dat verzoeker het wrakingsverzoek te laat heeft gedaan. De wrakingsgronden zijn namelijk gestoeld op feiten en omstandigheden die zich hebben voorgedaan ruim voor de zitting van 28 juli 2022. Verzoeker was dus ver voor de zitting bekend met de feiten of omstandigheden welke naar zijn visie een grond voor de wraking vormden. Het had op de weg van verzoeker gelegen om in ieder geval uiterlijk op de zitting zijn wrakingsverzoek te doen. Nu hij dit pas op 5 augustus 2022, een week na de zitting, heeft gedaan, is zijn wrakingsverzoek te laat.
2.6
Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen verklaart de wrakingskamer verzoeker niet-ontvankelijk in het verzoek tot wraking.

3.Beslissing

De wrakingskamer:
3.1
verklaart verzoeker niet-ontvankelijk in het verzoek tot wraking;
3.2
draagt de griffier van de wrakingskamer op deze beslissing toe te zenden aan verzoeker, de voorzieningenrechter en de betrokken partij in de hoofdzaak.
Deze beslissing is gegeven door mr. E.C.M. van Mierlo, voorzitter, mr. F. Kleefmann en mr. E.J. Bellaart, leden van de wrakingskamer, in tegenwoordigheid van mr. R. Pronk, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 6 september 2022.[concipiënt_initialen]
griffier voorzitter
Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.